is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 1, 21-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is als een vader, die maandenlang in onzekerheid geleefd heeft, wat het worden zou, een jongen of een meisje. En als de beslissing gevallen is, zegt hij, dat hij niets anders gewild heeft. Dat is n.l. het eerste, waar ik u op wilde wijzen: een automobilist heeft een tere verhouding met zijn vehikel. Hij gaat een dbel van zijn ziel uitmaken. Eerst komt het aangeven van de nieuweling. Dat is niet eenvoudig. Hij moet zwerven langs drie, vier bureau’s, en overal kost het geld. Dit in tegenstelling tot de aangifte van die andere baby, die tenminste distributiebescheiden oplevert.

Dan komen de onderhandelingen met de man, die u de auto verkocht. Contant. Want ook het buitenland kan niet wachten, geen dag en geen uur. De verkoper is als de dokter bij het kraambed. Hij feliciteert u. Hij prijst uw auto. Natuurlijk, hij zegt niet, dat de andere auto’s minderwaardig zijn. Maar hij toont u toch wel aan, dat bij bijzonder geluk gehad hebt, nu gij juist deze auto hebt gekregen. Tevens waarschuwt hij u. De opvoeding van een auto is een verantwoordelijk en ievensbeslissend werk. Zeker, die grote blikken kajuiten slobberen alle olie, die langs de wegen te verkrijgen zijn, maar de uwe heeft een fijn innerlijk en vraagt een exquise behandeling. lets duurder, maar op den duur goedkoper. En dan het leren lopen van deze nieuw-geborene! Hij moet ingereden worden. Streepje voor streepje moet hij wennen aan de snelheden, die u straks uit hem wenst te halen. Dan wordt gij overgeleverd aan de chef van de garage. Uw auto wordt gewassen. Een ander, dan dit woord, dat op een verhouding van mens-tot-mens duidt, wordt nimmer gebruikt. De chef is als de directeur van een ziekenhuis. Hij staat aan het hoofd van een schare assistenten, die hij allerlei geheimzinnigs opdraagt. De auto wordt aan de pols gevoeld, hij wordt betast en begluurd. En dan kunt gij gaan rijden. Voorzichtig. Want gij hebt een wedstrijd met u zelf, hoe lang het zal duren voor het eerste schrammetje zijn glanzende huid zal ontsieren. Gij geeft iedereen voorrang, gij neemt een bocht, alsof u de grootste gevaren ducht. Kortom, gij gedraagt u, of gij een nieuw pak aan hebt. Een pak dat u het merkteken geeft van niet-iedereen te zijn.

Thuis en in de buurt is iedereen belangstellend. Wat ze er heus van vinden, komt u niet te weten, maar men kan zich in uw zielstoestand indenken, en daarom prijst men uw auto hemelhoog.

Dat heeft dan ook zijn gevolgen. Noblesse oblige. U hebt een auto, een ander niet. Zit daar niet iets onrechtvaardigs in? Want nu komen drie categorieën mensen om uw auto heenzwermen. Die blijven, ook nadat u de verzekeringsmuskieten hebt afgeslagen.

In de eerste plaats is daar uw gezin. De kinderen moeten- er allemaal in. Tegelijk, vanwege de schele ogen. En al is een auto van buiten van blik, van binnen is hij van rubber. Zij zet vervaarlijk uit. Schijnbaar is er geen grens. Het voordeel is, dat u vast op de weg ligt, het nadeel, dat u op de portieren moet letten, of u geen kind onderweg verliest. Daar komt bij, dat uw paedagogisch .geweten gaat knagen. Want u weet het wel: jong gereden is oud gelopen. Waar tegenover u dan weer als uitvlucht stelt, dat het rijden nu geen luxe meer is, maar gevolg van de ontwikkeling van het verkeer. Intussen: elke reis ontlokt een spreekkoor, en brengt teleurstelling, als vader kouder is dan zijn hart.

Een tweede categorie bestaat uit uw vrienden. Zij hebben uw auto hemelhoog gepre-

zen. En zij hebben daarmee u gevleid. In ruil daarvoor maken zij aanspraak op uw dienstvaardigheid. En inderdaad: als u nu toch rijdt, waarom dan geen vriendelijkheid bewezen? Dat streelt uw gevoel van eigenwaarde en ontlast uw geweten. Dus maken zij afspraken voor heen en terug en zij presenteren onderweg een sigaar of een chocolaadje. Maar het gevaar bestaat, dat het afhalen hier en het brengen daar u zóveel tijd kost, dat de trein u eerder aan uw doel had gebracht. Ik hoop dat een van mijn vrienden op het goede idee komt, mij met Sinterklaas te verrassen met een chauffeurspet, van voren met een kruis, dat licht geeft in het donker. Dan ben ik verlost .van de waan, dat die auto van mijzelf is en wordt de dienstbaarheid van de bezitter ten volle geaccentueerd.

De derde categorie bestaat uit lifters. Het is een wonder van ordening-van-onder-op, hoe men over gans Nederland liftplaatsen vindt. Bij de uitgangen der steden, liefst op een punt, dat duidelijk aangeeft, dat er geen ander vervoermiddel is, en men dus op de goedheid van de autorijders is aangewezen. Welnu, zij zijn zo goed. Ik ben tenminste zo goed. Je stopt en de lifters stromen toe als water van een helling. Je zwijgt eerst, maar langzamerhand komt het gesprek aan de gang. Natuurlijk, want daarom neemt gij ze ook mee. Dikke auto’s hebben een radio. Die hebben geen behoefte aan lifters. Die hebben zo wel, in hun voortzoemende en slaapwekkende eenzaamheid, voldoende contact met de wereld daarbuiten. Maar de anderen, de •kleine burgers onder de automobilisten, moeten wakker blijven door te praten.

En wat merkt gij dan? Dat u veel sociologische studie kunt doen. Mee-liften is het werk van studenten, want de wereld is van hen, ook al hebben zij geen duit. U treft vaak middelbare scholieren, want die hebben slechts een vaderlijk zakgeld. Muzikanten schijnen ook aan de schrale kant van het leven te verkeren. En verpleegsters ook. Die plegen te werken op het gevoel van sociaal mededogen en de ontvlambaarheid van automobilisten. Daarom behoeven ze nooit lang te staan. Soldaten zit het

vorderen in het bloed, liefst patrouillegewijs. Collega’s trof ik nooit, of het moest zijn de Belgische pater, die een fijn geweten in deviezenopzicht had en bovendien ■oen gelofte van armoede had afgelegd. Onderwijzers noch leraren vragen een lift. Zij zijn blijkbaar weinig mobiel.

De lifter behandelt u gewoonlijk vriendelijk, Al spoedig probeert hij quite te komen met een sigaret. En na verloop van tijd voegt hij daar uitbundige prijzingen van uw auto en vervolgens van uw rijkunst aan toe. Soms vraagt hij bij het verlaten van de auto, wat hij u schuldig is, maar hij verwacht niet dat u een bedrag noemt. De enige hand, die ik ooit kreeg, was van een man, die kennelijk teveel borrels op had. Hij had blijkbaar een kameraad in mij ontdekt, zoals mensen met een goede dronk plegen te doen. Een zegen voor hem en alle andere lifters, dat ik volstrekt drankvrij ben.

Ziet, dat is dan het tweede, wat ik wilde doen uitkomen: een autorijder wordt ingeschakeld in een nieuw sociaal verband. Een net van verplichtingen wordt om hem heen geworpen, en hij wordt er een ander mens van. Hij is n.l. een stukje meer slaaf geworden. Slaaf van de machine, die afstanden voor hem overwint en grenzen verdoezelt. Maar die zijn eisen stelt. Die aanspraak op zijn genegenheid maakt. Slaaf bovendien van de naaste, die een stille wraak neemt op de verheffing, die er in ligt, zich sneller voort te bewegen dan een ander.

Ziet, dat is de levensles, die mijn auto mij verschafte. Schroom dus niet, lezer, als gij mij ergens ziet rijden, om mij aan te houden en in te stappen voor een lift. Dankunnen wij over dit alles nog eens doorspreken. Misschien komen wij er dan op, dat deze dingen óók nog verband hebben, zowel met het christen-zijn als met het socialisme. Maar misschien ontdekken wij het niet. Want de auto is te snel, om aandacht te hebben voor diepte. Daarom is goed, hem ook eens op een afstand te zien. En dan niet alleen met kennelijk-jaloerse blikken. Maar als iemand, die zich niet laat strikken door de gewoonten des levens. L. H. RUITENBERG.

Troonrede en Nationaal Kabinet

De nieuwe zitting van de Staten-Generaal is weer begonnen. Buiten de Ridderzaal was tengevolge van de verhindering van de Koningin niet veel te beleven. Daar binnen voltrok de plechtigheid zich vrijwel geheel als wanneer de Koningin zelve de opening verricht. Het is goed dat men op dit punt heeft teruggegrepen naar de traditie van vóór ‘de Duitse bezetting. De jaarlijks terugkerende plechtige opening van de zitting der Staten-Generaal kan ons volk er aan herinneren, dat het betrokken is bij en medeverantwoordelijk is voor de regering des lands.

De troonrede was niet veel meer dan een overvloedige opsomming van meer of minder belangrijke voornemens van de regering. Het is verstandig zich daarbij te herinneren, dat, gelijk de voorzitter der Tweede Kamer het uitdrukte in de rede, waarmede hij zijn taak voor het nieuwe zittingsjaar aanvaardde, de ondervinding leert dat wel eens enkele onderdelen van regeringsvoornemens, op de derde Dinsdag

in September uitgesproken, tot de vrome iilusies blijven behoren.

Een troonrede, die zich in hoofdzaak bepaalt tot de aankondiging van een reeks op zichzelf staande plannen kan moeilijk geslaagd heten. Zij kan ons er van doordringen, dat wfj een aantal departementshoofden hebben, die ieder voor zich van ijver blaken, zij vermag ons er niet van te overtuigen, dat het beleid van de regering als geheel door een samenbindende en bezielende visie wordt gedragen en gestuwd. En dat is het wat wij in een troonrede nodig hebben, zeker in deze tijd. Wij hebben de dagen gekend, dat het

. kabinet er behoefte aan had zijn beleid te plaatsen in het teken van herstel en vernieuwing. Ditmaal wordt er tot tweemaal toe nog over vernieuwing gesproken. Het gaat dan over de samenstelling van een nieuw burgerlijk wetboek en over de herziening der regeling van het voorbereidend hoger- en middelbaar- en van het nijverheidsonderwijs. Op zichzelf stellig belang-