is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 7, 09-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANNEXATIE

in duodecimo formaat

De dromen over een groot-Nederland, dat een stuk land ter grootte van ten minste i van zijn vroegere grondgebied zonder de Duitse bevolking zou inlijven en dat aidus een meer invloedrijke positie in het Europees concert zou gaan innemen, zijn gereduceerd tot een zeer mager voorstel tot grenscorrectie, dat in de afgelopen week in de Staten-Generaal is behandeld en vervolgens bij de grote vier zal worden ingediend. Deze na-oorlogsdroom heeft een ware vermageringskuur ondergaan. De grens zal niet meer lopen langs de Wezer of daaromtrent, zelfs niet langs de Eems. De Duitse inham tussen Drente en Overijsel —, de inham bij Kleef en de hals van Limburg bij Sittard zulien worden opgevuld en daarmee is het dan uit. Of neen: de ca. 100.000 daar wonende Duitsers zullen in Nederland komen te wonen en na een overgangstijd stellig, indien zij althans niet duurzaam zich daartegen verzetten, het Nederlanderschap verwerven. We krijgen wat olieveldj es van zeer klein kaliber, het steenkolengebied wordt iets afgerond en we krijgen een minderhedenprobleem.

Het geheel heet dan niet annexatie, maar grenscorrectie. Deze grenscorrectie valt echter uitsluitend in ons voordeel uit. Het was bij voorbaat uitgesloten, dat één Nederlands dorp Duits zou worden en dit maakt de correctie wel enigermate eenzijdig en verdacht. In waarheid is het een heel klein annexatie-tje. De grote droom van een Nederlandse Europa- of wereldpolitiek, die heus óók nog wel aantrekkelijke kanten had, al was ook zij onaanvaardbaar, draait erop uit, dat we het niet menen te kunnen en mogen laten om een enkel klein voordeeltje in de wacht te slepen.

Zal het een voordeel zijn? Dat zit nog. Daar zijn allereerst die in te lijven Duitsers, die er stellig dol op zullen zijn om nu hun kinderen naar Nederiandse scholen te mogen sturen en minstens een generatie lang burgers te worden van de tweede rang. Hun zal in het geheel niet worden gevraagd wat zij er van vinden. Dat schijnt in ons land, dat democratisch heet te zijn en deze Duitsers tot democraten zal opvoeden, heel gewoon te worden gevonden door tal van lieden die zich zeer op hun teentjes getrapt zouden voelen als men ze van autocratische neigingen zou betichten. In volle ernst thans; dergelijke beslissingen, zulk een beschikken over het lot van bevolkingsgroepen geheel buiten hen om is uiterst bedenkelijk en zal vergiftigend werken. Wij zullen eraan moeten wennen, dat er delen van het land zijn de ingelijfde waar de ordevraagstukken, de vragen van opvoeding en onderwijs, van de vrijheid van vereniging en vergadering, en wellicht nog veel meer, op totaal andere wijze worden opgelost dan in de rest van het land. Wij gaan dus met een dubbele moraal werken. Welk een overheerlijk vooruitzicht! Wat een zoete vrucht van onze overwinning! Welk een propaganda zal hiervan uitgaan voor ons land in de Duits blijvende gebieden.

In de wereld heeft Nederland de functie van een kleine mogendheid, die als erfenis van Huig de Groot en anderen de vaan van het recht, speciaal dat der kleine naties, hoog houdt. Daaraan ontlenen wij voor een belangrijk deel het morele recht om als zeer klein volk zelfstandigheid te mogen

• 4.„ eisen, onafhankelijk, souverem te zijn. Zullen wij in staat zijn om deze taak weer op te nemen als wij dit heel kleme annexatietje hebben ppleegd? Wellicht zullen wij menen, dat dit alles kan. Maar zal ons geluid in anderer oren dan nog even zuiver klinken? Mij dunkt, het zal een gebarsten klank zijn, met iets van farizeïsme erin.

Het economische voordeel is zeer gering. Zeker, de olievelden en de steenkoollagen zijn wat waard, maar gemeten aan het nationale inkomen of gemeten aan de oorlogsschade vallen deze baten geheel in het niet. Zij zullen nauwelijks gewicht in de schaal leggen. Als de netto bate per jaar

de 50 millioen haalt is het veel en het nationale inkomen is voor 1947 door het Centraal Planbureau geschat op 8,4 milliard, terwijl de oorlogsschade ca. 25 milliard beloopt.

Welk een verdwazing, dat over een dergelijk plan de Staten-Generaal in volle ernst discussiëren! Welk een schande, dat wij werkelijk gevaar lopen om aan zoiets mee te doen. Welk een vertoon van onmacht der democratie, dat de beslissingen in de Staten-Generaal hierover in het geheim vallen, zonder dat het plan ten volle is gepubliceerd, zonder dat een reële discussie over dit concrete plan heeft plaatsgehad.

En dan nog gezwegen over de complicaties, waarin Nederland zich internationaal steekt! Neen, géén annexatie, ook al noemt men grenscorrectie.

rMTA-PTiTQ v TTirirnßn H. QUARLES v. UFFORD.

CEMEENSCHAPS-BOUWKUNDE

Tienduizenden woningen zijn er in tal van Nederlandse steden vernield. Het woningtekort is uitermate nijpend en groot is de menselijke nood, die hieruit voortvloeit. Vele gezinnen wonen in kippenhokken, schuren, scholen, kelders, ja waar niet al. |

In Groot-Brittannië sedert 1945 Rood-Brittannië is dit probleem grondig aangepakt en daarmee is gelegenheid gekomen tot radicale vernieuwing. Langs twee wegen zijn de Britse plannen in Nederland thans bekend geworden, n.l. door het in 1945 door de Britse Voorlichtingsdienst uitgegeven fotoboek „Resurgam” en de in Juli 1946 te Rotterdam gehouden tentoonstelling „Engeland’s opbouw”.

In 1937 werd reeds een regeringscommissie (Barlow-commissie) ingesteld om de aardrijkskundige verspreiding van de industrie-arbeiders te bestuderen. In 1940 werden de resultaten in negen punten samengevat welke de richtlijnen gaven volgens welke de opbouw zou moeten geschieden Uiteraard was het onteigeningsv’-aagstuk uitermate moeilijk. In 1941 keurde de regering een interim-rapport op de voornaamste punten goed en zo kwam het in 1942 tot publicatie van het bekende Uthwatt-rapport (met 100.000 woorden!), Groot werden de bevoegdheden, welke daarmee aan de staat werden getrokken, Alle grond moet privé-bezit blijven, maar de ontwikkeling en de wijze van gebruik diende te geschieden in overleg met de Central Authority. Dit centrale bestuur is dan weer gebonden aan de richtlijnen van het Uthwatt-rapport, waarin voorzien is in verbetering van de openbare diensten, het wegenstelsel, behoud van natuurschoon en groene stadsgordels, toezicht op uitbreidingen, tegengaan van lintbebouwing, enz. Zo zijn dan particuliere ondernemingsgeest en vrijheid van initiatief behouden gebleven, maar steeds gericht op de gemeenschaps- en niet op persoonlijke belangen.

Dan, in 1943, werd door de regering een Ministerie voor de bouw van stad en land” ingesteld. Voor het eerst in de

Britse historie kreeg de gemeenschapsbouw een kans om op werkelijk grote schaal toegepast te worden,

Een onderdeel van de herbouwplannen is, het ontwerp van de Londen City Council. Uit informaties was gebleken, dat de bevolking flatwoningen prefereerde, mits deze in de buurt van haar werk kwamen te liggen. Flatbouw blijkt voor industriecentra ook wel de enige oplossing. Zo is er in Londen een flatcomplex, waarin per halve hectare 66 woonverblijven zijn samengetrokken. Ideaal is evenwel 33 verblijven op hetzelfde oppervlak. In Leeds werd een complex gebouwd van 2000 flats met een accomodatie voor 8500 personen, Te Birmingham zocht men de oplossing van het woningprobleem in maisonnettes, huizen met twee verdiepingen, afzonderlijke toegangsdeuren en -trappen, een bouw, zoals die ook in Nederland bekend is in vele steden. Het gevaar voor werkelijke huizenzeeën is niet denkbeeldig en daarom heeft men te Bournville bij Birmingham steeds in het bouwplan openluchtzwembaden, bioscopen, verenigingslokalen, café’s, tuinen, wandelgelegenheden, e.d. opgenomen. Dit is op initiatief van de Cadbury-fabrieken, die in Bournville hun arbeiders op de beste wijze wilden huisvesten. Nog fraaier werd de oplossing in Wythenhawe bij Manchester, waar gebruik is gemaakt van de reeds bestaande bossen. De woningbouw is geheel aan de natuur toegepast, met uiteraard een prachtig resultaat.

Bij de wederopbouw van Londen is speciale aandacht geschonken aan de gemeenschapsstructuur. De architecten meenden terecht, dat de stad niet maar een stoffelijk geheel moest vormen, maar ook wel degelijk organisch diende te functionneren. Opvallend is het, dat men de lagere scholen als kernpunten heeft gedacht voor de buurtgemeenschappen, Men heeft een evenwicht geschapen tussen capaciteit van de scholen en de grootte van de betreffende wijk. Het centrum wil men geheel vrij gaan maken van het grote verkeer en wel door omleidingen via cirkelvormige wegen, tunnels, viaduc-