is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 15, 11-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instelling moge zijn. De algemene vergadering heeft zich met de stemmen van het Slavische blok tegen, voor matiging van het veto uitgesproken. Ofschoon fel tegen dit voorstel gekant, heeft de Sowjetgelelegeerde ernaar gehandeld. Niet zonder betekenis is ook, dat er over ontwapening en terugtrekken van troepen uit vreemde gebieden gesproken is. Van grote betekenis zijn de aangenomen resoluties niet, maar ze kunnen mogelijkheden tot een gunstige ontwikkeling in zich dragen voor het waarschijnlijke geval dat de politieke situatie goed blijft. Men had echter deze besluiten van te voren niet verwacht; ze kwamen, evenals de eenstemmigheid over Franco, voort uit een werkelijke Verenigde Natiesgeest, die de afgevaardigden meer en meer bezielde.

De onderafdelingen van de UNO kunnen nu verder werken. Het prestige van de Veiligheidsraad is weer wat gestegen. En de algemene vooruitzichten blijven gunstig; dat verklaarden Bevin en Spaak allebei. De eerste toetssteen voor de komende ontwikkeling zullen de voorbesprekingen over de Duitse en Oostenrijkse kwestie zijn, die deze week in Londen beginnen. In Maart komen dan de Grote Vier te Moskou bijeen. Er zal nog alle reden zijn de gang. van zaken in en over Duitsland gade te slaan. 5 Jan. 1947. A. E. COHEN.

1 In de sonnetten, die G. Achterberg ons wilde af staan ter publicatie, is sprake van den Spaansen schilder Goya. Wij reproduceren hierbij een van zijn beroemde schilderijen, waarin de verschrikkingen van de oorlog aangrijpend worden uitgebeeld. Het schilderij stelt voor het fusilleren van opstandelingen van Madrid op de 1.3 e Mei 1808.

BOEKBESPREKING

Ds. M. F. E. van Bruggen: IM SCHATTEN DES NIHILISMUS. Die expressionistische Lyrik im Rahmen und als Ausdruck der Geistigen Situation Deutschlands 1946. Uitg. Paris, Amsterdam. 234 blz., ing. 5.90.

Het is voor een recensent goed, dat hij de hele titel van een boek nauwkeurig moet overschrijven: in dit geval beseft hij onmiddellijk om welke geweldige problemen het gaat: Duitsland naar de kant van de geestelijke situatie Nihilisme en in dat verband: de expressionistische Ljrrik. Ik vermoed, dat dit boek een academisch proefschrift is: de schrijver heeft wel aan rotsblokken getild! Of het resultaat van zijn ongetwijfeld omvangrijke en niet gemakkelijke arbeid (hij moest zich verdiepen in geestesuitingen, die hij verafschuwt op menig punt) bevredigend mag heten?

Het eerste hoofdstuk vind ik zonder meer zwak: noch sociologisch noch wijsgerig zijn de problemen voldoende uitgediept. Het maakt de indruk van een aaneenrijging van een aantal meningen van ongetwijfeld belangrijke mensen, soms met, soms zonder critisch oordeel van den schrijver. Of het verschijnsel van het moderne nihilisme voor een niet-ingewijde hierdoor duidelijk wordt, betwijfel ik. Of de hoofdstukken 2 en 3 niet gemist konden worden? Het eigenlijke onderzoek van den schrijver: over de expressionistische lyriek zet pas in met het vierde hoofdstuk. Ik mag mij geen oordeel aamnatigen over de Duitse dichtkunst der laatste decenniën maar erken gaarne: de schrijver weet een aantal wezenlijke gezichtspunten te stellen, die een doorzicht mogelijk maken; zijn conclusies worden aanvaardbaar gemaakt, al is de samenvoeging van zó veel verschillende dichters verwarrend. De vraag dringt zich op: of het wel mogelijk is om op deze wijze een gehele stroming recht te doen, vooral: of één dichter ooit geheel m één stroming opgaat; of het gevaar van schablones, die het persoonlijke wegwerken, toch geen onjuist beeld geeft. De opmerking, dat men in Duitsland het persoonlijke heeft willen wegwerken, kan daartegenover worden geplaatst. Maar dan zou een Nederlands literator de vraag kunnen stellen: is dat zelfs bij deze krampachtigen gelukt?

De stelling, dat het expressionisme op andere wijze moet worden beoordeeld dan de hteratoren deden, n.l. in verband met het nihilisme, heeft de schrijver wel voor mij doen leven. W. B.

Voor Spanje

I

Achter de Pyreneeën hurkt het beest.

Gevlucht over de Alpen uit Germanje,

vond het een schuilhoek in 't perfide Spanje, doortrokken van de veile Philipsgeest.

Uit wraak en angst martelend om het meest wie in zijn klauwen valt aan vel en franje.

staat in de keel van elk een bloedkastanje.

die daar zijn noodloot in de loopen leest.

Stalin waar zijt ge? Waar is Roosevelt?

Mannen van Albion, Amerikanen, verlaat opnieuw kantoor, fabriek en veld.

Haalt voor den dag de opgevouwen vanen.

Weet dat voor geen van ons de vrijheid geldt, als wij niet oogenbliklijk toeslaan samen.

II

Goya, luguber zijn uw creaturen. Gij bondt ze aan uw doeken, naar de wet

van de schoonheid, die het penseel bestuurde.

Zie het Iherié bevolken met

moordenaars van het noorden, die nog net

konden ontkomen aan de dioscuren; Germaansche wolven, huilend met d’ ongure

monsters van Barcelona en Madrid.

Tuschen de siërra's legeren de helden van de guerrilla, hun gering getal slinkt zienderoogen, nu de tijd verstrijkt.

Wanneer komen de groote grijze velden

vliegtuigen van de vrijheid met hun vaLschermtroepen helpen, voordat het bezwijkt?

G. ACHTERBERG