is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 42, 17-07-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te trekken, ook al zal men deze natuurlijk wèl op democratische wijze moeten verwerken. Deze onveranderlijkheid verslapt bovendien de aandacht van de kiezers, voor wie stemmen, behalve een operatie, toch ook een wedstrijd is.

Dat nu is het tweede, wat opvalt: velen meten stemmen als een operatie. Zij worden gedwongen een beslissing te nemen dat men slechts aanmeldingsplicht en geen stemplicht heeft, weten de meeste kiezers niet en men zou ’t liever over willen laten aan anderen. Vooral in een tijd als nu, nu géén leuzen voldoende zijn, om een stem te bepalen de woorden zijn verwarrend gelijk maar nu het om beoordeling van de daden der Regering gaat.

En ziehier nu de reden, waarom de middenpartijen gewonnen hebben. Zelfs de Partij van de Arbeid heeft gewonnen in zoverre zij middenpartij was. De stemmen van al die communistenkiezers van 1946, een dikke 100.000, keerden terug tot hun oorspronkelijke basis, omdat ze daar zich veiliger voelden, en omdat de communisten hun belofte niet gehouden hadden.

Zij zullen dat zonder vreugde gedaan hebben, misschien wel met een beetje schaamte om de teleurstelling van een verloren illusie, maar zij hebben het gedaan, en daarmee het verlies van een dikke 200.000 andere kiezers, die in 1946 op de P. v. d. A. stemden, althans voor een deel weer goed gemaakt.

Maar nu die 200.000 duizend mannen en vrouwen, die in 1946 de P. v. d. A. stemden, en nu weer als schapen ter kooi gingen '— bij Oud, bij Tilanus, bij Romme wat hebben wij daarover te denken? Welk verwijt hebben wij te maken jegens hen èn jegens onszelf?

Het is natuurlijk rechtvaardig èn gemakkelijk boos op deze lieden te zijn. Wij constateren bij hen, die weer naar Oud gingen, een gevoeligheid voor de lawine van belastingbiljetten, die nu eenmaal onaangenaam is. Dit onaangename gevoel kan men sierlijke voTmen geven, door te zeggen, dat men voor de vrijheid wil opkomen, en het persoonlijk initiatief niet wil doden. Maar wie dat zegt, blijkt het beginselprogram van de Partij van de Arbeid niet te kennen. Bij hen, die Tilanus weer kozen, zal ook ’t belastingbiljet een rol gespeeld hebben, maar bovendien heeft hier een verwarring in het gevoelsleven plaats tussen wat een godsdienstige gemeenschap is en een politieke partij. Dat de winst van Tilanus behaald werd ondanks het gemis van een krant of van weekbladen, is begrijpelijk. Hadden deze kiezers Lunshof en Ruiter maar gelezen, dan zou dit zeker als tegengif hebben gewerkt. Maar deze stemmers zijn onpolitiek, zacht-vroom, en hebben meer herinnering aan het vroegere fatsoen van deze partij dan begrip voor de uitzichtloosheid van haar huidige politiek. Daar komt, niet

geuit maar taai aanwezig, het argument van het verzet tegen Rome bij. Officieel hebben de Chr. Historischen terecht geen anti-Rooms geluid laten horen. Zij zullen dat straks evenmin doen. Want ook zij willen weer deelnemen aan de regering, en dan natuurlijk mèt Rome. Zoals zij dat 25 jaar achtereen deden. Maar het protestantse kiezersvolk, onpolitiek als het ten dele is, vindt in de samenwerking P. v. d. A.— K.V.P. een argument om af te vallen. Het enige resultaat is, dat de Roomse macht in Nederland verstevigd is, mede dank zij deze anti-papistische gevoelens.’

En de huidige Romme-stemmers in Roomse kring, die in 1946 een uitstapje naar Ruygers en Willems maakten, konden zich niet ontworstelen aan de zachte, doordringende drang der clerus, om één te blijven. Welter heeft ongetwijfeld onze P. v. d. A.-stemmen teruggelokt.

Dit alles is droevig eh begrijpelijk. Maar het ontslaat ons niet van de plicht te vragen naar de oorzaken, die bij ons zelf liggen. Die oorzaken aan te wijzen is niet hetzelfde als ze te verwijten. Voorzover het verlies te wijten is aan het duidelijk worden van verschillen, is er niets aan te doen. Men wil ordening, of men wii het niet. Wie het niet wil, moet ons niet stemmen. Deze taak, om duidelijk te maken dat onze politiek reëel en zedelijke eis is, heeft de Partij vervuld, en ik geloof niet, dat wij ons voor de propaganda behoeven te generen.

Maar er ligt, juist bij die vloeibare middenstof, een gevoeligheid, die wij niet konden omzeilen. De P. v. d. A. is naar binnen ongetwijfeld een eenheid. Een nieuwe eenheid. Maar naar buiten kon zij niet vermijden herinneringen aan de oude S.D.A.P. te wekken. Men kan zeggen, dat dit dom was van de afvallige kiezers. Maar het feit ligt er. Het rood, de optochten, de toon heeft hen evenzeer afgeschrikt ais de be-

lastingbiljetten. Nieuwe vormen worden niet uitgedacht, zij worden geboren. Welnu, zij zijn in onze kring nog niet in voldoende mate geboren. En die zullen pas geboren worden als het bevruchtende gesprek over de geestelijke grondslagen rflfet alleen in kleine groepjes, in werkverbanden, in de leiding, maar over de gehele partij zal plaats vinden. Dat is de enige mogelijkheid, waardoor de Partij van de Arbeid waarlijk wordt wat zij bedoelt te zijn: een nieuwtype partij, die in haar vormen vöör-leeft hoe het volk op politiek gebied in haar geheel moet leven. Dat is een werk, waarbij wij op lang perspectief moeten blikken. Aan deze visie moeten wij vasthouden, opdat wij niet gaan berusten, in het feit, dat de schapen weer ter kooi zijn gegaan. Ook in onze eigen kooi.

Want laten wij niet vergeten, dat het een teken is, dat de avond valt, wanneer de schapen ter kooi gaan. En na de avond komt de nacht. L. H. RUITENBERG.

HET „KOUDE” BELEG VAN BERLIJN

In de „koude ooriog” tussen de Russen en de Westelijke mogendheden (of moest Frankrijk nog steeds als non-belligerent worden beschouwd?) is thans het „beleg van Berlijn” waarschijnlijk de beslissende slag, die de verdere afloop der verhoudingen bepalen zal.

De voor 65 pet in puin liggende voormalige „Reichshauptstadt” is inderdaad in een even ongunstige positie als een belegerde middeleeuwse stad; er zijn wat voedselvoorraden; er wordt nog vrijwel evenveel als verbruikt wordt binnen gebracht, maar de helft der bevolking (althans van de Westelijke zones) is werkloos door gebrek aan grondstoffen, steenkool of electriciteit, na 8 uur is er geen licht, mechanisch vervoer ontbreekt vrijwel. Het personenvervoer door de lucht is in verhouding niet frequenter zij het wel veiliger dan wat in de middeleeuwen door de linies placht te slippen.

Dit „beleg” kan de stad ten kóste van hoge uitgaven der drie Westeiijke bezetters wel enige maanden ' volhouden, maar vóór de winter en het stookseizoen moet de stad toch „ontzet” worden. Anders moet zij in Russische handen gelaten worden, met het gevolg dat men in West-Duitsland, mogelijk in geheel West-Europa, het geloof in de kracht of politieke wil der Angelsaksen gaat verliezen en een werkeiijke oorlog evenzeer en om dezelfde reden gaat dreigen als na de politieke nederlaag van het Westen in München 1938. Waar er van het lot der Berlijners zoveel afhangt, is het even begrijpelijk dat de Angelsaksen alles zullen doen om deze nederlaag te voorkomen, als de Russen alles doen om deze morele overwinning te behalen.

Nu is de positie van de Westelijken in Berlijn inderdaad zwak, omdat van hen op grond van hun beginselen verwacht wordt, dat zij zich voor de Duitse bevolking verantwoordelijk voelen, terwijl de Russen blijkbaar hebben ingezien, dat zij hun kansen op de sympathie der bevolking verspeeld hebben en alleen nog op medewerking uit fanatisme en angst kunnen hopen. Des te onbegrijpelijker is het, dat de Westelijken in de zes maanden, dat dit „beieg” te voorzien was, zo weinig maatregelen

hebben genomen om het inderdaad te doorstaan; het is toch alles behalve een kleinigheid, 2 millioen Duitsers plus de eigen troepen te voeden en zo mogelijk aan het werk te houden! Maar zo twijfelachtig de positie der Westelijken in Beflijn is, zo zwak is de Russische politiek in Centraal-Europa en de Russische economie als geheel. Daarom is het begrijpelijk, dat de Westelijken nu een diplomatiek offensief hebben ontketend pm Berlijn te „ontzetten”.

Deze nota gaat er van uit, dat de Russische maatregelen een grove schending van het Verdrag van Potsdam zijn van de daarbij afgesproken ruü van Thuringen tegen de deelneming aan de bezetting van Berlijn. Het houdt de deur voor onderhandelingen over Berlijn, niet over West-Duitsland op ministerieel vlak een vurige wens van Moscou open, mits de genomen maatregelen ongedaan worden gemaakt.

Alle tekenen wijzen er op, dat de Russen, hoezeer ook gesteld op de alleenheerschappij in Berlijn, geen oorlog zullen riskeren om de geallieerden uit deze stad te verdrijven. Het is thans reeds niet onmogelijk, dat zij hetzij Thuringen, hetzij hun gehele zone in Oostenrijk (waar Tito hen het spel toch bedorven heeft), zullen aanbieden om de westelijke bezitters goedschiks uit Berlijn weg te krijgen. Maar met het oog op de gevolgen voor de Berlijnse bevolking en op de stemming in West-Duitsland is ook dit nog moeilijk voor de drie mogendheden te aanvaarden.

Gezien de zwakke positie, waarin de Russen op de Balkan staan; gezien de anticommunistische stemming die op de „sokol”-(gymnastiek)feesten in Praag is gebleken; gezien het diplomatieke verzet, dat Polen met succes geboden heeft tegen de oprichting van een Oostduitse staat; en gezien de monetaire moeilijkheden waarmee men in Moskou en de bezette gebieden zozeer te kampen heeft, dat belangrijke functionarissen ontslagen zijn, zullen de Russen dus ook in de hoofdzaak nog wel moeten toegeven. Voor het zover is kan het echter nog wel even duren.

W. VERKADE.