is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 12, 16-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Kerkeiijke Wereld

Geschokte mensen

De godsdienst hangt samen met rust. Steeds, wanneer een mens uit zijn veilig milieu gehaald wordt, treedt een geloofscrisis in. Want geloof is in eerste aanleg een beaming van het overgeërfde. Derhalve is voor de studie van het moderne ongeloof niet alleen wijsbegeerte en psychologie, maar ook sociologie nodig.

De gemakkelijke verplaatsingen maken den mens bandeloos. De opkomst der grote steden, de ontwikkeling der industrie, de vergroting van de verkeersmogelijkheden hebben hun stimulerende invloed laten gelden op het proces van ontkerkelijking, dat al geruime tijd aan de gang was.

Dit proces gaat thans in vergrote snelheid voort. Wat ons land betreft, is het de mobilisatie die de kerk voor de allergrootste moeilijkheden stelt. En waartegenover de meeste kerken zich zielig-hulpeloos gedragen.

Mobilisatie betekent immers: 400.000 mannen uit hun vertrouwde omgeving. En dat betekent voor duizenden tevens een geloofscrisis. Het behoeft nog niet eens de afschuw van het oorlogshandwerk te zijn, dat daartoe leidt. Verreweg de meesten zullen dat als onvermijdelijk erkennen. Het is ook niet de spot, die de geloofsvormen, en daarmee het nog ongevormde geloofsleven, aantast. Want spot is er altijd geweest. Neen, het is de bandeloosheid vooral, die de weg naar volmaakte onverschilligheid en dfis naar de onrust, plaveit.

Diepe deernis moet ons bevangen, indien wij constateren, dat de kerken daartegenover machteloos staan. Zeker, het leger-apparaat zorgt voor ontwikkeling en ontspanning. Ik wil aannemen, dat hier een goed stuk werk verricht wordt. Maar dat is de leger-zlelszorg, die ncoit recht op de man-met-de-vragen af kan gaan. Het is massa-zorg, waar individuen soms gebaat mee kunnen zijn. Meer niet.

Dan is er nog het instituut van veldgeestelijken. In beginsel kan dat instituut niet anders werken dan O. en O. Het is echter te verwachten, dat de meeste soldaten de echte O. en O. verkiezen boven de woorden van een prekenden majoor. Het noodlottige van het bestaan van dit instituut is, dat het de kerken weerhoudt, zelf voor zielszorg op te komen. Er is thans veel aan gelegen, dat de kerken zich los gaan maken van dit ouderwetse instituut, waarachter de geest van negentiende-eeuwse onprincipiële verdraagzaamheid steekt. Zij hebben, krachtens haar herontdekt wezen, op te komen voor een eigen zielszorg.

Merkwaardig: het zijn niet de rechtzinnigen, die hier het luidst om roepen. Die zwijgen veelal. Maar een opmerkelijk artikel bracht „Kerk en Wereld” van 1 December geschreven door den oud-secretaris der Ver. van Vrijzinnige Hervormden, Ds. K. A. Beversluis, die op principiële gronden opkomt voor een eigen kerkelilk instituut. Het is merkwaardig, hoe bij vrijzinnigen de weerzin tegen het veldpredikersambt groot is: van de honderd veldpredikanten zijn er vijf vrijzinnig. En ofschoon Ds. Beversluis de vraag naar de verhouding tussen christendom en militarisme terzijde laat, moet zijn eis van ~Kerkelijk denken” door deze houding gestimuleerd zijn geweest. En inderdaad, alleen een kerk, die in vrijheid staat tegenover het militaire apparaat, kan tot geschokte mensen iets te zeggen hebben.

Maar nu moet daar iets aan toegevoegd worden: hoe stelt men zich die kerkelijke zielszorg voor? Men staat hier n.l. voor de erkenning, dat wij hiervan nog geen beeld hebben. Want, hoezeer wij allen voor actuele prediking zijn en begeren m een situatie over de concrete kwesties te prediken, wij zullen dienen vast te stellen, dat er situaties zijn, waarin wij niet passen, waarin wij niet aarden kunnen, die een klimaat vormen, waarin elk godsdienstig woord door de ijlheid der atmosfeer onhoorbaar wordt. Dat kon wel eens in het leger zo wezen.

Dat maakt het zo moeilijk, in die situatie te spreken tot geschokte mensen. Laten wij dat bedenken, als wij de eis stellen, de Kerk ruim baan te geven voor haar zielszorg in de kazernes en de kampementen. Als dat eenmaal

is geschied, dan staan wij nog maar aan het begin der moeilijkheden.

Eine aite Geschichte.

Nauwelijks is op de jaarvergadering van de aloude Nederlandse Protestantenbond het onderwerp aan de orde geweest: „Politiek op de kansel”, of Prof. Obbink schrijft erover in het „Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom” van 8 December.

Hij wijst het af. Practisch hierom, omdat de predikanten door zich met politieke kwesties in te laten, over dingen spreken, waar zij doorgaans niets van af weten en principieel, omdat de prediking het Woord Gods te brengen heeft met zijn absolute eisen, terwijl de politiek menselijk is, dus krachtens haar wezen moet schipperen. Daar komt dan nog als argument bij, dat de predikant bekering predikt. Een individu kan zich bekeren, een Staat niet. Uitzondering maakt Prof. Obbink voor het geval de Staat de vrijheid van spreken aanrandt, of wanneer de Staat een wereldbeschouwing propageert, die in strijd is met het Evangelie. Dan moet ook van de kansels geprotesteerd worden. Dan is politiek op de kansel geoorloofd.

Wat hebben wij hierover te zeggen? Twee dingen. In de eerste plaats, dat niet alleen de Staat, maar ook de individuen (bekeerd of niet), slechts leven kunnen door compromissen te aanvaarden. En daar in een democratische staat de uitvoering van politieke beslissingen door verantwoordelijke mensen genomen wordt, kan de Kerk van haar kansels ook tot die mensen spreken. Het is waar: een politicus heeft andere verantwoordelijkheden als een rentenierende boer. Beiden zullen zich nochtans, indien zij Christenen zijn, de prediking van het Evangelie aan moeten trekken. leder in zijn eigen levensomstandigheid.

In de tweede plaats doet de moeilijkheid zich steeds voor, daar, waar de Staat tot politiek verklaart, waar de Kerk nog lang en breed met Evangelieprediking zich zegt op te houden. Illustrerend daarvoor is het Russische bericht, dat voor het uitbreken van de vijandelijkheden met Polen een kerkdienst is gehouden in de nog functionerende kerken. Om alle incidenten te vermijden, beperkten de kerken zich ertoe, te bidden (wat in de Oosterse kerken wel formuliergebeden zullen zijn geweest). Want prediken was te gevaarlijk. Prediken is immers steeds tevens politiseren.

Daar komen nog twee dingen bij: ten eerste is het lijnrecht in strijd met wat thans algemeen door de Oecumenische beweging aanvaard wordt, te zeggen, dat de Staat zich onttrekt aan de zedelijke beoordeling der Kerk (want iets anders kan lüt de w'oorden van Prof. Obbink niet gelezen worden), en ten tweede zal de beoordeling van de vraag, of een bepaalde Staat het Evangelie belemmert, niet alleen een zaak zijn van wat hij zegt, maar ook van wat hij doet. I

Een Staat, die b.v. geen zorg voor de soclaalzwakkeren kent, die onbarmhartig-kapitalistisch zou wezen, kon wel eens erg verdraagzaam zijn tegenover de prediking, maar ten slotte door zulk een verzuim de prediking méér beletsels in de weg leggen, dan een staat, die door vervolging tot nieuwe bewustmakinj prikkelt.

Conclusie: Prof. Obbink heeft ons niet vermogen te overtuigen, toen hij „politiek op de kansel” afwees. Wij kunnen het slechts met hem eens zijn, waar hij waarschuwt voor onkunde. Deze is inderdaad zeer groot. Maar meestal niet het allergrootst bij hen, die zich over politieke kwesties uitlaten. Politieke onkunde, die ruïneus is voor Kerk en Staat beide, zal men eerder vinden bij hen, die schijnbaar zwijgen over politiek, maar intussen reeds door te zwijgen een politieke stelling innemen.

Aan Manus Kip

Manus Kip, een schrijver in het „Vrije Woord” van 25 November, is volstrekt niet boos op mij. Daar staat hij boven. In dat blad, orgaan van de Kiès-groep, maakt hij zich alleen maar vrolijk over een paar uitlatingen, die ik volgens krantenverslagen mij heb ver-

oorloofd. Drie kolommen lang neemt hij mij onder schot. Daar ben ik zo gelukkig mee, dat ik er eenvoudig niet over zwijgen kan. Manus Kip is overigens de kwaadste nog niet. Hij kent mij zelfs intellect toe, maar mijn misdaad is, dat ik dit ~tegen de verbeten proletariërs” heb aangewend. Verder vindt hij mij onbescheiden, en concludeert daaruit, dat ik wel vrij zeker uit de kringen van de bourgeoisie voortkom. Dat is scherp gezien. Ik heb in het leger van de arbeid al direct een officierspet opgeëist, maar ik ben nog nooit soldaat geweest. Nu roept hij soldaten, ja, zelfs Jan Fuselier zélf, op om mij naar de preekstoel terug te leiden, ver achter de vuurlinie. En de andere huilertjes moeten ook meteen maar meegaan. Want ik schijn een wanhopig geval te zijn, zoals (waarlijk, het staat er, W. 8.!) mijn korporaal Banning ook een wanhopig geval was, toen hij tijdelijk ontsteld is geweest vorig jaar in Leeuwarden, bij de kwestie-Kiès.

Ik ben volkomen verloren. Waarom? Omdat ik bij het uitbreken van de oorlog (alweer blijkens een krantenverslag) ervan getuigd heb, dat wij ons moeten overgeven aan de overtuiging, dat de bestiering van ons aller lot in handen ligt van „hoger macht”. Dat is Manus te bar. Hij wendt zich daarom van zijn hoogte tenslotte tot mij persoonlijk. Aldus: „Ons lot, ons aller lot, dominé, ligt in onze eigen handen, nu en altijd”. En nu dit luid gezegd moet worden, bega ik de zonde om de klassenstrijders naar de „Hogere Macht” te verwijzen. Arme arbeiders, zegt Manus, die in zulke handen vallen. En stomme arbeiders, die naar dit gestamel luisteren. Schoonmaak, grote schoonmaak, mannen!

Manus Kip, wat heb je me te grazen. Je hebt me dóór. Het geeft natuurlijk niets, of ik wijs op de staalkaart van prachtvolle proletariërs, die mijn voorgeslacht sieren, mijn officierspet drukt nu eenmaal op mijn klasseverradelijke hersens. Eén ding heeft de heer Kip verzuimd te noemen, maar dat moet er toch nog bij. Ik beken het, nu' ik toch ontmaskerd ben, maar eerlijk: ik schep er mijn goor behagen in om over die ~Hogere Macht” te spreken, enkel en alleen omdat ik er grof voor gesubsidieerd word teneinde de arbeiders af te houden van de strijd. Tenslotte, Manus Kip, ik bewonder je. Je hebt het verder gebracht dan menig ander: je heb je eigen lot in handen. Maar man, wees er voorzichtig mee, het is breekbaar. Na deze scherpzinnige en fiere proletarische analyse van mijn troebel gemoed, rest mij niet anders, dan te zwijgen. Wat ik dan ook hierbij doe. Alleen als laatste vaarwel: succes met je lot, Manus!

Uit Finland

De Oecumenische Persdienst van Nov. j.l. geeft een bijzondere correspondentie, uit het benarde Finland, waarvan de hoofdzaak hier volgt.

De moeilijkheden, die over ons komen, hebben geleid, tot dat waartoe wij in de laatste twintig jaar tevergeefs gestreefd hebben: wij zijn nu waarlijk één; de politieke partijen hebben hun verbitterdheden jegens elkaar vergeten. Dat is een groot wonder, een gave Gods, waarvoor wij Hem loven. Ons volk heeft offers gebracht, als nooit tevoren. Spontane giften vloeien als een onophoudelijke stroom. In de gevangenis organiseren de gevangenen collectes, om de geëvacueerde bevolking te kunnen heipen. In godssdienstig opzicht is het een verhevene tijd. Aan de Christenen wordt een schone kans gegeven. De kerken van Helsinki zijn, ofschoon één derde de stad verlaten heeft, steeds overvol. Elke avond worden in de kerken bijzondere godsdienstoefeningen gehouden. Een krachtige godsdienstige herleving is overal merkbaar. De Bijbel wordt weer van de boekenplank genomen en gelezen, en iedere Christen weet van vrienden te berichten, die vroeger nooit baden, maar thans in het gebed de uitdrukking van de diepste christelijke houding zien. Uit Viipuri, de hoofdstad van de provincie Karelië in Oost-Finland, wordt bericht, dat in de boekhandel naar geen boek zulk een grote vraag is, als naar de Heilige Schrift. Ons betrouwen ligt niet in de wapenen, maar alleen in God, die al in vroegere tijden onze hulp was en die ons thans wederom in een wanhopige situatie uit het ergste gevaar gered heeft. Dit is de overtuiging van de gehele natie geworden.

L. H. RUITENBERG.