is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 5, 25-10-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ambtsgebed en volksbeweging

Dezer dagen werd ik benaderd door een partijgenoot-wethouder. In zijn gemeenteraad was een voorstel tot invoering van het ambtsgebed te verwachten. Wat ik daarvan dacht? Hij zelf was een voorstander van het ambtsgebed. Hij veronderstelde echter dat de meesten van zijn fractiegenoten er wel bezwaar tegen zouden hebben. In dat geval was hij bereid als wethouder heen te gaan. Niet dat hij voor de partij zou bedanken. Dat zeker niet. Hij was in hart en nieren socialist en daarom zou hij in ieder geval lid van de partij blijven.

Kijk, dat is nu weer zo’n typisch bewijs van verandering, die met de oprichting van de Partij van de Arbeid in het politieke leven van ons land is tot stand gekomen. Deze man voelt zich socialist en daarom is zijn plaats in de Partij van de Arbeid. Maar hij is niet alleen socialist, hij is ook christen en als christen is hij een voorstander van het ambtsgebed.

Ik wil hiermede niet zeggen, dat alle christenen voorstander van het ambtsgebed zijn, nog minder dat men als christen dat behoort te zijn. Zelfs in de christelijke partijen heerst daarover wel verschil van mening. Ik kan mij begrijpen, dat men voor het ambtsgebed voelt. 'Wanneer men de Overheid in de Bijbelse zin ziet als dienaresse Gods dan is het te begrijpen, dat men het zinvol acht dat de werkzaamheden van de vertegenwoordigende lichamen aanvangen met het uitspreken van

een gebed door middel waarvan men er getuigenis van aflegt dat de Overheid zich afhankelijk weet van God. Ik kan mij dat begrijpen, maar toch zou ik aan de invoering van het ambtsgebed niet meewerken. Ik ben er huiverig voor het gebed tot een demonstratie te maken en dat doet men als men het bij meerderheid van stemmen oplegt aan mensen, die het niet wezenlijk mee kunnen bidden.

Maar het gaat mij nu niet om het voor of tegen van Ijet ambtsgebed. Het is mij er om te doen er de aandacht op te vestigen, dat er voor iemand die er zo over denkt als deze partijgenoot, plaats is en plaats moet zijn binnen de Partij van de Arbeid. Vroeger was het om zich in de socialistische partij thuis te voelen niet voldoende dat men socialistisch dacht en voelde, maar werd ook nog verlangd dat men van een bepaalde geestelijke snit was. Zo werd het althans in de practijk door de buitenstaanders gevoeld. Thans is het niet meer zo en kan het ook niet meer zo worden gevoeld. De partij heeft het met zoveel woorden verklaard, dat er binnen haar gelederen plaats is voor iedere socialist, welke ook zijn levensovertuiging is. En dat niet omdat die levensovertuiging de partij niet interesseert, maar uitdrukkelijk zo dat de partij die levensovertuiging niet slechts respecteert, maar ook uit politiek oogpunt als belangrijk erkent. De Partij van de Arbeid wil niet zijn een partij voor buitenkerkelijken, waarin misschien ook een

enkele kerkelijke wordt -geduld, maar zij wil zijn een partij voor kerkelijken en onkerkelijken beide.

Als onze partijgenoot voor het ambtsgebed is heeft hij alle recht daarvoor uit te komen. Daarom is het niet juist dat hij, als zijn fractie daarover anders zou denken, zich als wethouder zou moeten terugtrekken. Dat zou alleen in aanmerking komen als er voor zijn standpunt binnen de Partij van de Arbeid eigenlijk geen plaats is. Hij stemme rustig voor, ook al zijn zijn fractiegenoten tegen. En wanneer deze daaraan aanstoot zouden nemen, toont men niet te begrijpen wat de opzet van de Partij van de Arbeid is.

Maar men mag aannemen, dat er voor het zover komt, in de fractie over gesproken zal worden. En men kan er zeker van zijn, dat dat gesprek in een andere toon zal worden gevoerd dan het openbaar debat in de raad en meer begrip voor de wederzijdse standpunten tot gevolg zal hebben. Dat is mede een van de dingen waarin de aantrekkelijkheid van de Partij van de Arbeid gelegen is en men kan er zeker van zijn, dat dit soort contact ons volksleven meer vooruithelpt dan wanneer men elk vanuit zijn eigen afgezonderde positie elkander bestrijdt.

Een partij, die dit aandurft maakt het zich zelf zeker niet gemakkelijk. Er zullen altijd mensen zijn, die zich in een partij van deze structuur net niet helemaal thuis voelen, omdat zij van de partij meer vragen dan deze geven kan. Er zijn er in ons land nog velen, die het niet voldoende vinden dat een partij zich tot de politiek bepaalt, maar die met name ook op geestelijk terrein levensvervulling is van haar verlangen. Men vindt deze waarlijk niet alleen in het christelijk kamp, maar evengoed daarbuiten. Aan de Partij van de Arbeid de taak hier nieuwe vormen te vinden en een nieuwe stijl te doen groeien. Wanneer zij daarin slaagt wij zijn er nog lang niet en staan eigenlijk nog pas aan het begin bewijsf zij ons volksleven een grote dienst, waarvan de invloed zich ver buiten de grenzen van het politieke leven zal doen gevoelen. En in politiek en maatschappelijk opzicht betekent het, dat zij de grondslag legt voor een brede en krachtige socialistische beweging, die in de ware zin van het woord een volksbeweging kan worden.

V. W.

Die jong zijn en zich zelf niet weten Dragen een schaduw op 7 gelaat.

Wensen zich zelf een breukloos leven Van enkel droom of enkel daad.

Maar innig in elkaar verwonden Zijn droom en daad, en wie hen scheidt.

Totdat hun eind'lijk uit het stralen. Waar God zijn licht door openbaart.

De waarheid diep in 7 hart komt dalen. Het donker in hun blik verklaart.

Dan zien zij droom als daad verschijnen En, 7 hart bevrijd, hun ogen rein.

Dit klein dontein van kleur en lijnen, Deze aarde, een zichtbaar wonder zijn.

Vindt ied're daad door droom geschonden En ied’re droom door daad ontwijd.

P. N. VAN EYCK

(Uit Inkeer, Bussum, v. Dishoeck, 1927)

F. Overbeek (1789‘—1869) Zelfportret

Amerika en Rusl^

„Hitler mag dan dood zijn, maar zijn geest leeft in Amerika” aldus besloten we vorige keer (T. en T. 18 Oct. blz. 7) onze samenvatting van het leerzaam artikel van rev. W. H. Melish en hij vervolgt met een lange lijst organisaties en periodieken, die deze verpestende geest uitwasemen: „ een ziedende massa van emotionele vooroordelen ter beschikking van iedere cynische leider, die er naar uit zou zien.” De aanval op democratisch Anierika wordt geleid door het „Un-American-Committee” het zgn. Thomas-Rankin-Committee; het schrikt niet terug voor veemgerecht en heksenjacht en ontvangt steun van bezorgde business-kringen, fel-anti-communistische R.K. gsoepen en fascistische bewegingen. Vooraanstaande mannen hebben zich verbaasd, dat de organisatie nog

niet verboden is, maar zij zagen over het hoofd, dat dit comité overal zijn vertakkingen heeft; men krijgt het zo makkelijk niet uitgeroeid; het heeft toegang tot belangrijke persorganen en weet zijn aanklachten onder het publiek te spuien zonder- dat zijn slachtoffers zelfs maar kans krijgen zich te verweren. Alles wat streeft naar uitbreiding van de democratie heet „rood” en men wedijvert, wie het hardst kan declameren ten gunste van een zuivering uit alle openbare lichamen van de „communisten” d.w.z. van hen, die een goede verhouding met de S.U. bepleiten of alleen maar een sociaal of economisch program voorstaan, dat uitbreiding der democratische idee nastreeft. Men maakt er zich geen zorg over, of met deze actie de Amerikaanse democratie zelf niet op het spél staat, of men daarmee de oplossing van de zeer wezenlijke economische en sociale problemen niet onmogelijk maakt, of men niet langzaam afglijdt naar de vestiging van dat typisch kapitalistisch en clericaal leiderschap dat in Europa „clericaal fascisme” heet.

Het besluit van de President om loyaliteitsonderzoekingen in te stellen naar ongeveer twee millioen beambten in 'federale dienst, voert tot beangstigende gevolgen. De Procureur-Generaal heeft maar een lijst op te maken van verenigingen en dan is enkel het feit, dat men 'lid of sympathiserend is, reeds genoeg om ontslag te krijgen of nooit in aanmerking te komen. Beroep hierop is onmogelijk. 'Washington krijgt dus zijn fiches-systeem, begin van een politie-staat. En wat het ergste is: hier wordt radicaal gebroken met de basisveronderstelling der liberale democratie. Men moet de moed opbrengen deze zaken principieel te waarderen en hierop de aandacht te vestigen, opdat ds gezonde reacties van het Amerikaanse volk in beweging komen en de kreten „Oorlog-nu I”, aangeheven door het nationaal kapitaal, overstemd worden.

Ten besluit; de religieuze leiders van het Protestantisme hebben hier een bijzondere verantwoordelijkheid en plicht. Ze mogen dan diepgaande meningsverschillen hebben, maar voor één zaak staan ze gemeenschappelijk: onze religieuze overtuiging in verband met de Amerikaanse democratie en het democratisch groei-proces. De erfenis van het Christendom, voor zover overgebracht door de Protestantse traditie, is een integraal deel van 'geheel onze democratische visie. Als Christenen zijn we niet gehouden tot een bijzonder economisch systeem, maar we leven onder de morele verplichting om een sociale oplossing te zoeken, die ons volk voorziet met een maximum van wederzijdse achting, gelijkheid van kansen, vertrouwen, stabiliteit, veiligheid, opvoeding en vrijheid. Als religieuze leiders hebben wij niet de taak het kapitalisme te verdedigen en als Protestanten staan we niet onder de verplichting de internationale belangen van het Vaticaan te verdedigen, noch een staatsidee. Thomistisch of niet, die zo makkelijk betrekkingen aan kan knopen met allerlei fascistische staten. Integendeel: we hebben de duidelijke plicht ons volk bewust te maken waar de oorsprong ligt van de hedendaagse propaganda. Daarenboven moeten we onze overtuiging uitspreken, dat dit „Een wereld” is, maar dat er ruimte in bestaat voor verschillende culturen en economische stelsels en dat de atoom-bom geen vervangingsmiddel kan zijn voor vrij debat en overreding. Dag-in, dag-uit, moeten we onze mensen voorhouden welke gevaren er bestaan in blinde haat en hoe ze op hun hoede moe-

ten zijn voor de huidige gif-producenten, vooral voor hen, die zich ten overvloede hullen in de Amerikaanse vlag. En ook nog dit: wat onze brave kosters ook mogen menen, het is goed, dat onze mensen op de hoogte zijn en een groter aandeel nemen in het levend-democratisch proces, dat ze opkomen voor vrede, nationale welvaart, tegen ras- en andere discriminaties, enz.

Op de lange baan is er slechts één bescherming voor onze democratie, een denkend en handelend volk, dat in staat is zijn eigen belangen te herkennen en ze te verdedigen. Maar let wel: hier ligt juist het front, waar de vreesachtige- groepen van onze dagen hej; verbitterdst en wanhopigst strijden. Zij wensen geen beter ingelicht publiek, zij wensen geen bredere deelname van het volk in openbare zaken, want het volk zo zeggen ze is oncontroleerbaar in zijn actie. De vraag is: durven we ons vertrouwen schenken aan het gezond verstand van ons volk en in zijn geschiktheid om als het goed ingelicht is, een verstandige beslissing te nemen? Ongetwijfeld hoort zulk een vertrouwen tot de beste Amerikaanse tradities en is er, indien dat geschiedt, geen schijn van kans voor het fascisme.

Het is moeilijk te voorspellen of Amerika dan scherp naar „links” zal zwenken of

een „middenweg” zal vinden. Dat zal wel van de omstandigheden afhangen. Maar één ding is zeker: wat ook Amerika dan zal doen, het zal in de juiste Amerikaanse traditie zijn en zal het ontzag weerspiegelen voor de christelijke geest, die schuilt in Amerika’s hart.”

Geheel in dezelfde geest schrijft Edward Men. Burns, geschiedenis-professor aan de Universiteit van New Brunswick (The Christian Century Juli 1947). Aan zijn artikel ontlenen we slechts dit ene: „Wij Amerikanen hebben even hardnekkig vastgehouden aan ons plan voor controle op atoom-energie als de Russen aan hun veto-recht. Waarom zou men de wezenlijke kenmerken dier twee voorstellen niet kunnen combineren? Laten wij aan de Russen hun multilateraal verdrag geven, dat de atoom-bom verbiedt en schikkingen treft voor de vernietiging van de gefabriceerde voorraden binnen drie dan kunnen wij aandringen dat geen staat een veto mag uitspreken over bestraffingen van schennis van internationaal recht. Als wij deze eisen uitwisselen, kunnen we van de voordelen profiteren, die beide maatregelen ons bieden. Zulk een compromis is onvermijdelijk wanneer tenminste beide naties vermijden willen de brede weg af te gaan, die voert naar het kerkhof der beschaving!”