is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 6, 30-10-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan \ den Heer behoort de aarde en haar j volheid. Psalm 24 : 1 Z

p CWt/ O'tt'fe

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 30 Oct. 1948 No 6 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld • Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

Ahonn. by vooruitbet. per faar f 8.00, halfjaar f 4.2 i, kwart, f 2.30 plus f 0.15 incasso. Losse nrsfo.ls, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A'damC.

Midden in de wereld!

Op de laatstgehouden vergadering van de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap van de Partij van de Arbeid kwam een der leden met een klacht. Hij zei: Bij ons in de afdeling heeft een partijgenoot zich zeer smalend uitgelaten over de kerk. Dat moet toch niet meer mogelijk zijn.

De discussie over dit punt kon niet uitvoerig zijn. Het enige, wat gezegd werd, was het meest voor de hand liggende: het is goed, dat gij dan in de gelegenheid zijt, de smaad te weerleggen. Het is in de Partij waarlijk niet verboden, om tegen de kerk te zijn. Hier wil ik iets dieper op deze klacht ingaan.

in de eerste plaats moet gezegd worden, dat overal geprikkelde mensen leven. Er is een zekere innerlijke rust voor nodig om niet direct vlam te vatten over een kwestie, die ons hoog ligt. En wie waarborgt ons, dat het beeld van een zaak, waarover wij oordelen, niet vertekend is? Er is vrijwel géén zaak, die ons hart heeft, of wij ontmoeten mensen, die haar beoordelen, zonder haar te kennen. Slechts wie in een kring van gelijkgezinden leeft, heeft daar niet zoveel last van, ofschoon de menselijke vechtlust steeds wel punten weet te vinden, waar zij met elkander over kunnen strijden. Ik denk aan de strijd in de gereformeerde kerken. Maar wie midden in de wereld wil staan, ja, moet staan, zal moeten dulden, dat men leeft bij waarheden en normen, die voor een ander niet gelden, ja, die een ander belachelijk vindt.

Nu overkomt ons het allemaal, dat wij bewegingen en gedachten van anderen afwijzen. Ik zou zelfs een hele reeks van die bewegingen kunnen noemen, die mij öf niets zeggen, öf in de lach doen schieten, öf mateloos irriteren. Ik noem er hier niet een. Anders is het leed van de postbode, die brieven moet torsen van hen, die mij willen bekeren of bekapittelen, niet te overzien. Drieërlei houding is mogelijk. Die van het luchtig verder-leven en ieder het zijne gunnen. Dat is niet diepzinnig, maar het is wel gemakkelijk. En het is in vele opzichten noodzakelijk, willen wij niet oververmoeid raken in deze chaotische tijd. Een zekere vriendelijkheid kan daarmee ge-

paard gaan, al is men in de grond spijkerhard en denkt men: aan mijn ziel geen polonaise.

Een andere mogelijkheid is die van het geirriteerd van zich afslaan. Wie door het leven heen een zeker fonds van waarheden heeft ontvangen al is het een mager bezit, ja juist als het een mager bezit is —■ komt er licht toe, het andere als een aanval, als een dreiging te voelen. Dat andere verstoort zijn rust, zijn veilige kring en die wil men ongerept bewaren. Wanneer dan nog dat andere herinneringen aan ondervonden leed wekt, dan is er „geen praten” mogelijk. Dan zijn er alleen maar hoon, smaad of grimmig zwijgen mogelijk. Maar die geïrriteerdheid kan ook openbarsten, wanneer men geconfronteerd wordt met gedachten, waar men iets van de duivel in herkent.

De vlammende woorden van de profeten zijn niet anders te verklaren: zij zagen iets en zij zagen dieper dan anderen, en daarom spraken zij zulk een felle taal. Als wij dit weten, moeten wij elke geïrriteerde opmerking over ons eigen streven, elke verbolgenheid over wat wij zelf zeggen en voorstaan, niet zonder meer verklaren uit het slechte humeur en de kortzichtige blik van onze aanvaller. Er kan ook iets anders achter zitten.

Een derde mogelijkheid is, dat wij het andere, het vreemde, datgene wat met een appèl of een eis op ons af komt, in zijn wezenlijke strekking pogen te doorgronden. Dan kan men voor veel verrassingen komen te staan. Men kan ontdekken, dat er een gelijkgezindheid aan ten grondslag ligt; dat er een ernstige critiek op ons eigen leven in ligt; dat wij, de doelstellingen verwerpende, de passie van de ander zeer wel verstaan. Zulk een houding leidt soms tot een vlakke verdraagzaamheid toegegeven. Maar zij bergt ook de kans tot rijker ontplooiing, tot dieper zien, tot wijder en stiller leven.

Maar nu die partijgenoot. Hier betrof het een schimpen op de kerk. Is dat op zichzelf zo erg? Koning David werd op zijn vlucht voor Absalom onderweg beschimpt door een telg uit het huis van

Sem. Die man, Simei', kon het niet verkroppen, dat de koninklijke macht op een ander geslacht was overgegaan en hij zag nu zijn kans schoon, de vernederde David te krenken. David weerhoudt zijn hovelingen, die de man te lijf willen. David zegt: „Laat hem vloeken; de Heer heeft het hem bevolen.” Dat is het eerste, dat wij te bedenken hebben, als er gevloekt wordt op de kerk. Al die geprikkeldheden, die smaad, die afkeer hebben wij niet met een geprikkeld „foei” tegemoet te treden, maar met open ogen, zwijgend, moeten wij de man aanzien, die zijn gemoed ontlaadt. Uit welk een nood, welke ervaring spreekt die man? Is er wellicht een Stem in te horen, die ons „kerkmensen” iets wil zeggen?

En dan, vervolgens, hebben wij te bedenken, dat de christen —■ en een christen is nooit los te denken van de kerk midden in de wereld staat, die helemaal niet begrijpt wat wij zelf amper begrijpen. Is die weerstand, die af keer nu waarlijk zo vreemd? Moeten wij die niet steeds en steeds weer horen om nuchter te blijven. Er ligt zelfs een gevaar in als men in de Partij van de Arbeid op z’n tenen gaat lopen, wanneer er een dominé in de vergadering zit. Of een ouderling. Het zou onwerkelijk zijn, als wij in de watten gepakt werden en het zou vreselijk zijn, wanneer ons christen-zijn in de partij alleen maar als een feestelijk curiosum beschouwde. Rondom het christendom moet de ergernis blijven maar, wee, wanneer wij die ergernis verwekken.

Een tenslotte, laten wij niet vergeten, dat de Partij een organisatie is van levende mensen. "Van mensen dus, op wie datgene, dat in het begin van dit artikel werd bf; schreven, van toepassing is. Hebben wij een millimeter méér ruimte dan iemand, die vehement toornt op al wat van de kant der kerk komt?

En zijn ook in de Partij, als overal, mensen, die onverschillig-verdraagzaam zijn, maar ook, die de innerlijke vrijheid niet hebben om met de ander méé te denken. Dat kan evengoed uit verborgen angst als uit fundamentele, haast profetische geladenheid zijn. Daar zullen wij, als christenen midden-in-de-wereld alleen maar als christen op mogen reageren. Niet-flauw-vergevensgezind of quasi-heldhaftig, maar met een tikkeltje deemoed, met een dosis humor, met een gevoel van beschaming en misschien met een kort woord, dat uit doet komen, hoe de man, die zo boos werd op ons, tóch niet precies in de roos schoot.

Van tweeën één: óf wij omgeven ons op alle gebieden met veiligheden en gaan leven in christelijk isolement, öf wij staan midden in de wereld, dikwijls als eenzamen, ofschoon nooit zonder deel te hebben aan de gemeente. Een tussenweg is er niet. En de beslissing, die wij genomen hebben, toen wij het laatste kozen, is een besluit des geloofs. L. H. RUITENBERG.