is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 13, 18-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan \ den Heer behoort de aarde i en haar J volheid. , Psalm 24 ; 1 y/

Tyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOK EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 18 Deo. 1948 No. 13 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld • Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie; J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam.Z. Tel. 24386

Ahnn. by vooruitbet. per faar f 8.00, halfjaar f 4.2 i, kwart, f 2.30p1us f O.li incasso. Losse nrs f O.li, Postg. 21876, Gem. giro V 4iOO, Adm. N.K. De Arbeiderspers, Hekelveld I}, A’dam C.

De kerk in West-Duitsland

Dat de kerk in de Westelijke zone van Duitsland op het punt staat om voor de renazificering te capituleren en zich zonder bijbelse motivering in het anti-communistische front te laten opnemen, noemt Hermann Diem een teken van de onzekerheid en de verlegenheid, waarin zij verkeert. De kerk zegt wel, dat zij vast besloten is, in het heden haar politieke roeping te vervullen, maar zij weet niet, hoe zij dat doen moet, omdat zij de oorzaken van haar falen in de jaren, die achter ons liggen, niet kent, of niet wil kennen.

Wil zij van haar politieke steriliteit verlost worden, dan moet zij zichzelf in tweeërlei opzicht herzien.

De verhouding van staat en kerk, was in Duitsland tot nog toe altijd de verhouding van twee ambten; het overheidsambt en het predikambt. In die verhouding speelden noch de onderdanen aan de kant van de staat, noch de gemeenteleden aan de kant van de kerk, een rol. Beiden werden zij door de wederzijdse ambtsdragers vertegenwoordigd.

Wat erger was, de gemeente speelde als zodanig geen rol, in de kerk niet en ook niet in de verhouding van de kerk tot de staat. De gemeente was object van de prediking en de kerk regering. In het gezichtsveld van de staat kwam zij slechts ais draagster van bepaalde, haar door de staat verleende rechten, waartegenover anderzijds bepaalde plichten stonden. Zij trad niet naar voren als de gemeente, in welke het Evangelie zijn betekenis voor het menselijk samenleven bewijst.

Dit op elkander betrokken zijn van staat en kerk via het overheidsambt en het predikambt —■ een Lutherse erfenis verloor zijn zin en zijn verband, toen het denken in de categorieën van overheid en onderdaan op politiek terrein zijn einde vond door de revolutie van 1918. Toen kwam de kerk met het souvereine volk in aanraking. En toen had aan de zijde van de kerk de gemeente de tegenspeler van het volk moeten worden.

De kerk wist echter met de nieuwe situatie geen raad. Zij deed aan de tijdgeest enkele concessies, doordat zij de kerkorde aanpaste aan de nieuwe staatsorde, zonder zichzelf af te vragen, of deze democratische gelijkschakeling kerkelijk wel verantwoord was. Het Duitse Lutheranisme wist

nu eenmaal niets af van een volstrekt vrije kerk, los en onafhankelijk van de staat. Met de kerkorde voor een vrije kerk, wist men geen weg. Dat bleek heel duidelijk uit de wijze, waarop men in die kerkorde aan de afzonderlijke gemeente een plaats gaf. Men zag deze in het geheel niet als de plaats, waar de kerk door prediking en geloof een werkelijkheid wordt een wezenlijk gebeuren maar uitsluitend als het kleinste kerkelijke onderdeel, dat een minimum aan zelfbestuur kreeg in een bureaucratisch geregeerde en geheel gecentraliseerde kerk. Alle geestelijke beslissingen, die aan de gemeente toekomen, werden gereserveerd voor de leiding der kerk, zodat de gemeente feitelijk op nonactief werd gezet en niet als tegenspeler van de staat kon optreden.

Dezelfde kerk, die haar eigen kerkorde op een niet te verantwoorden wijze democratisch had omgebouwd, stond tegelijkertijd wantrouwend tegenover de pogingen, om deze democratie op politiek terrein, waar zij op haar plaats was, te realiseren. De kerkelijke kringen behoorden voor het grootste gedeelte tot de politieke partijen, die afwijzend stonden tegenover de nieuwe staatsorde. De kerk liet haar belangen door deze politieke partijen behartigen en stak geen vinger uit om de staat te helpen in zijn moeilijkheden, die hem ten slotte onder bijval van de kerk overleverden aan de nationaal-socialistische dictatuur.

Op het ogenblik staat men in Duitsland na het nationaal-socialistische tussenspel weer op hetzelfde punt.

De opbouw van een democratische staat, die na 1918 mislukte, is opnieuw aan de orde, alleen onder veel moeilijker omstandigheden.

Het begrip en de sympathie voor de democratie, zijn mede ten gevolge van de ervaringen, die men met de Wésterse bezettingsmachten heeft opgedaan, niet sterker, maar zwakker geworden.

In het Oosten is er de dreiging van de communistische dictatuur, tegenover welke men niet positief een eigen sociale en politieke rechtsorde stellen kan.

Van Amerika verwacht men economische en, wat sceptischer, militaire hulp. Maar tegenover de politieke orde, die Amerika representeert, staat men afwijzend. Omdat men voorwaarts geen uitweg ziet, vlucht men achterwaarts in de rechtvaardiging van zijn nationaal-socialistisch verleden en staart overigens als verlamd naar het Oosten en doet practisch niets, om het dreigend gevaar af te wenden. Men houdt het voor onafwendbaar en men vermijdt zoveel mogelijk, om zich politiek uit te spreken en zich daardoor voor later te compromitteren.

Het is duidelijk, dat de kerk in deze situatie een grote politieke verantwoordelijkheid heeft.

Maar duidelijk is ook, op welke wijze zij

haar politieke roeping niet moet vervullen. Een kerk, die geen andere mogelijkheden ziet, om het politieke leven te beïnvloeden dan het al maar in toespraken en proclamaties waarschuwen tegen het communistisch gevaar en het versterken van haar positie in het publieke leven, doordat zij bepaalde politieke partijen haar belangen laat behartigen, en die, wat de opbouw van haar eigen leven betreft, meent in 1948 eenvoudig te kunnen voortgaan, waar zij in 1933 gebleven was, alsof er in die tussentijd niets gebeurd is, schiet niet alleen hopeloos te kort, maar moet zelf een prooi van de algemene angstpsychose worden.

De kerk heeft, volgens Diem, slechts één ding te doen. Zij moet aan het Duitse volk, dat aarzelt tussen de keuze van de Duivel en die van Beëlzebub, de derde mogelijkheid verkondigen. Zij moet haar leden, die precies als alle anderen moe zijn en dus geneigd, om de politieke verantwoordelijkheid te ontvluchten, tegen deze vlucht waarschuwen, omdat zij daarmee de komst van het onheil slechts verhaasten. Zij moet hun in volle overtuiging zeggen, dat zij een goed en een God welgevallig werk doen, wanneer zij zich inzetten voor een politieke orde, waarin het recht de vrijheid waarborgt en de sociale gerechtigheid de nood afwendt.

Maar ook daarmee heeft de kerk haar taak nog lang niet volbracht.

Vóór alles moet duidelijk worden, dat de verkondiging van deze derde mogelijkheid haar oorsprong en haar kracht niet vindt in het geloof aan de democratie of het socialisme of in het geloof aan het politieke inzicht van de mens, of in het geloof aan het natuurrecht, maar 'in het Evangelie. Niet de verkondiging van een nieuwe wet is de roeping der kerk, maar de verkondiging van de verlossende en bevrijdende kracht van het Evangelie.

Als Evangelie kan de boodschap der kerk alleen in het geloof gehoord worden. Die boodschap moet de hele politieke wereld in Duitsland horen, maar dat kan alleen gebeuren via de omweg over de christelijke gemeente, doordat die wereld meeluistert naar wat tot de gemeente gezegd wordt en aan het leven van de gemeente ziet, hoe deze zelf van de verlossende kracht van het Evangelie leeft. Het Evangelie moe Evangelie blijven. De kerk moet de wereld geen nieuwe wet opleggen. Haar politieke prediking kan slechts via het leven der gemeente tot de wereld komen. De enige legitieme en daarom ook de enige politiek effectieve bijdrage van de kerk in West-Duitsland ten opzichte van de dreigende communistische en de tot het verleden behorende nationaal-socialistische dictatuur kan alleen daarin bestaan, dat er zulke levende en actieve gemeenten zijn. Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht.

J. J. BUSKES Jr