is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 44, 12-08-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkterrein ligt braak voor een ieder, welke hier ogen heeft om te zien.

Met dit alles zijn wij genaderd tot wat men pleegt te noemen de Zeeuwse mentaliteit. Het is de waarde van onze provincie steeds een eigen karakter te hebben behouden en te willen blijven tonen. Ondanks de vele verschillen op politiek en kerkelijk terrein zijn er enkele gemeenschappelijke trekken aan te wijzen, welke dwars door alle scheidsmuren heenlopen. Hij, die in Zeeland in geestelijk of maatschappelijk opzicht een leidinggevende functie heeft te vervullen, zal hiervan kunnen getuigen.

De Zeeuw is een gevoelsmens bij uitstek, hij leeft mede met het wel en wee van zijn naaste, hij weet iets over te hebben voor een goed doel, mits hij dit doel kent en begrijpt. Maar voor zich zelf leeft hij moeilijk, té moeilijk. Zijn eigen, persoonlijk leven legt hij niet dan na veel strijd een weinig bloot. Hij vergeet slecht of helemaal niet hetgeen hem werd aangedaan, hij is stug als men dit zo noemen wil. De waarde, waarvoor hij strijdt en waarop hij staat is zijn éigen waarde: De Zeeuwse mentaliteit is sterk persoonlijk, naar binnen gericht.

Daarom gaat door alle geestelijke overtuiging een sterk liberale inslag. Liberaal niet in de zin van „Voor Vrijheid en Democratie”, hoewel ook deze partij een sterke aanhang heeft onder de boeren-aristocratie, maar wij bedoelen hiermede die instelling, welke steeds de nadruk legt op en leeft uit de overtuiging der (zelf) genoegzame zelfstandigheid. leder dorp heeft zijn eigen karakter, zijn aparte zeden en gewoonten, omdat men eenvoudig niet hebben kan, dat aan de autonomie getornd wordt. De norm, waarmede gemeten

wordt, is die van eigen gemeente. De vrijheid is een kostbaar goed, doch kan gevaarlijk worden, wanneer zij de binding aan hogere waarden uit het oog verliest. Deze beide zijden der éne vrijheid, met hun voordelen èn gevaren zijn ons in Zeeland duidelijk geworden. Tevens weten wij dan echter ook, waarom Zeeland zulk een integrerend deel van Nederland is, immers naar het woord van Huizinga vond ons land zijn ontstaan in de strijd voor en om de vrijheid.

Zó kan het ons dan ook niet verwonderen, dat bij alle verscheidenheid van het Zeeuwse kerkelijk leven de éénheid ligt In de piëtistische Inslag. „Ik moet het kunnen voelen, dominee”. Al is het vooral tegenwoordig mode hierover minachtend te denken, men zij niet te gauw met zijn oordeel! Want dit piëtisme bewerkte dan toch maar een warme belangstelling voor het religieuze leven, de Invloed van de gedachtenwereld der „oude schrijvers” ook al leest men zelf misschien niet meer in dikke boeken is nog steeds groot. En er zijn weinig gezinnen, waar de aloude Bijbel niet een vaste plaats heeft en méér dan dit. Maar soms kan het zijn, dat deze piëtistische instelling een ietwat hinderlijke belemmering vormt om te komen tot het juiste begrip van hetgeen, met name onze oude Volkskerk in haar (huidig) streven wil en doet. Het is ook inderdaad moeilijk deze beide woorden, volk en kerk, in één begrip juist te vatten.

De Zeeuwen zijn mensen, gelijk wij allen, met hun fouten en gebreken, met goede en kwade zijden. En Zeeland is een stuk van Nederland, zoals Nederland een stuk van de wereld is, welke God niet aan haar lot wil overlaten. Dddrom Is ons devies „Luctor et Emergo”. B. BREEK.

‘'lientvdcl-nïeiiW'i

PROTESTANTISME EN SOCIALISME OVER DE HUIDIGE MAATSCHAPPIJ

Vacantiecursus van 18—22 Juli 1950 te Bentveld. Het doel van deze cursus was, te komen tot een gesprek over de maatschappij, gezien in het licht van Protestantisme en Socialisme. Dat in een dergelijke algemene opzet niet naar volledigheid gestreefd kan worden, behoeft geen betoog. Dat desondanks toch zoveel problemen aan de orde gekomen zijn, is, ook al waren hun diepten nauwelijks te peilen —, slechts verheugend. De eerste spreker, dr S. Rozemond, gaf in zijn inleiding: „Protestantse en Socialistische maatschappij-critiek” een aanduiding van de Marxistische leer en de economische en filosofische fouten, welke de aanleiding vormden voor de degeneratie van het ethische leven vanuit deze leer.

In tegenstelling tot het communisme, dat geleid wordt door de onfeilbaarheid van Marx heeft Hendrik de Man de weg gewezen om hier bovenuit te komen en een belangrijke bijdrage geleverd tolde herontdekking van de mens door zijn critiek op de maatschappij en het Socialisme. West-Europa heeft een nieuw arbeidsethos (= houding die onbewust door het volk tegenover de arbeid wordt ingenomen) nodig, dat gericht is op de gemeenschap. Deze gemeenschap is er echter nog niet of niet meer; ze is slechts terug te vinden in de diepte-dimensie van de Christelijke solidariteit. De Protestantse kerken hebben in de „World Council of Churches” in 1948 gedemonstreerd, dat ze in de solidariteit getreden zijn. We staan niet aan het eind, doch aan het begin van een ontwikkeling, waarin Protestantisme en Socialisme néést elkaar dienen te gaan. Ir S. A. Posthumus sprak over: „Mens en Techniek”.

De techniek beïnvloedt de samenleving op 3 manieren, nl.: via het arbeidsproces; door mensen die aan dat proces deelnemen;

via de producten, waarmee ook de niet-technische mens in aanraking komt; via technici; de technisch denkende mensen. O.m verwijt men de techniek, dat ze vervlakkend werkt op de menselijke geest en dat ze de maatschappij beïnvloedt, zonder dat de mens er iets tegen kan doen (ijzeren ontwikkelingsgang). Hierbij is het kem-probleem voor het Protestantisme en Socialisme, dat de ziel, resp. de persoonlijkheid in de knel komt.

üet is noodzakelijk tegenkrachten in het leven te roepen door een verandering van de maatschappij en de mens. Hierbij zal het Protestantisme wijzen op de geestelijke vorming van de mens, het Socialisme op maatschappelijke hervormingen zowel binnen als buiten het bedrijfsleven. De inleiding van mr dr A. A. van Rhijn: „Economische-politieke organisatie” beperkte zich tot het actuele vraagstuk der socialisatie. Socialisatie geldt niet meer als het middel om de maatschappij gezonder te maken, doch slechts als één van de middelen. De socialisatie moet —geplaatst in het economische raam gesteld worden onder de bijbelse eis van sociale gerechtigheid. Bij het beoordelen van de aantasting van het eigendomsrecht dienen we onderscheid te maken tussen eigendom van gebruiksgoederen en van productiemiddelen. Het argument van de vrijheidsberoving door socialisatie dient bekeken te worden vanuit het feit, dat vrijheid niet wil zeggen: ongebondenheid.

Spreker memoreerde de ervaringen, welke in het buitenland op ’t gebied van socialisatie zijn opgedaan. Ook hier dienen Christendom en Socialisme samen te gaan, indachtig de critiek, dat in ’t verleden de eerste te veel de nieuwe aarde, de tweede te veel de nieuwe hemel vergeten heeft. „Arbeid en arbeidsverhoudingen” was het onderwerp, waarover dr J. C. C. Rupp sprak. ’t Protestantisme heeft geen ethiek op het gebied van de arbeid. Uit de bijbel komt de gedachte tot ons, dat arbeid geen doel op zich zelf is, doch haar zin ontleent aan het deelhebben aan ’t werken Gods.

’t Socialisme beschouwt de arbeid als dienst aan de gemeenschap. In het volgende deel van zijn betoog vatte de spreker de (schriftelijke) antwoorden samen van de cursisten op de vraag: „Wat is voor u uw arbeid?” Als belangrijkste punten dienen genoemd te

worden, bewustwording als mens, ’t dragen van verantwoordelijkheid, Opdracht en Dienst. Remmingen tav. de arbeid kunnen liggen buiten ons (onderwijs-systeem, bedrijfsleiding, monotone arbeid, etc.) maar evenzeer in ons (luiheid, ongeduld, hoogvliegerij, etc.)

Het belangrijkste zijn niet de geleerde of grootse dingen, maar de persoonlijke taak op dit ogenblik en van ieder afzonderlijk. Mits bedachtzaam uitgesproken kunnen we zeggen, dat het belangrijkste is niet wat men doet, maar hoe ’t gedaan wordt.

In zijn inleiding, getiteld: „Het politieke partijwezen”, schetste mr G. E. van Walsum in ’t kort het ontstaan van het huidige partijwezen. Kort voor de tweede wereldoorlog begon een nieuwe bezinning en samenspraak van de leiding van de politieke partijen. Ondanks de bezetting en de daarmee gepaard gaande opheffing van de partijen, ging het overleg door. (Ned. Unie). Na de oorlog sprak de Nederlandse Volks Beweging zich uit voor een personalistisch socialisme en wees de antithese af.

De N.V.B. wenste zelf geen politieke partij te worden, doch onder haar invloed is door fusie van de S.D.A.P., de V.D.B. en leden van andere politieke groeperingen de Partij van de Arbeid ontstaan. Dat desondanks de gehoopte vernieuwing uitbleef is te wijten aan de behoudende trek in ons volkskarakter, de politieke apathie tgv. teleurstellingen na de bevrijding en tekort aan vermogen om de vernieuwing te realiseren.

Bij de beoordeling van de doorbraak moeten we bedenken, dat niet de vraag van de partij beslissend 7S, maar van de er omheen geschakeerde groeperingen (N.V.V., V.A.R.A.) Te weinig is nog de doorbraakgedachte levend in de P.v.d.A. De huidige toestand is zó, dat de afstand tussen de partijleiding en de kiezers te groot is en dat er dus gezocht moet worden naar een vorm, waarbij de leden een grotere invloed hebben. Tevens vormt de ingewikkeldheid en de omvang van de problemen een belemmerende factor voor een bloeiend partijleven en veroorzaakt een verslapping van de politieke belangstelling. De laatste spreker was dr A. van Biemen. Deze sprak over: „Een verantwoordelijke maatschappij” Spreker begon met aan te geven wat lüj onder gemeenschap en onder maatschappij wilde verstaan.

Sinds de Reformatie is de toenmalige gemeenschap omgezet in een maatschappij. Resten van gemeenschap zijn er gebleven. De overgang van een gemeenschap naar een maatschappij is niet omkeerbaar; om de huidige maatschappij weer het karakter van een gemeenschap te geven is de enige weg, te bouwen vanuit de overgebleven gemeenschapsresten.

Daarna gaf de spreker een overzicht van het socialistische en protestantse maatschappijbeeld. De overeenstemming van beide visies maakt een vruchtbare confrontatie mogelijk. Een socialistische politiek bezield en gecritiseerd door christelijke verantwoordelijkheid schept de mogelijkheden voor een nieuwe maatschappij. In de sluiting legde dr Van Biemen o.m. de volgende vragen in ons midden: Wat betekent Christelijke verantwoordelijkheid voor: ’t economische leven; sociale voorzieningen; gemeenschapsleven; politieke en geestelijke vrijheid? leder dient, bij het banen van een weg door het oerwoud van de huidige maatschappij, te hakken, alsof de redding van de hele wereld van hem alléén afhangt, maar daarbij moet hij ’t besef meedragen van Gods leiding, ook in déze maatschappij. P-

Leestafelnieuws

Amold Zweig. De bijl van Wandsbek. Uit het Duits vertaald. Uitgave F. G. Kroonder, Bussum 1950. 506 blz. / 9,50.

De eerste wereldoorlog inspireerde Arnold Zweig tot zijn „Sergeant Grischa”, nog altijd een van de aangrijpendste relazen over de gewone soldaat in die eerste oorlog. Nu hebben we hier de weerslag van de tweede. Het zijn thans Berlijnse kleine burgers, die Zweig weergeeft. De waanzin van het militairisme en het keizerlijke Duitsland vond een wrede herhaling in het derde Rijk en liever dan zichzelf te herhalen, koos Zweig dus een ander object. Ik behoor niet tot hen, die geen oorlogsboeken meer kunnen lezen. Het blijft mij boeien wat er toen gebeurd is: ik wil er steeds meer van verstaan en begrijpen van de heldhaftigheid der weinigen, van de armzalige menselijkheid der millioenen. Zweig toont ons dit laatste en hij doet het aangrijpender dan Fallada, die een soortgelijk boek schreef, maar met veel meer geheim zelfbeklag en vergoelijking. Zweig is harder en daardoor, hoe vreemd het klinkt, menselijker. Wie iets verstaan wil van de val van de Duitse burger in diepten van morele ellende, leze dit aangrijpende boek over Berlijn in de tijd van Müncheni tot Dantzig.

J. G. B.

II-ïvílí