is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 22, 04-03-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we dan kunnen spreken van zendingswerk onder gedeelde verantwoordelijkheid. Ook zouden we van uit het gezichtspunt van de Kerken in Nederland kunnen spreken van zendingswerk „in het laatste stadium”, terwijl dit werk dan nog vele, vele tientallen van jaren de volle activiteit van de Kerken in Indonesië en van die in Nederland gezamenlijk zal kunnen opeisen.

De vorm van het werk zal in deze periode veelal zo zijn, dat wij het best zouden kunnen spreken van „taak-zending”. Vele van die taken kwamen bij de bespreking ter conferentie naar voren. Zoals de opleiding, vooral in de hogere vorming; het brede terrein van de schoolvoorziening, de kadervorming van jeugdleiders, de medische verzorging, internaatswerk, lectuurvoorziening. Niet, dat de Indon. Kerken zich aan die taken zouden willen onttrekken. Doch al hun krachten worden thans opgeëist voor het direkte kerkelijk werk, het werk van gemeente-opbouw en kerk-organisatie. Terwijl al dat andere werk, zoals onderwijs, opleiding, jeugdwerk etc. roept, neen, schreeuwt om vervulling.

En ieder, die in deze taak-zending arbeidt, gevoelt zo heel sterk, hoe dit is een stenen aandragen voor het hoofdgebouw!

Als we de mogelijkheden voor het zendingswerk in Indonesië vanuit het gezichtspunt van de Kerken in Nederland zien, dan kan zeker gesproken blijven worden van echt zendingswerk, alleen met de toevoeging van zendingswerk in het laatste stadium.

Hierbij komt vanzelfsprekend dan de nieuwe factor, dat dit zendingswerk verricht wordt in volledig overleg met de zelfstandige Indonesische Kerken, wier eigen zendingsroeping natuurlijk allereerst in Indonesië ligt. En hierbij ontstaat er voor de Kerken in Nederland, als God de weg daartoe opent en blijft openen, een mogelijkheid en roeping voor zendingswerk in Indonesië, waarvoor wij dan de verantwoordelijkheid delen met de Indonesische Kerken.

Feitelijk mogen wij alleen maar dankbaar zijn voor deze gang van zaken, ook als de praktijk van het werk daardoor tal van moeilijkheden en gevoeligheden schept. De kostbare winst blijft, dat wij thans in deze zendingsarbeid op de meest gunstige wijze van stonde af aan veelal met krachten mogen samenwerken, die, omdat zij zelf Indonesiërs zijn, in de arbeid veel meer toegang en vertrouwen ontvangen, veel meer dan de zendingsarbeiders rechtstreeks uit het Westen.

Behalve dan nog, dat deze Indon. werkers een veel groter aanpassingsvermogen voor de toestanden en situaties hier hebben. Daarbij komt nóg een factor, die het bedenken waard is. Telkens wordt van Moslimse zijde tegen het zendingswerk het argument gebruikt, dat de christelijke godsdienst, uit het Westen komend, onmogelijk de nationale godsdienst voor de Oosterling kan zijn. De nationale godsdienst, dat is natuurlijk de Islam.

Het Christendom is volgens deze redenering slechts een penetratie-poging van het Westen en het maakt de Indonesiër los van zijn eigen bangsa (ras).

De afgelopen oorlogsjaren hebben echter anders doen zien en ook in de rijen van hen, die actief deelnamen aan de nationale vrijheidsstrijd hebben christenen in de eerste gelederen gestaan. Toch duikt telkens weer van Moslimse zijde dat argument op. Een zelfstandig deelnemen van de Indonesische Kerken zelf aan het zendingswerk zal zeker ook uit dat oogpunt een verzwakking van het Moslimse strijdargument betekenen.

Overigens wijst alles er op, dat uitgezon-

derd misschien in de specifiek heidense gebieden, de tegenstelling Moslim—Christen, als groep, veel feller zal worden dan vroeger. Dankbaar kunnen we zijn voor de uitspraken in de grondwetten van de Deelstaten in verband met de garantie voor godsdienstvrijheid, doch de praktijk van het werk brengt de Christengroepen toch als zeer kleine minderheden te midden van overwegend Moslimse bevolking, met al de gevolgen daarvan in een oosters land. Makassar. Ds H. VAN DEN BRINK

Een hrkf EN EEN ANTWOORD

2

Beste V., ’) Je brief heeft me deze week telkens beziggehouden. Het verwijt, dat er van ons blad weinig stimulerends uitgaat, zit me toch dwars.

In „In de Waagschaal” stond vorige week o.m. het gedichtje van Adama van Scheltema: O tijd, die komt. Voor het geval, dat je de bundels van Van Scheltema niet bij de hand hebt, neem ik het even over:

~0 tij d, die komt die ééns uw dageraden Als teed’re tuinen aan den hemel bouwt Die eens uw rijke wereld van genade In ieder zalig wezen openvouwt. O tijd, die komt, wiens stem wij in ons [dragen

Als een belovend, ééns verlossend woord, Die ééns den vloek van deze vloekb’re dagen Oplost in uw onmetelijk akkoord.”

Waarom men juist dit gedicht voor precies dit blad had uitgekozen, was me eerst niet duidelijk. „In de Waagschaal” is, zoals je wellicht weet, een strijdbaar orthodoxtheologisch blad. Van Scheltema was een strijdbaar man, maar zeker niet orthodox en evehmin theologisch. De toekomstverwachting, waarvan hij zingt (’t is bijna een psalm) is stellig niet die van „In de Waagschaal”. Ze heeft bij Van Scheltema betrekking op de komende socialistische maatschappij. Bij het blad „In de Waagschaal” kan dat niet het geval zijn.

Toch is het merkwaardig, dat het juist in dat blad staat. Sterker nog: dat het daar ook op z’n plaats is. Het had, geloof ik, ook in „Tijd en Taak” kunnen staan. Ik kan me echter niet indenken, dat het in deze tijd zou worden afgedrukt in „Met Volle Zeilen” of „Paraat”.

Dit gedicht is m.i. namelijk niet meer te aanvaarden, wanneer je,het laat slaan op de komende (?) socialistische maatschappij. Het dat ik en ik meen terecht heb gezet achter het woord „komende”, bewijst dit al. Is iemand van ons er nog helemaal zeker van, dat deze socialistische maatschappij werkelijk zal komen?

En bovendien: in een socialistische maatschappij zou deze toekomstdroom van Van Scheltema geen werkelijkheid worden. Als ik het goed zie, gelooft men in de kringen van het socialisme ook niet of nauwelijks meer in deze toekomst. Heel concrete feiten zijn daar grotendeels de oorzaak van. Waar het socialisme aan de macht kwam (Scandinavische landen, Engeland) ging deze toekomstdroom niet in vervulling. Het socialisme heeft nl. niet alleen te maken met de maatschappij en de structuur van die maatschappij (de „omstandigheden”), maar ook met de mensen, die samen die maatschappij vormen. En het is niet vol-

doende om de omstandigheden te veranderen om de toekomstdroom van Van Scheltema in vervulling te doen gaan. Het is een der fouten van het Marxisme geweest dit te veronderstellen. Op dat punt is de Bijbel nuchterder en reëler. De oorzaak van het kwaad en het onrecht ligt zeker ook dikwijls in omstandigheden, in de maatschappij-structuur, enz., maar primair in het hart van de mens. Van die mens, die ook in een socialistische maatschappij dezelfde blij ft.

Er zijn, geloof ik, nog maar twee grote bewegingen, die dit gedicht tot het hunne kunnen maken: het Christendom en het communisme. Beide verwachten ze nog deze volmaakte toekomst. Daarom was het, zoals ik schreef, in „In de Waagschaal” op zijn plaats en zou het ook op z’n plaats geweest zijn in „Tijd en Taak”. Want van deze toekomst kan alleen hij nog zingen, die het koninkrijk Gods verwacht (of wie zich gewonnen geeft aan de illusie van het communisme). In ieder geval: het socialisme doet het niet meer. Ik ben daar niet rouwig om. Een socialisme, dat het wel deed, zou voor mij onaanvaardbaar zijn. In deze richting moeten we dan ook geen stimulansen verwachten, zeker niet in „Tijd en Taak”. Dat klinkt alles nog al negatief, zul je misschien zeggen. Toch is het niet zo bedoeld. Geen zin was me zo uit het hart gegrepen, als die, welke ik in „Vrij Nederland” las in een artikel van Arne Sörensen, over de ontwikkeling van de situatie in Azië. Hij schreef in dat artikel nl.: „En dan leert de Europeaan in Azië nog een les: dat de democratie, zoals wij die in Europa en Amerika bezitten, bij alle menselijke fouten zo’n wonder-schoon iets is, dat wij ons moeten schamen als wij gelijk dat maar al te zeer onze gewoonte is er op minachtende wijze over spreken.”

Zie, dat is iets. Inderdaad: hoe meer je gaat weten van al die landen, waarin men de democratie (zoals wij die hier met al haar fouten hebben) niet kent, des te meer ga je beseffen, welk een rijk bezit deze democratie is.

Een paar maanden geleden had ik het voorrecht een hele morgen met een groep leerlingen van de hoogste klas van een kweekschool te spreken over democratie. We hebben ons toen niet gewaagd aan geleerde definities; we hebben ook niet veel gepraat over de fouten en gebreken van onze democratie. We hebben alleen geprobeerd om al vergelijkende met toestanden in niet-democratische landen samen te zoeken naar de elementen, waaruit onze democratie is opgebouwd. Toen hebben we zonder Aziatische reis toch hetzelfde gevoel gehad als Arne Sörensen: wat is deze democratie een rijk bezit.

We hebben het ook geaccepteerd, dat onze democratie een voortdurend aangevochten, door fouten ontsierd en steeds weer bedreigd bezit is. In gesprekken met socialistische jongeren heb ik dezelfde ervaringen opgedaan.

Dit klinkt allemaal heel anders dan het gedicht van Van Scheltema. Het is, geloof ik, daarom niet minder waardevol en het biedt betere (want reëlere) mogelijkheden tot een doelbewust en blij handelen. Het is

O Dat de zetter er de vorige week „Beste K.” van maakte, zal wel gekomen zijn door mijn onduidelijk schrift!