is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 21, 17-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe Laski de situatie in eigen land ziet

Wij naderen het einde van een eeuw van burgerregering. Het is haar gelukt de ganse staat te vormen naar het beeld van de door haar opgemerkte behoeften; uit de wetgeving, die zij tot stand bracht blijkt wat hare deugden, wat hare tekortkomingen waren.

In menig opzicht was het een regering met grote kwaliteiten: actief, gematigd, verdraagzaam, arbeidzaam. Maar slechts zelden heeft zij bewijs gegeven van verbeeldingskracht, want de middenstand kenmerkte zich nu niet juist door een sterke of stoute verbeelding. Voor een groot deel is het daardoor, dat zij angstvallig is geweest. Het ging er voornamelijk om, de noodzaak ingrijpende besluiten te nemen, te ontlopen, want deze verstoren dat gevoel van zekerheid, die handhaving van de beproefde sleur, welke naar middenstandsoordeel een voorspoedige regering kenmerken. Zij meent, dat de openbare zaak op dezelfde wijze moet gedreven worden als private belangen, zelfs haar imperium wordt bestuurd alsof het een grote handelsvereniging ware. Het vermogen om boven zichzelf uit te gaan waartoe de beste aristocratische regering niet zelden in staat was, de bekwaamheid om een geestelijke band te leggen tussen zich en hen, wier levens door haar beïnvloed worden, dit zijn kwaliteiten die aan een middenstandsregering vreemd zijn. Zij denkt bijna geheel in wat Carlyle noemde: geld-gebondenheid (cashnexus). Wie niet in deze termen denkt, gaat door voor onpractisch. Zij maakt zich niet waar, dat relaties van een dergelijke aard alleen zo lang kunnen voortbestaan, als de zekerheid en voorspoed die zij beoogt, zich bij voortduring kan uitstrekken tot de armere delen der gemeenschap. Sedert de laatste oorlog in het algemeen en sedert de grote depressie in het bijzonder, is het al duidelijker geworden dat de geldbasis niet deugt als grondslag voor de vreedzame hoop op voortdurende macht. Er zijn in het stelsel te diepgaande tegenstellingen. Er is te veel eerzucht en er zijn te weinig plaatsen. Die oud zijn, durven geen geschikte plaats vinden voor die jong zijn. Niet alleen dat er een groot permanent leger is van werklozen; het is nu zo ver, dat deze zich ergeren over hunne werkloosheid, luisteren zullen naar iedere stem die ze oproept tot dienen. Er is een gevaarlijke toename van politiek scepticisme op een ogenblik, dat de omvang en het geweldige van onze problemen de eenheid van een eensgezind politiek geloof dringend eisen. Nog altijd houdt die middenstandsregering stand, minder omdat zij gewillige instemming afdwingt dan omdat men nog niet krachtig tegen haar is opgekomen. Wijdverspreid is de overtuiging van hare onbekwaamheid; er is een diep besef, dat zij de moed en misschien de wil mist tot een krachtige inspanning overeenkomstig de problemen waarvoor zij staat. Al is er op het ogenblik geen feitelijke wanorde, de voorwaarden waarop zij ontstaan kan, zijn diep doorgedrongen in deze mensen Sedert het Chartisme is geen geslacht zo vertrouwd geraakt als *het huidige met de opvatting, dat het doel de middelen heiligt. En er is evenmin wel ooit een generatie geweest, die het zo grondig oneens was over het einddoel van maatschappelijke organisatie. Twee oorlogen en die uitgebreide sociale beweging, waarvan de Russische Revolutie niet anders is dan de voornaamste uiting, hebben alle overgeleverde waarden, welke de middenstand tot een stelsel samenbond, dat vertrouwen wekte, in de smeltkroes gedaan. Vlagen van fundamentele veranderingen hangen in de lucht. Zij zijn de voorlopers van een mogelijke storm, waarvan de middenstand onvoldoend besef heeft. Want die schijnt niet te begrijpen, wat in een periode als wij beleven de regeerders zich vóór alles moeten waarmaken; dat de geschiedenis het fundamentele karakter van onze maatschappelijke instellingen in twijfel is gaan trekken. Wanneer de massa er diep van doordroneen is, dat, de tegenwoordige welvaartsverdeling onbillijk is, wanneer zij, als volwassen politieke organisatie verklaart, dat het

tegenwoordige eigendomssysteem onbillijk is, wanneer zij uiteenzet, dat geen politieke hervormingen in staat schijnen onze sociale toestanden gezond te maken, en misschien bovenal wanneer het verval van godsdienstig geloof (!) ze niet langer kan doen hopen op voorrechten in eeen andere wereld, die op zullen wegen tegen de ontberingen van hun tegenwoordig bestaan, dan kan het in ons opkomen, dat de tijd rijp is voor een van die fundamentele omwentelingen in mensengeest als waarvan de Hervorming en de Franse revolutie de voornaamste voorbeelden zijn in de moderne tijd.

Hier stuiten wij nu op het tragische gevolg van dat gemis aan verbeeldingskracht bij de middenstand dat wij reeds aanstipten. Hij kan niet doordringen in de geest van zijne critici. Wat het resultaat is van beredeneerde twijfel, wordt aan gevoelens als nijd toegeschreven, tegenwoordige eigendomssysteem onbillijk is: Uitgaande van de eigen premissen (vooronderstellingen) is een burgerregering in staat waar te maken, dat haar balans geen grote concessies toelaat. Zij kan niet zien dat het juist de premissen zijn die men bestrijdt, en dat daaruit blijkt de karakteristieke zwakheid van een bedreigde maatschappelijke orde, de onbekwaamheid om te weten wanneer toe te geven. Zij is bang om grondige veranderingen in te voeren omdat zij zoals iedere klasse die lang geregeerd heeft gelooft, dat de laatse koop met de historie gesloten is, en ten dele ook omdat zij, vanuit dit geloof, de overtuiging heeft dat hoe meer zij toegeeft hoe meer van haar gevraagd zal worden. Het gevolg is dat, terwijl hare eigen veiligheid hier eist de traditionele grenzen van hare premissen te overschrijden, zij de grens vereenzelvigt met de uiteindelijke veiligheid der maatschappij; zij kan zich alleen op hare eigen voorwaarden veiligheid denken; en zelfs het lot van de middenstand in Rusland en Duitsland brengt er haar niet toe dat veiligheid op hare voorwaarden historisch niet meer mogelijk is. Het onmiskenbare gevolg is, dat overal een soort moraliteit optreedt, die eigen is aan die tijden van half gewelddadige wanorde wanneer de traditionele staatswijsheid ineenstort. Dit is niet alleen het resultaat van de oorlog, want de oorlog zelf is de neerslag van de situatie die ik tracht te beschrijven. Wat ineenstort, is eerbied voor de wetsidee omdat de wetten, door de middenstand gemaakt, niet langer de bedoelingen weergeven, die de massa meent dat maatschappelijk gelden. Wij beleven een van die keerpunten der geschiedenis, waar, om zo te zeggen, een diëet van grote hervormingen eis is, maar omdat zo’n diëet afwijkt van het traditionele diëet voor middenstandsveiligheid, is de regering bang voor de gevolgen voor de sociale spijsvertering. Zoals altijd, leidt dit tot benepenheid van geest en een geest die zich afsluit, wordt altijd meer de verwekker van onverdraagzaamheid en van ergernis. Wij komen te staan voor een onverbiddelijke tegenstelling, wanneer grondige verandering, de eis van het ogenblik, in deze geweigerd wordt door mannen, die de geldigheid van andermans premissen niet willen onderzoeken. Bij zo’n gesteldheid wordt het compromis dat het wezen uitmaakt van vruchtbare politiek, al heel spoedig onmogelijk: wanneer verschillen niet kunnen worden bijgelegd door argumenten, dan worden wij tenslotte altijd verrast door gewelddadige conflicten.

Het gaat er niet om, dat hier en daar behoefte is aan een concessie; het gaat om een grondige verandering. Deze moet óf voortkomen uit de tegenwoordige regeerders zelve óf de gebeurtenissen zullen leiden tot het scheppen van een geestesgesteldheid, die hen ten val brengt. Ik beweer niet, dat het een verandering ten goede zijn zal. Zoals in Duitsland, is het mogelijk dat diegenen aan de macht komen, welke uit vrees voor de chaos onze gemeenschap nieuwe donkere eeuwen zullen binnenvoeren. Doch zelfs al ware dit zo, dan zou het enig resultaat zijn. dat de nieuwe regeerders tegenover dezelfde problemen staan en niet bij machte zijn ze op te lossen, tenzij zij het doel wijzigen waaraan de staat verkocht is. Het nieuwe Duitsland heeft niet een van de vraagstukken opgelost, waar de Weimarrepubiek voor was blijven staan. Het heeft alleen voor zich zelve wraakneming opgeroepen

wegens de wijze waarop het de opgave ontgaan is. Aan de vooravond van de val van Louis Philippe zei Tocqueville tot de Franse kamer: Het is niet het stelsel van wetten dat grote gebeurtenissen in het leven roept, maar de innerlijke geest der regering. Wie de tegenwoordige toestand in ogenschouw neemt, heeft de neiging Tocqueville’s waarschuwing van toen te herhalen. Houdt de wetten zoals zij zijn, indien gij dit wenst. Maar in Godsnaam breng een andere geest in uwe regering. Want, ik herhaal het, de tegenwoordige voert u regelrecht naar de afgrond.” Ik geloof dat wij in de huidige toestand ons deze woorden niet genoeg kunnen voorhouden. Of het middenstandskabinet moet met de arbeiders samenwerken tot wezenlijke herziening, zoals een eeuw geleden de aristocratie tot deze taak samenwerkte met de middenstand, óf de krachten van een gewelddadige omwenteling zullen ons dwingen tot die veranderingen, welke elders door burgeroorlog en internationale strijd tot stand komen.

En de kans tot vruchtbare samenwerking is bezig aan de Regering te ontglippen.

Harold J. Laski.

') Wij nemen dit belangrijke stuk over uit de New Statesman van 27 Jan. 1.1. De strekking ervan reikt ver over Elngelands grenzen.

Want Gij, o G0d....

Gij zijt de vloed, wij zijn de vlakte. Gij zijt het licht, wij zijn de schijn.

Gij zijt de zee, wij zijn de beken. Wij zijn het worden. Gij het zijn. Wij zijn de nood. Gij zijt de volheid.

Gij zijt het rustpunt wij de haast, Wij het rumoer, en Gij de stilte. Gij, zalige Sabbath, eeuwige rust.

Gij zijt ons heimwee, wij de roepers. Het schietlood wij, de diepte Gij,

Wij zijn de branding. Gij de oever. Gij zijt de rust, de zwerftocht wij.

Gij zijt de nok, en wij de drempel, Gij zijt het leven, ' wij de dood.

Wij zijn de schemer, Gij de klaarte, Gij avond en Gij morgenrood.

Naar het Duits van Otto Miiler. Vertaald door RENÉ.