is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 39, 01-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Socialisten en middenstand

Johan Winkler schrijft in „Vrij Nederland” van 17 Juni over de discussie, die thans in de Partij van de Arbeid bezig is aan de gang te komen over de middengroepen, in het bijzonder over de middenstand. Hij heft waarschuwend znij vinger op en zegt: pas op, dat gij niet ter wille van de werving dezer middengroepen de linksen, de communistisch of helemaal niet stemmende arbeider verliest. Vergeet het erbarmen niet jegens het lompenproletariaat, de slechtstbetaalde, ongeschoolde arbeiders, de geschoolden, die dreigen te verpauperen, de psychisch of (en) materieel in de knoei geraakte intellectuelen. Zij immers vormen volgens Jacque de Kadt, de stemmers van de vijfde colonne, de communisten.

Het woord erbarmen heeft mij getroffen. Ja, heeft mij aangesproken. Als er gestaan had: macht. Invloed, of iets van dien aard, dan had ik er over hene gelezen en gedacht ja, natuurlijk, dat is óók een probleem. Maar nu er dat woord staat, dat zo in discrediet Is bij felle strijders, bij zakelijke politici, nu zeg ik: ja, dè,t is het. Erbarmen. Maar wat is het, dat thans de ogen open doet gaan voor de positie van de middenstand?

Is het alleen het feit, dat men uitgerekend heeft, hoe bijkans de helft van de Nederlandse bevolking tot de oude of nieuwe middenstand behoort? Dus een macht vertegenwoordigt? Of is het veeleer, dat men de kreet van wanhopige mensen heeft verstaan? Het eerste zal zeker een rol spelen. Maar dat laatste moet óók functionneren. Als predikant der Volkskerk krijgt men wel verstand van de middenstand. Ik ben intussen, denkend over de middenstand, niet bereid om hier in complexen te denken. Ik wil mensen voor de geest halen.

Dan zie ik duizenden middenstanders, zakenlui, die het vrij goed hebben. Beter dan de arbeider. Misschien nog niet financieel. Misschien nog niet, wanneer men het, overigens door een accountant opgemaakt, belastingbiljet ziet. Maar zij hebben een stuk vrijheid, een mogelijkheid tot het nemen van initiatief, die hun in het levensgevoel vèr voert van de sfeer der arbeiders. Wanneer zij voor h\m taak berekend zijn, dan kunnen ze rustig slapen bij veel risico’s en dan zullen ze alle mogelijkheden, die er in hun zaak liggen, uitbuiten. Jammer alleen, dat zoveel middenstanders hun middenstander-zijn alleen uitgedrukt willen zien in een hoger inkomen. Zij voeden hun wrok tegen de overheid met de gedachte, dat zij, als het er op aankomt, helemaal niet zoveel meer inkomen hebben dan een chef-monteur in een garage (een soort ingenieur overigens, met enorme verantwoordelijkheden) en zij hebben nog niet geleerd, dat niet het inkomen, maar de levensvormen de waarde van een beroep, een positie bepalen.

Wanneer ik soms erbarmen voel met deze groep, overigens vaak hard werkende, grote risico’s dragende mensen, dan is dat behoudens incidentele gevallen niet vanwege de maatschappelijke positie. Maar omdat ik altijd nog een beetje dominee ben. En dus oog heb voor de verwarringen der ziel. De beknelling is gelegen in een gebrek aan invoelensvermogen in noodzakelijke nieuwe maatschappelijke verhoudingen die men bij de middenstand vaak aantreft. Men haat het belastingbiljet, maar men kan niet inzien, dat alle inkomen ondenkbaar zou zijn buiten de maatschappe-

lijke samenhang. Men verafschuwt overheidsmaatregelen, maar men vergeet, dat alleen door deze overheidsmaatregelen een chaos tegen te houden is. Het beetje meer of minder is feitelijk niet zo van belang, dat men er veel spul over zou maken.

Dat deze groep middenstanders geen socialist wordt is in de grond van de zaak een pastorale aangelegenheid. Een zaak van zielszorg. En ja, op dat punt schieten wij bepaald te kort.

Maar ik zie ook die andere groep middenstanders. De kleine zelfstandigen, de kapper, de schoenmaker, de kleermaker, de broodbakker. De theorie heeft gezegd: deze mensen sterven uit. Zij worden onherroepelijk opgeslokt door de grote fabrieken, de grootbedrijven. En die theorie was niet zonder grond. Soms werd zo’n bakkertje een Verkade. En wanneer ik zie, hoe zelfstandige kruideniers zich verenigen, hoe kleermakers hun stoffen centraal inkopen, hoe schoenmakers centrale werkplaatsen inrichten, dan meen ik, dat hier een gezond initiatief leeft, dat zich teweer stelt tegen de verschuivingen in het maatschappelijke leven.

Nochtans: mijn schoenmaker maakt zéér lange dagen, véél langer dan zijn knecht. Mijn kapper staat voor een sober loon uren aaneen te knippen en te soppen en alleen door een scherp oog te hebben op kleinigheden kan hij het hoofd boven water houden. Zij, en duizenden anderen de fietsenmaker en de hoefsmid, de timmermansbaas en de dorpsdrukker raken beklemd in de machine. Zij, deze kleine zelfstandigen, hebben een hard leven vaak. Zij zijn middenstand, want ze zijn niemands knechts. Zij zijn echter niet alleen de slaaf van de klanten, maar ook moeten zij hijgend meedraven in het opbrengen van sociale lasten. Men kan daar tegenover stellen, dat zij dan maar him krachten moeten aanbieden aan de grotere bedrijven. Wie dat adviseert, miskent de samenhang van de mens met zijn werk. Die doet, alsof de mens een pion is. Die vergeet, dat erbarmen, d.w.z. ontbranding van het eigen hart met het leed van de ander, nodig is, om waarlijk goede maatregelen te nemen. Die middenstanders zijn niet méér aangestoken door bezitsdenken, zij zijn innerlijk

ongetwijfeld precies zo ingesteld op sociale vooruitgang, op socialisme (of nog méér) als de vastaangestelde gemeente-timmerman-met-pensioen.

Het zal tegenover deze middenstanders duidelijk moeten worden gemaakt, niet alleen in brochures, maar ook door de sociale maatregelen, dat ook voor hun nood oog is dat er ook ruimte bestaat voor hun levensontplooiing. En laten wij dan niet zeggen, als een ingenieur, dat zij buiten het plan vallen; dat het niet tegen de mens gaat, maar tegen het stelsel. Want de mens is nu eenmaal niet van zijn werk te scheiden.

Maar die vijfde colonne dan? Die vier categorieën, die Johan Winkler aan Jacque 'de Kadt ontleende. De haast of helemaal a-socialen, de ongeschoolden, de verpauperden en de ontwrichte intellectuelen? Ja, ook hier: erbarmen. Maar ligt het antwoord op hun nood werkelijk wel op het politieke vlak? Wanneer men poogt zowel de ene groep als de andere tevreden te stellen; wanneer men maatregelen voorstelt, die het levensgevoel zowel van de lompenproletariër als van de kleine zelfstandige bevredigt, zoekt men dan niet naar de steen der wijzen?

Zie ik goed, dan heeft de lompenproletariër géén scheppende functie in de maatschappij; de kleine zelfstandige zeker wel. Dè,t moet, dunkt mij, het uitgangspunt zijn. Althans van een verantwoordelijke socialistische politiek.

Wil dat zeggen, dat men dus de lompenproletariër maar aan zijn lot moet overlaten? Allerminst. Maar dit is niet een zaak voor de sociaal-politicus in eerste instantie, maar voor de sociaal-psycholoog, voor de sociaal-psychiater. Het erbarmen jegens deze groep kan alleen effect hebben bij een goede cultuurpolitiek. Natuurlijk: die allerlei vertakkingen heeft naar de sociale en economische sector. Maar in die sector zal het probleem toch niet zijn oplossing krijgen.

Samenvattend: erbarmen, zeker. Maar het erbarmen met de bedreigde middenstander leidt naar andere gebieden, dan het erbarmen jegens de vijfde stand, die tevens vijfde colonne dreigt te worden. Dus: laten wij het toe juichen, dat men in socialistische kringen zich terdege gaat bezighouden met de middengroepen. Laat men zich daarvan niet laten afhouden, óók als men erbarmen kent met de mensen, die op andere wijze dreigen onder te gaan in onze maatschappij: de lompenproletariërs. L. H. R.

Rondom Korea

Neen, het is nog geen werkelijke oorlog. De zetbazen vechten alleen maar. Men moet een fijnontwikkeld onderscheidingsvermogen hebben om het internationale gebeuren vandaag zuiver te beoordelen. Men moet weten, dat het pas werkelijk oorlog wordt, als de Sowjet-Unie of de Verenigde Staten dat openlijk willen. Nu, met Korea, wordt een Russisch strategisch belang gediend. Er wordt door de Noord-Koreanen, die door de Russen aan de macht zijn gebracht, met Russische wapens gestreden; en als er meer steun moet komen, dan er reeds gegeven is door de Sowjets, wel dan komt die steun. Maar een Russische strijd? Neen, zo mag men dat niet noemen. Dat

brengt te grote consequenties mee voor dit ogenblik.

Dit is de kern van het probleem, waarvoor de Russische aanvalstaktiek het Westen stelt. Rusland laat zijn satellieten vechten; anders dan bij het Duitsland van Hitler, treedt de Russische strijdmacht niet aan bij de „schermutselingen” die tot nog toe hebben plaats gehad. Dit heeft vele voordelen. Het belangrijkste is wel, dat, als de actie dreigt te mislukken, een terugtrekken goed mogelijk wordt, zonder dat dat voor Rusland zelf schade brengt.

Van vele zijden is op de aanval op Zuid-Korea gereageerd met een oproep tot