is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 27, 03-04-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een beschuldiging

Vrij lang heb ik geaarzeld, of ik er wel goed aan doe, de, hier volgende gedachten in het openbaar uit te spreken '— het doende, kom ik zo gemakkelijk terecht in het koor, dat thans tamelijk luidruchtig verzamelen blaast tegen de communisten; ik moet eerlijk zeggen: al wijs ik het communisme om zijn bedreiging van geestelijke vrijheid ten diepste af, ik voel mij niet thuis in het politieke lawaai, dat thans in Nederland ontketend wordt. Ik heb, voorzover mij dat mogelijk was, gestreefd naar een eerlijke, zakelijke beoordeling van Sowjet-Rusland, het heroïsme van het Russische experiment niet willen miskennen, ook al zeg ik ten slotte: het was heroïsme in dienst van een slecht beginsel. Deze houding wil ik ook nu nog trachten vol te houden- en het is daarom dat ik toch maar uitspreek wat mij dwars zit.

Kort en bondig komt dat hierop neer: Sowjet-Rusland wordt, na 1945, steeds meer de vijand, de verrader van het Socialisme, niet alleen binnen zijn eigen grondgebied, maar ook in de buitenlandse politiek. Toen het fascisme in Europa politiek en militair verslagen was, toen in Engeland de Labourregering aan het roer kwam terwijl in Zweden, Noorwegen, Denemarken, Nederland, België en later ook Frankrijk regeringen met sterke socialistische invloed kwamen —■ was er de zeer reële mogelijkheid om in Europa een begin te maken met de verwerkelijking van een socialisme, waarin de geestelijke vrijheid voor ieder mens een beslissend beginsel was. De Sowjetleiders leiders van de tweede wereldmacht! waarlijk geen lieden zonder invloed! hadden de volle gelegenheid, om dit proces met kracht te bevorderen. Zij hebben het gesaboteerd. Zij hebben in de U.N.O. met hun belachelijk en ergerlijk misbruik van het veto-recht, dit orgaan, dat de wereld broodnodig heeft, voortdurend ondermijnd; zij hebben hun eigen medewerking aan het Marshall-plan, voorwaarde voor het economisch herstel van Europa, geweigerd en die aan hun satellieten verboden; zij hebben thans met de staatsgreep in Tsjechoslowakije bewezen, dat zij de strijd met het Westerse socialisme dat wezenlijk met democratie verbonden is willen. Indien in Moskou lieden aan het roer zaten, die ernst maken met wat Stalin wél heeft gezegd: dat er in de wereld ook plaats moet zijn voor een ander type van socialisme dan het Russische, dat er ook andere wegen en methoden mogelijk zijn dan revolutie en dictatuur indien de Russische leiders daarmee ernst hadden gemaakt, dan hadden zij de wereld op de weg naar een nieuwe maatschappelijke orde kunnen leiden en helpen. Zij hebben het niet gedaan, zij hebben het niet gewild. Dat is hun onvergeeflijke schuld, dat is hun verraad.

Natuurlijk moet dan de vraag worden gesteld, hoe het komt, dat de Russen deze enorme flater hebben begaan (een flater, ook vanuit hun eigen belang: zij zijn thans meer dan ooit geïsoleerd en hebben een wereldverzet tegen zich opgeroepen). Op die vraag een antwoord zoekend, dringen zich twee elementen vs,n het bolsjewisme aan mij op. Ten eerste de angst, die door de theorie werd gesteund en aangewakkerd. Vooral sedert de jaren van de burgeroorlog, toen de buitenlandse mogendheden

Frankrijk en Engeland voorop getracht hebben het communisme in Rusland te vernietigen, zijn de Russen van een diep wantrouwen in de Westerse democratie vervuld. De Marxistisch-Leninistische theorie versterkte dit: deze immers leerde, dat het imperialisme onverbiddelijk tot oorlog zou voeren (was de oorlog van ’l4-’lB er niet het bewijs van geweest? Deze stelling is er bij de Russen ingehamerd: de kapitalistische grootmachten moeten -de oorlog willen, zij zullen hem in het bijzonder wiiien tegen het enige land ter wereld, dat alleen reeds door zijn bestaan, een permanente verontrusting voor de bezittende klasse vormt. Angst heeft zonder twijfel ook de andere landen en hun politiek beheerst, te meer naarmate Rusland er economisch, technisch en miiitair bovenop kwam. Zo leefden de volkeren in de beruchte duiveiskring: elke daad van de een vergrootte de angst van de ander en omgekeerd. Dat deze erfenis van wantrouwen en angst niet verdween, toen Labour na ’45 aan de regering kwam, behoeft niet te verbazen: niemand weet beter dan de Sowjetpoliticus, dat buitenlandse politiek iets anders is dan maatschappijhervorming voert ook het Russische communisme geen keiharde imperiaiistische belangenpolitiek in het buitenland?

De tweede factor van betekenis lijkt mij het Russische fanatisme. De leiders der buitenlandse politiek der Sowjet-Unie haten elk compromis met het Westen, zeker de oude generatie, die door Lenin

eri de zijnen zijn opgevoed in de leer dat de sociaal-democratie van Duitsland, Engeland, Frankrijk één laf verraad van schoeljes is geweest (men sla er Lenins polemische geschriften op na, waar men teikens deze scheldwoorden vindt). Waar de grote Lenin aldus voorzong, hoe zouden de kleine jongen anders piepen? Nu is het een voor de hand liggende en algemeen bekende waarheid, dat fanatisme en angst elkaar wederzijds versterken

Ik durf niet beslissen, of het huidige moment der wereldgeschiedenis nog ruimte laat, niet alieen voor gesprek, maar ook voor daden, die de angst zouden kunnen verminderen en daardoor de spanning verzwakken ik weet te weinig van de reële verhoudingen achter de schermen. Maar het staat wel vast, dat de waanzin die opnieuw door de wereld waart en de volkeren bereid maakt tot een derde moord- en vernietigingsavontuur, uit de angst voortkomt; daarom hebben wij méér nodig dan anti-communisme, meer dan politiek die de communisten isoleert. Ik begrijp, dat wij thans in Nederland deze politiek toegepasjb zien; uit een oogpunt van behoud van onze Nederlandse rechtstaat en onze geestelijke vrijheid kan het moeilijk anders. Maar uit het gezichtspunt der wereldverhoudingen is deze politiek niet positief genoeg, brengt zij geen wezenlijke ruimte en ontspanning. Dat moet óók gezegd worden – tegelijk met de aanklacht tegen de communisten, dat zij een democratisch socialisme in Europa saboteren.

W. B.

äeonbevä Aar iet-fan

MEER DAN EEN HERDENKING

Onlangs is er een vergadering geweest, waar Hervormde en Gereformeerde theologen twee dagen gesproken hebben over wat hen scheidde. Volgens het verslag, dat ds M. A. Krop in het weekblad van de Hervormde Kerk van 27 Maart gaf, viel daar een merkwaardige opmerking. Van Gereformeerde kant beklaagde men zich er over, dat er aan Hervormde zijde een totaai gebrek aan waardering was voor alles wat in christelijk organisatieleven tot stand gekomen was.

Dit is, zo in het algemeen gezegd, bepaald niet waar. Wanneer wij nader op dat bezwaar ingaan, dan blijkt, dat men hier wèl moet onderscheiden. Ja, van Hervormde kant wordt bezwaar gemaakt tegen vele christelijke organisaties. Lang niet tegen alle. Waarom wordt er bezwaar immers gemaakt? Niet om het werk, dat zij verrichtten. Daar kan men min of meer waardering voor hebben. En dat is ook wel uitgesproken. De bedenkingen richten zich steeds tegen die organisaties, die -zich voornamelijk ais macht voordoen. Die hun macht tegen andere macht stellen. Laat men, om de zaak zuiver te houden, toch vooral zien, waarom bezwaren gemaakt worden. En tegen welke organisaties in het bijzonder. Steeds, zal men ontdekken, dat

hier niet van een „principe” tegenover een ander principe sprake is. Elk geval wordt tot wanhoop van wie graag langs principiële lijnen denken apart bekeken. Wie zich tegen een christelijke politieke partij verzet, is daarom nog niet tegen een protestants-christelijk werkverband in dë Partij van de Arbeid. Integendeel. Wie zich tegen de N.C.R.V. verzet, wijst daarom nog niet een evangelisatievereniging af. Kortom, daar waar het gaat om geestelijke arbeid, om zending, om opvoeding en om dienst, zal men van Hervormde kant eerder graag meewerken, dan afwijzen. De houding tegenover het schoolvraagstuk is daar een bewijs van. Mits maar weer niet die christelijke school tot norm verheven wordt en wat nog erger is—tot machtsformatie aanleiding geeft.

Neen, christelijk organisatieleven, waarin het dienstkarakter tot uiting komt, vindt eerder krachtige ondersteuning dan verguizing.

Hieraan moest ik denken, toen ik mij verdiepte in de betekenis van de Heldringgestichten, die deze maand hun 100-jarig bestaan herdenken. Er is niemand in het Hervormd kerkelijk leven, die niet met diepe eerbied, met vreugde en met da'adwerkelijke hulp dit werk tegemoet treedt.