is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 42, 17-07-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Attlee

Ten tijde der verkiezingen loopt menigeen, en niet de slechtste, een tijdelijke politieke kater op. Hier en daar heeft men dan ook uiting gegeven aan een weerzin tegen de politiek, omdat men er zich schijnbaar alleen maar handhaaft met de grofste middelen en ten koste van elke zielenadel. Omgekeerd bestaat de waarde van een politieke partij niet alleen in programma en beginselen, maar evenzeer in de kunde en vooral in het rechtschapen karakter van haar leiders. Niets is bedenkelijker voor een partij dan wanneer men aannemelijk kan maken, dat haar voormannen tekort schieten in karakter; vandaar de ernst van de aantijgingen tegen onze Partijvoorzitter.. Als men ze waar had kunnen maken, waren ze voor onze partij fnuikend geweest; nu aangetoond werd, dat ze laster waren, kan ieder fatsoenlijk mens hieruit zijn conclusies trekken omtrent het zedelijk gehalte van een leiding, die niet schroomde zulkp strijdmethoden te hanteren. Ook in de politiek moet gelden de simpele regel der morele wellevendheid: ieder heeft recht op zijn goede naam, tot het tegendeel bewezen is.

Politiek en karakter! We moesten er aan denken, toen we in een der laatste afleveringen van „The New Statesman and Natiën (26-VI-48) een artikel aantroffen van R. H. S. Crossman, waarin deze verslag uitbrengt omtrent een pas verschenen boek over Engelands Prime Minister, Mr. Attlee. Met dat fijne gevoel voor een schilderachtige anecdote en die rake typeringskunst, die nimmer pedant, steeds algemeen menselijk een persoon uittekent, slagen de Engelsen er, als geen ander volk ter wereld, in, een biografie levend en leerzaam te maken. Ziehier de sfeer van het gehele opstel: „Onlangs op een vergadering van Labour-Kamerleden, maakte een opgewon – den criticus van de regering de opmerking: ~De eerste minister benadert, voor zover dat hier ter plaatse doenlijk is, een ideaal van heiligheid. We kunnen moeilijk wetten maken vanuit de veronderstelling, dat zijn opvolger wel op hem zal lijken.” En het merkwaardigste was: alle omstanders stemden blijkbaar met die opmerking in. Het kan wel eens lastig zijn door iemand geleid te worden, die ontoegankelijk is voor praal, onbewogen voor elke vorm van eerzucht, zoals de gewone politicus die heeft, niet in staat om zelfs een begin te vertonen van die lust zichzelf dramatisch op te vatten, een lust die nu eenmaal het erkende gevolg is van een populaire leidersrol.”

Attlee is opgegroeid in het dorpje Putney als kind van een welvarend middenstandsgezin; na een nogal militair-achtige middelbare schoolopleiding, bezocht hij Oxford, om daarna een saai advocatenbaantje te verkrijgen. Hij begint zijn leven met een hevig minderwaardigheidscomplex. Thuis hield men strikt aan de Zondagheiliging en prees men de dienst aan de naaste. Op school had hij nergens in uitgemunt, ook niet in sport, waar hij wel van hield. En nu, aan de balie, zou zijn bescheidenheid en verlegenheid hem voortdurend remmen.

Er leeft in hem een verlangen zich nuttig te maken, versterkt door familietraditie. Bij een toevallig bezoek aan een jongensclub te Stepney, vindt hij een uitweg. Tussen de jongens verliest hij zijn verlegenheid; zijn minderwaardigheidsbesef wordt opgeheven in de overgave aan de groep. Als secretaris van deze club heeft hij een kamertje boven in het clubgebouw en voor het eerst van zijn leven is hij gelukkig. Daar leert hij begrijpen, dat de achterbuurtellende slechts opgelost kan

worden door het socialisme en wordt zijn middenstandsidee van „dienst aan de naaste” omgezet tot Labour-socialisme. Zeventien jaar lang (zijn oorlogsdienst meegerekend) werkt hij in East-end (de armoebuurt van Londen)-; hij leert er de politiek van het zeepkist)e en van de gemeenteraad. Dan komt hij in de Kamer als vertegenwoordiger van Limehouse (1922), wordt leider van de Labour-party in 1931, is ondertussen burgemeester van Stepney geworden, tot hij in Churchill’s oorlogsministerie opgenomen wordt en later Churchill opvolgt.

Hij is socialist geworden, zoals hij zelf zegt, „niet bekeerd door de logica van Marx, maar eerst door''zijn hart, pas later door zijn hoofd.” „Ik voelde, dat er niets in de wereld was meer waard om te proberen, dan het wij-

zigen der levensomstandigheden.” Zijn bekering tot het socialisme verliep niet vlot: hij had geen lust in beeldenstorm, geen behoefte zichzelf te zijn door te breken met de conventie. Hij wilde de burgerlijke maatschappij, waarin hij was opgegroeid, niet vernietigen, maar de voor- die hij er zelf genoten had, ter beschikking stellen van iedereen.

Ook in Labeur is hij een man van traditie gebleven, loyaal t.o.v. zijn partij, noch uiterst links, noch uiterst rechts, getrouw de zwenkingen van de partij meemakend, omdat zijn trouw veeleer aan de partij als een geheel is dan aan principes of ideeën. Een bekeerling uit de middenklasse moet zijn ideeën niet opleggen, maar heeft de grootste gemene deler uit te drukken, volgens hem. Hij is dan ook de enige intellectueel, die nimmer door de vakbeweging als zodanig is beschuldigd. Buitenstaanders kunnen zo iemand moeilijk waarderen, te meer waar zijn kwaliteiten schitteren in kleine bijeenkomsten en zijn gebrekenjopvallen bij openbare gelegenheden. In het oorlogsministerie gebruikte Churchill hem dan ook als sjouwers jongen met een opzettelijke neerbuigende minzaamheid. Attlee vond het goed en liet Churchill de ovaties oogsten voor zijn werk. Hij weet zich zelfs

op de achtergrond te houden, als hem de eerste plaats toekomt. En toch heeft hij het kabinet stevig in handen. Zelfs eersterangs-administrator, is hij meedogenloos voor de minister, die zijn stukken niet klaar heeft. In tijden van crisis, wanneer de leider zijn overzicht moet dramatiseren, is er gevaar dat hij onttroond wordt, maar toch is Attlee ook onder zulke omstandigheden niet zo simpel als menigeen denkt. Hij heeft een opvallende handigheid getoond in het verijdelen van kuiperijen, vooral door eenvoudig-weg niet te willen geloven in persoonlijke trouweloosheid. Het is niet zo eenvoudig een man weg te werken, die precies weet, waar je op aan stuurt, maar volhoudt je te behandelen als een eerlijk socialistisch kameraad.

Dienst en trouw zijn de sleutelwoorden om Attlee te begrijpen en zij verklaren ook hoe hij het leiderschap behield, dat hem door toeval scheen toegespeeld en voortdurend werd hagejaagd door lieden met, meer zgn. typisch politieke kwaliteiten. Bij de meeste politici zijn idealisme en aanmatiging, oprechtheid en komedie knap, vaak schijnheilig gemengd. In Attlee domineert het motief der dienstbaarheid en het ideaal van trouw. Hij heeft een haast ziekelijke af keer van allerlei bijkomstigheden, waar veel zijner collega’s zo van houden: de kletspraat van de smoking-room, de ruchtbaarheid van pers en podium, het nemen van een dramatische beslissing. Hij houdt van macht, niet omdat het hem streelt, maar omdat het hem gelegenheid geeft te werken.

Geen grotere tegenstelling dan tussen Attlee en Churchill. De laatste heeft de macht van Attlee onderschat, omdat hij zo bereid was het sjouwerswerk te doen zoilder een klacht. Sedert heeft Attlee zijn vergelding gehad, want al is hij een rustig man, hij is niet zoetsappig en hij scheldt ook niet gemakkelijk kwijt. De ongelovige Tory haat hij alleen maar minder dan de Labour-renegaat. En hoewel hij niet ijdel is als Churchill, kent hij de innerlijke trots van de dienaar, die weet dat zijn zaak goed is.

Er zit toch niet zoveel toeval in het feit, dat Attlee leider is van Labour, eigenlijk veel minder dan in Churchill’s leiderschap van de Tories. Zij die instaan voor de status-quo, voor de onveranderlijkheid der maatschappij, hebben belang bij de eenheid. Maar de partij, die verandering voorstaat, is van nature verdeeld tegen zichzelf. Om te blijven leven, moet zo’n partij een eigen rechtgelovigheid scheppen en een eigen traditie van loyaliteit en niemand vertegenwoordigt die beter in Engeland, dan de huidige Prime Minister.

J. G. BOMHOFF.

De nieuwe ziel kan slechts een christendom van de vrije geest opnemen, want geestelijke knechtschap, overweldiging van de geest, geestelijke tirannie behoren geheel tot het rijk van de antichrist.

De geest der christelijke vrijheid is tegen iedere tirannie, of zij van rechts dan wel van links of uit het midden zou komen, of zij een monarchistische, aristocratische of democratische, een socialistische of een anarchistische tirannie mag zijn.

Fanatisme is altijd een schending van de meest elementaire eisen van de hygiëne van de geest. Wanneer een mens in naam der liefde van haat vlamt en in naam der vrijheid geweld aanwendt, bevindt hij zich in een toestand van geestelijke storing, tengevolge van de onmacht de waarheid van de liefde en de vrijheid in zich op te nemen.

BERDJAJEW