is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 27, 03-04-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat mij er iets van mogen vertellen. De Heldrlng-gestlchten, gevestigd te Zetten In de Betuwe vinden hun oorsprong In de werkzaamheid van ds Ottho Gerhard Heldring, die bewogen werd door de ontzaglijke nood In de Betuwe In de hongerjaren van vóór 1848. Deze man stond ruim 40 jaren In het kleine Hemmen vlak bij Zetten, zonder ooit een beroep te hebben ontvangen. Maar hij heeft groots werk verricht.

Heldring was een man van het Reveil. Dit was een beweging. Van Zwitserland vla Frankrijk naar Nederland gekomen In het begin van de vorige eeuw, als verzet tegen de verschraling van het godsdienstig leven. Het was typisch een beweging. Zij beperkte zich tot een kleine, maar Invloedrijke aristocratische groep, die posltlef-orthodox was en tegelijkertijd de persoonlijke oefening der vroomheid voorstond. Zij was niet homogeen In theologisch opzicht. Zij trok mannen ook van andere kerken dan de Hervormde. Zij telde aanhangers der Afscheiding, en ook velen, die haar verwierpen. Maar zij drong steeds tot een persoonlijk beleven van de oude geloofswaarheden, ook In de levenspractljk. Politiek Is In die kling de wortel van de Antl-Revolutlonnalre partij te vinden.

Heldring nu, geheel stammend uit deze kring, wordt gedrongen tot maatschappelijke arbeid. En wie nu de wijze nagaat, waarop hij deze aanvat, kan alleen maar verbaasd staan over de practlsche zin, de openheid en wij zouden haast zeggen de moderne aanpak van het werk. Wij zouden nu zeggen: het was soclaal-chrlstélljkpersonallstlsch.

Concrete nood loste hij concreet op. Zeker, hij had het Communistisch Manifest nog niet gelezen. Hij zou het verworpen hebben. Maar wat bij hem wèl treft, Is de zakelijkheid, waarmee hij de toestanden wil verbeteren, de mens persoonlijk In nieuwe omstandigheden wil brengen.

Concrete nood: drankellende dus (wonderlijk genoeg) een bierbrouwerij, om het jeneververbrulk tegen te gaan. Laten wij nooit vergeten, dat de drankbestrijding In Nederland (zoals overal) van chrlstelljksoclale oorsprong Is. De bierbrouwerij mislukte, de ruimte kwam vrij voor ontslagöh gevangen vrouwen uit Gouda. Vrouwen, op wie de bordeelhouders loerden. Hij neemt ze op. Gewoon nuchtere barmhartigheid. Geen gepreek. Hij Is In zijn omgang niet prekerig noch zalvend. Hij heeft steeds het besef, dat het scheppen van een ulterlljke orde, van regelmaat In het dagelijks verkeer een Innerlijke orde zal bevorderen, die de weg tot het geloof opent.

Het werk breidt zich uit. Elke ellende, die ontdekt wordt, leidt tot nieuwe ellende, die bestreden moet worden. De ongehuwde moeders vrouwen, die door de ganse maatschappij, de christenen en nietchristenen in een merkwaardig eenheidsfront van wanbegrip en huichelarij verenigd, werden verstoten konden daar voor zich en haar kinderen een plaats vinden. Bedreigde vrouwelijke jeugd werd er ontvangen en opgeleid. De betekenis van de volksopvoeding en de onderwijzeressen daarin besefte Helding duidelijk. Dus: een normaalschool met internaat verbond hij aan zijn inrichtingen.

Zo groeide dit werk, steeds gesteund door de kapitaalkrachtige vrienden uit het Réveil, tot een groot complex van sociaal werk. Van daaruit werd, door de opvolger van Heldring, Ds H. Plerson, geijverd tegen de reglementering van de prostitutie In een tijd, toen nog niemand er aan dacht, zijn stem er tegen te verheffen. Ook was daar het centrum, waar actief werd deelgenomen aan de voorbereiding van de kln-

derwetten. Let wel: nimmer vanuit een abstractie van uit een Idee, maar gedrongen door de directe practljk.

Thans liggen deze Inrichtingen voor een deel In puin. Voor een ander deel zijn ze weer opgebouwd. Binnen niet te lange tijd zullen zij weer hun ruim twaalfhonderd zielen tellende bevolking kunnen onderbrengen. Daarbij Is men, onder de tegenwoordige krachtige leiding van Ds K. O. Flnkensleper en Mr B. ter Linde, bezig vooruit te zien en te zinnen op nieuwe vormen.

Dit alles In ,ogenschouw nemend, komt men onder diepe Indruk van het stugge, taaie werk, hier een eeuw lang verricht. En men weet: neen, dit Is niet het „christelijk” werk, waarvan de Gereformeerden denken, dat wij het bestrijden. Integendeel. Wij willen het met vreugde danken en steunen.

Er Is nog lets anders, dat wij, „Zetten” ziende, niet mogen vergeten. Namelijk het onrecht, dat van socialistische zijde vaak gepleegd Is, door te smalen op de christelijke filantropie. Zeker, er Is alle reden geweest om te smalen. Er Is veel goedgeefsheid geweest, die alleen maar een doekje was voor het bloeden van de wonden, die het kapitalisme sloeg. Maar hebben wij socialisten, vooral In het verleden, ons niet al te gemakkelijk van al dit werk afgemaakt, door enkel op te komen voor een structuurverandering der maatschappij, waardoor, als door een toverslag, de

zonden der wereld zouden verdwijnen? Juist „Zetten” laat ons zien, dat er ook een andere aanpak mogelijk Is. Namelijk de nadering van de mens-ln-nood. En, wonderlijk, dan wordt men gedrongen, evenals Heldring In zijn tijd en met de middelen van zijn tijd, de structuren aan te tasten. Dat Heldring geen socialist werd, sprak haast vanzelf. Was hij het geworden dan zouden mlndecr vrouwentranen gedroogd zijn. Maar dat thans juist In deze en dergelljke Inrichtingen het besef voor de noodzaak van een structurele maatschappijverandering sterker leeft, dan elders In het christelijk volksdeel (eenzelfde verschijnsel als bij de Zending) spreekt ook vanzelf.

Daarom mag het honderdjarig bestaan van de Heldrlng-gestlchten niet alleen een zaak van sympathieke herdenking zijn. Deze herdenking moet onze herinnering scherpen, de tekorten van eigen socialistisch verleden bewust maken en ons doen ultzlen naar een vruchtbare samenwerking van allen, die door het zien van Individuele nood tot radicale maatschappij-veranderingen willen komen. Dan weten wij: de strijd van „Zetten” en al die andere complexen van christelijke dienstbaarheid èn de strijd voor een nieuwe maatschappij vormen één front. Zij zijn Innerlijk door eenzelfde geestelijke houding verbonden, ook al weten vele christenen en vele socialisten dat niet.

L. H. RUITENBERG.

„Hij”

Nu Is het dan zover gekomen, dat het woord „Christelijk” een steeds verwerpelijker klank krijgt. Op zichzelf Is het niets bijzonders, dat het „Christelijke” door de wereld niet geaccepteerd wordt; de eerste eeuwen kunnen daar de verschrikkelijkste dingen over vertellen. Maar toen werd het „Christelijke” gevreesd, omdat het zeer revolutlonnalr was, nu wordt het geschuwd, omdat het steeds meer antl-revolutlonnalr Is geworden. Eerst was de werking van het „Christelijke” zo groot, dat alle weerstanden verlamd werden, nu Is het terugtreden zo opvallend, dat de cirkel van het Isolement steeds nauwer wordt getrokken. Wie zich met het „Christelijke” Inlaten, bevinden zich op een eiland, waarvan steeds opnieuw stukken worden afgeslagen. Zouden wij naar een naam zoeken, dan konden wij het het eiland der doodsheid noemen, want veel leven wordt er niet op gevonden. De stilstand, die dreigt, verraadt zich op elk gebied, op het gebied van de politiek,’ van de kunst, ja ook van de godsdienst,

Het eiland wordt omspoeld door een geweldige zee. Deze kolkt wild en Is één en al beweging. Vragen wij ons echter af, wat voor beweging dit dan toch wel Is, dan laat zich het antwoord niet zo eenvoudig geven. De nlet-Chrlstelljke wereld kent steeds minder wetten, waaraan zij gehoorzaamt, steeds gewaagder wordt het trotseren van normen en beginselen. Zijn er dan In het geheel geen beginselen meer, waaraan de nlet-Chrlstelljke wereld zich stoort? Is de opstanding en de onverschilligheid zo absoluut geworden, dat alles mogelijk Is?

Nog Is het niet zo. Met verbeten moed tracht zich de „neutraliteit” tegenover de „Christelijkheid” te handhaven als het beginsel der beginselloosheid. Deze „neutraliteit” Is een geheimzinnig principe, waarvan niemand de kracht precies kent en waarvan de achtergrond duister blijft. Toch Is deze achtergrond er ongetwijfeld en als,wlj dit niet zien, zal het ons ongetwijfeld op een ogenblik noodlottig kunnen worden. Zij, die het „neutrale” tegenover het „Christelijke” willen handhaven, beseffen al te weinig, dat zij dit slechts kunnen, zover de Staat daartoe de gelegenheid geeft. Ja, want de grote credletgever van het „neutrale” Is de Staat en daarom kunnen verenigingen, scholen enz. slechts neutraal blijven, zolang de Staat dit gedoogt.

De „neutrale” zegt tot de „Christelijke”: jij of Ik, want samenwerken kunnen wij niet. Zo lemand na de oorlog deze hoop nog mocht hebben gehad, die begrijpt thans wel, dat deze hoop In rook vervlogen Is. Wat blijft er dan over, wanneer men toch tot geen van belden „ja” wil zeggen? Dan moet men „Hij” zeggen als de derde persoon, die eigenlijk de enige persoon Is. Dit moeten wij weer duidelijk leren zeggen, dat leder misverstand van „Christelijkheid” vermeden wordt. Met een zakelijke ernst en met onwankelbaar vertrouwen moeten wij „Hij” zeggen, zoals de oudste Christenen zelden: Hij komt!! Maranatha! Want Hij Is de hemel, die zich strak uitstrekt boven de rusteloze oceaan en het eiland der doodsheid als de eeuwigheid, die alleen verlossing brengt.

A. F. l: van dijk.