is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 26, 25-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Onze eerste kennismaking met Drop Het is al vele jaren geleden, dat wij met Drop kennis maakten. Hij had in de buurt een paar vergaderingen voor de Bond van Transportarbeiders en maakte van de gelegenheid gebruik om ons eens op te zoeken en met ons over het religieus-socialisme te praten. Hij vertelde ons van zijn jeugd, het leven en werk van een arbeidersjongen, van zijn dominee, die grote invloed op hem had, een vrijzinnigen predikant in een orthodox stadje van vissers en kuipers, een man, die wel geen socialist was, maar het wel begreep en waardeerde en hoe hij uit de wereld van het lijdende naar die van het strijdende proletariaat was overgegaan. Hij werd een der voormannen van de vakorganisatie, die door zijn eenvoudig, ferm en vurig woord velen voor haar won. Zo werkte hij mee om de arbeiders door vakorganisatie en ook de politieke strijd uit hun armoede en achterlijkheid te bevrijden, te brengen naar hoger levenspeil en ten slotte naar een socialistische gemeenschap. Onder een hoger levenspeil verstond hij volstrekt niet alleen meer stoffelijke weivaart. De geestelijke dingen waren voor hem van de grootste waarde. Dat had hij niet vergeten van het onderwijs van zijn dominee in zijn jonge jaren. Toen maakte hij een opmerking, die ik me nog levendig herinner:

„In de arbeidersbeweging is bij mij de godsdienst op de achtergrond geraakt en daar kan ik geen vrede mee hebben.” Drop bedoelde niet, dat het socialisme bij hem de plaats van de godsdienst had ingenomen en aan al de behoeften en verlangens van zijn hart niet meer voldeed. Het socialisme is aanvankelijk voor velen een surrogaat van de godsdienst geweest. Het werd voor hen tot een nieuw geloof en gaf hun meer bevrediging en kracht en geestdrift dan het oude geloof, dat meer een zaak van traditie, afkomst, omgeving en opvoeding dan van hun hart was. Zo was het bij Drop echter niet. Hij was tegenover de godsdienst niet onverschillig, laat staan van vijandig geworden, maar de arbeidersbeweging vulde zijn leven zozeer, vroeg voortdurend zoveel van zijn tijd en aandacht en kracht, dat daardoor de godsdienst wel niet verdrongen, maar toch wel op de achtergrond geraakt was. Zo gaat het ons allen wel eens, zij het op andere wijze. Allerlei kleine zorgen uit onze naaste, directe omgeving kunnen ons zo in beslag nemen, dat wij doof worden voor de goddelijke klanken in ons en niet meer uitzien boven de grens van ons dagelijkse, gewone leven. De lamp der vroomheid gaat dan wel niet uit, maar brandt heel laag. Ondanks al haar gebreken, is dit de grote waarde der kerk, dat zij de godsdienst bij ons weer op de voorgrond plaatst en ons waarschuwt niet van God te vervreemden, dat zij telkens weer het licht der eeuwigheid laat schijnen over ons leven, ook het leven der kleine, gewone alledaagse dingen. In deze geest spraken Drop en ik met elkaar. Hij verzekerde me ook, steeds meer het verband tussen religie en socialisme in te zien. In christendom en socialisme vond ook hij dezelfde geest van gerechtigheid en vrede en broederschap en hij verzekerde, dat het socialisme alleen nooit de vastheid en leiding in het leven kan geven, die de mens behoeft en dat ook daarom de religie niet vergeten en verwaarloosd mag worden.

Toen kwam de vraag, die ik mij ook nog levendig herinner: ~Kan ik ook wat voor het religieus-socialisme doen?” Waarschijnlijk werd Drop door de juiste gedachte geleid: Hoe meer men zich aan een zaak wijdt, des te groter plaats ze in ons hart inneemt. Hoe meer men geeft, des te meer men ontvangt! Is men lauw voor een zaak geworden en betreurt men dit, ga er met nieuwe ijver voor werken en het oude vuur zal weer ontbranden. Ik beloofde Drop erover te zullen nadenken en verklaarde me alvast verblijd te zijn over zijn aanbod. Na een druk gesprek, eerst aan de theetafel en toen op een wandeling vertrok hij, om des avonds weer aan transportarbeiders de noodzaak aan te tonen, door organisatie te komen tot betere arbeids- en levensvoorwaarden. Toen

de redactie van „De Blijde Wereld” enige weken later het program vaststelde voor een Blijde-Werelddag in Leeuwarden, noemde ik Drop als leider van de wijdingssamenkomst, die aan de vergadering voorafging. Wij zouden dan een lekepreker hebben, wiens woord vooral waarde zou hebben voor mensen met een zekere schuwheid en wantrouwen en vijandschap tegenover kerk en ambt. Een man, die niet met kerkelijke termen en taal en manieren, waaraan de ambtsdrager nooit geheel ontkomt, de waarde en waarheid der religie zou verkondigen. Nog zie ik Drop met zijn innemend, fris, jong gezicht staan op de kansel van het Waalse kerkje in Leeuwarden, met natuurlijke ernst wijzend op de betekenis van het socialisme voor de religie en van de religie voor het socialisme. Dit is het begin geweest van heel veel arbeid voor het religieus-socialisme, waarvoor hem bij zijn begrafenis dank is gebracht.

De zaak, die op de achtergrond was geraakt, heeft hij flink weer op de voorgrond geplaatst en daarna trouw gediend.

Democratische samenwerking

De sociale hervormingsstroom in ons volk is als een rivier, die zo sterk vertakt is, dat de stroom aan kracht verloren heeft. Dit is een gevolg van onjuiste grenstrekking in onze politiek. Men onderscheidt de partijen ter linker- en ter rechterzijde naar godsdienstige beginselen. Tot de rechterzijde behoren de roomse en de orthodoxe christenen. Orthodoxe christenen en vrijzinnige christenen, die men ter linkerzijde vindt, zijn echter veel meer aan elkaar verwant dan de roomsen en de protestanten. De leden van de C.D.U. en de anti-revolutionnaire partij hebben dezelfde godsdienstige beginselen, maar zijn in de politiek tegenvoeters. Velen erkennen, en wij met hen, dat godsdienstige en staatkundige overtuiging zeker met elkaar in verband staan, maar iets anders is het, om het godsdienstige beginsel te maken tot de voornaamste scheidingslijn in de politiek. Dat geeft aanleiding tot verwarring en onklaarheid, waarbij men de goede weg niet vinden kan. Geestverwanten in de staatkunde komen daardoor tegenover elkaar en tegenstanders naast elkaar te staan. Er komen kunstmatige tegenstellingen en de ware tegenstellingen worden zoveel mogelijk verborgen. Dit leidt tot onwaarachtigheid. En samenwerking blijft uit, waar deze mogelijk en gewenst is.

Wij denken hier aan de bestrijding der werkeloosheid. Dit is wel een der voornaamste taken der overheid in deze tijd. Niet alleen voor het leven van persoon en gezin, maar evenzeer vopr staat en maatschappij is de werkeloosheid een kanker, die alleen door diepingrijpende maatregelen en met spoed te overwinnen is. Onder het ministerschap van Colijn is er noch een radicale noch een snelle bestrijding der werkeloosheid geweest. Hoewel er niet mulder dan vier roomse ministers zijn in dit positief-christelijke kabinet, hoort men van roomse zijde scherpe critiek tegen de trage en halve bestrijding der werkeloosheid onder dit kabinet. De sociaal-democraten zullen in Den Haag de tweede Paasdag met tienduizenden betogen tegen deze slappe bestrijding en haar trage tempo. Ook de vrijzinnig-democraten zijn van oordeel, dat dit kwaad forser aangepakt moet worden. Dezelfde critiek kan men horen van een deel der christelijk-historischen. Een kabinet, dat zich verenigde op dit zeer belangrijke punt van regering en regeringsbeleid, zou hier prachtig en krachtig werk kunnen doen en de werkeloosheid aanmerkelijk kunnen verminderen en daarmee de volkswelvaart vermeerderen. Het zou daarnaast andere maatregelen van sociale hervormingsdrang en kracht gezamenlijk kunnen vaststellen en uitvoeren. Een regering van één partij is in ons land waarschijnlijk in zeer lange tijd niet mogelijk; verschillende partijen zullen nog wel lang gezamenlijk moeten regeren. Zulke gemengde regering is volstrekt geen kwaad;

een regering, uit één partij gevormd, kan licht eenzijdig en heerszuchtig worden. De eens oppermachtige liberale partij heeft zich van dit kwaad niet weten te onthouden. De gemengde regering moet echter een zijn in de zaken, die aan de orde gesteld worden. Zij moet dezelfde oplossing zien van de meest dringende vraagstukken. Dat kan men van de tegenwoordige regering niet zeggen; daarom komt er zo weinig werk van de toch hard werkende ministers tot stand. De voorzitter der R.K. Staatspartij klaagde onlangs, dat er binnenskamers, binnen het kabinet dus, met maren en bezwaren geremd wordt.

De politieke kaart moet veranderd en nieuwe grenzen getrokken worden, zal de verstarring van het politieke leven wijken. Als de democratische stromingen in de verschillende partijen elkaar vinden, zal de werkeloosheid der regering afnemen en ook met succes de werkeloosheid in het land bestreden kunnen worden.

Eisen en geven

De regel, dat men zijn medemensen zal behandelen zoals men zelf behandeld wenst te worden, heeft men wel de gouden wet genoemd. Indien we al onze handelingen door deze wet der wederkerigheid lieten beheersen, zouden wij in een gouden wereld leven. De nationaal-socialisten in ons land handelen daarmee volkomen in strijd. Zij noemen zich nationaal, maar, laat het niet opzettelijk geschieden, toch ondermijnen zij onze nationale zelfstandigheid en banen de weg voor Duitse overheersing. Zij noemen zich socialisten, maar in het derde rijk, dat hun model is, zijn de arbeiders de slaven van de staat geworden en moeten zij werken en gebrek lijden in ergere mate dan vroeger in dienst van hun uitbuiters, wier macht thans door de staat beknot is, maar die over hen thans nog meer te zeggen hebben dan vroeger. Zij eisen recht en vrijheid, nu zij nog minderheid zijn; maar zouden recht en vrijheid onthouden, als zij de macht in handen hadden.

Door een wijziging van het reglement van orde heeft de Eerste Kamer de macht van den voorzitter vergroot, om tegen sprekers op te treden, die buiten de orde van waardigheid en fatsoen zijn. Men kan de regering fel bestrijden en krachtig iedere overtuiging uitspreken, zonder buiten de orde te gaan. In de Duitse Rijksdag zou ieder woord van oppositie direct onderdrukt en de spreker naar een concentratiekamp gezonden worden. Als men in Duitsland zo weinig Duits schreef en sprak als hier de aanhangers der N.S.B. in Nederlandse geest schrijven en spreken, zou men wegens landverraad vervolgd worden.

In het eindverslag over het voorstel, het reglement van orde te wijzigen, klagen de N.5.8.-ers, dat daarmee belet wordt „vrijelijk het woord van het door hen vertegenwoordigd Nederlandse volk te spreken”. Men leest er zelfs van een klacht over „een nieuwe phase van de dictatuur der democraten”. Men mocht in Duitsland wel willen, dat men daar zo vrijelijk kon spreken en dat de dictatuur daar zo zachtzinnig en verdraagzaam ware als de z.g. dictatuur der democraten. Maar de heren eisen, wat zij op hun beurt niet zouden geven. Zij klagen hier over een behandeling, hun door de meerderheid aangedaan, terwijl zij als meerderheid de minderheid het zwijgen geheel zouden opleggen, ja, in het geheel geen minderheid zouden dulden.

De orde, die de nationaal-socialist en in de Eerste Kamer moeten volgen, is een fluwelen bandje, vergeleken bij de ijzeren ketting, waarmee in Duitsland de oppositie gevangen gehouden wordt. J. A. BRUINS.

Van clc administratie

Wij maken de abonné’s er op attent, dat 1 April a.s. een nieuw kwartaal ingaat. Ter besparing van onnodige kosten, verzoeken wij de abonné’s vriendelijk het abonnementsgeld vóór 15 April op onze girorekening 21876, voor Amsterdam V 4500, te willen storten.

De binnenlandse abonnementsprijs bedraagt: per kwartaal ƒ0.90; de buitenlandse ƒ1.15 per kwartaal. Na 15 April wordt over het abonnementsgeld, verhoogd met ƒ 0.15 incassokosten, per kwitantie gedisponeerd.