is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 10, 02-12-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V ergaderingstechniek

Er zijn tienduizenden Nederlanders, die nooit naar een vergadering gaan. Zij vinden het wel goed. Zij gaan van de gedachte uit, dat er te veel gepraat wordt. Bovendien hebben zij een vaag idee van het feit, dat in al die vergaderingen de eigenlijke beslissingen toch niet vallen.

Er zijn ook enige duizenden Nederlanders, die er dol op zijn, naar een vergadering te gaan. Het tot bestuurslid te brengen. Kwesties aan te snijden. Achter de schermen te kijken. Een beetje macht uit te oefenen, althans een straaltje macht op zich te laten zonnen. Een scala van motieven vindt men bij de ras-vergaderingbezoeker. Van een sterk verantwoordelijkheidsgevoel tot een fanatieke machtswil. Of vlucht uit eenzaamheid. Of vanwege de bekoring der vergaderingsliturgie, met het openingswoord van de voorzitter en de rondvraag aan het eind.

Nu laten wij elkander gemeenlijk vrij in onze voorkeur. Wij aanvaarden het, dat slechts een deel van de mensen ter vergadering komt en wij dragen met stille trots het verwijt jegens anderen, die het „maar weer aan een paar mensen overlaten”. Wij genieten vaak van ons eigen beter-zijn. Op dit gebied dan.

Degenen, die wars zijn van alle vergaderingen, ongelijk. Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat zonder vergaderen democratie ondenkbaar is. En in de tweede plaats, omdat de wijze van vergaderen, de vergaderingstechniek, ons véél leert omtrent de achtergrond van allerlei bewegingen.

In de afgelopen week woonde ik de vergadering van de Generale Synode der Hervormde Kerk bij. Men zal uit de dagbladen begrepen hebben, dat daar belangrijke beslissingen genomen zijn. Thans wordt, waarschijnlijk voor enige generaties, de grondvorm van de grootste protestantse kerk in Nederland vastgelegd. Het is voor ons volk niet onverschillig, op welke wijze een groot deel van Nederland, krachtens zijn godsdienstige overtuiging, kerkelijk georganiseerd is en welke organisatievormen daarbij, als van zelf, voor de dag komen.

Laat ik op een paar typische elementen mogen wijzen, die van algemeen belang zijn.

In de eerste plaats: de beslissingen worden in de Hervormde Kerk nooit door personen, steeds door vergaderingen genomen. Dat is de goede, gereformeerde traditie. Dat is de traditie, waarop alle zucht naar dictatuur stuk breekt. Met een zekere felheid keert dit gereformeerd bewustzijn zich zelfs tegen de overdracht van macht van vergaderingen op personen. Daaraan wordt duidelijk, dat de Hervormde Kerk ontstaan is in de strijd tegen Rome. Tegen de macht van paus en bisschop.

Neen, goed Hervormd is het, dat mensen, wanneer zij beslissingen nemen, dit doen op grond van het feit, dat zij daartoe door vergaderingen geroepen zijn. En dit geroepen zijn geschiedt nooit voor het leven. Steeds voor een bepaalde periode. Uitgezonderd van deze regel is de predikant tot zijn 65e jaar.

Al deze tendenzen zijn in de nieuwe kerkorde versterkt.

Immers: de vergadering van lidmaten zal in het vervolg de kerkeraadsleden kiezen. Dat zal niet meer, of bijna niet meer door

een gang langs de stembus kunnen gaan. De stembus doet een gemeente tot individuen uiteenvallen. De vergadering drukt gemeenschap uit. In een vergadering wordt gesproken. Moet gesproken worden. Men zal naar elkaar moeten luisteren.

Dat er één uitzondering zal zijn waarbij de stembus toch gehandhaafd blijft, is een inconsequentie vanwege het feit, dat de Hervormde Kerk zolang al verleerd had in vergaderingen bijeen te zijn.

Verder: elke ambtsperiode heeft een termijn. Ook een termijn, waarna men niet herkozen kan worden. Het zal in het vervolg uitgesloten zijn, dat iemand een lintje krijgt, omdat hij bijv. vijftig jaar ergens ouderling was. Géén macht van mensen maar die van een gemeenschap, die haar geloof wil uitdrukken, bepaalt de gang van zaken.

Dat alles is oer-democratisch. Maar, in de tweede plaats: anders dan in de burgerlijke democratie is het element van openbaarheid en verantwoordingsplicht minder streng naar voren gebracht. Een Kamerlid kan door zijn partij ter verantwoording worden geroepen. Een bestuurslid van welke democratische vereniging ook kan hete ogenblikken beleven op de jaarvergadering. Bovendien: heel veel geschiedt in openbaarheid. Het burgerlijk bestuur kent vele openbare bijeenkomsten, de rechtspraak eveneens. In de Hervormde Kerk ligt dat anders.

Daar heeft het verkozen-worden tot een ambt geheel het karakter van een vertrouwensopdracht. Verantwoordingsplicht tegenover de gemeente bijvoorbeeld heeft een kerkeraad niet. Wel is hij, wat de financiën aangaat, aan steeds strenger wordende contróle gebonden. Kenmerkend is bijvoorbeeld, dat een synodevergadering geen rondvraag kent. Kenmerkend is ook, dat een voorstel om zgn. lastbrieven in te voeren, d.w.z.»aan afgevaardigden van een classis naar de synode een bindend mandaat te geven, met zeer grote meerderheid verworpen werd. Dat strookt ook met de gehele figuur: een mening komt tot stand in gesprek, in discussie te zamen met anderen, die dan ook te zamen verantwoordelijkheid te dragen hebben.

Wie een bepaalde persoon niet juist vindt handelen, kan steeds, wanneer hij herkozen wordt, een tegencandidaat stellen. Langer dan vijf jaar zit een ambtsdrager nooit.

En wat de openbaarheid betreft: de nadelen zijn groter dan de voordelen. In de toekomst wordt het mogelijk, dat lidmaten der Kerk de vergadering van de Synode als toehoorders bijwonen. Maar men heeft die deur slechts op een kier gezet. Omdat men voor alles vreest, dat de aanwezigheid van mensen, die géén verantwoordelijkheid dragen, de besluitvorming niet ten goede zal komen. Spreken voor de tribune is een verleiding, waaraan men niet bloot moet staan. Ten derde: Terwijl in de burgerlijke democratie de contróle door lagere organen geschiedt, zijn voor klachten jegens een bepaalde handeling of bepaald besluit juist de „meerdere” vergaderingen aangewezen. D.W.Z.: boven de kerkeraden de classikale vergaderingen, daarboven de provinciale kerkvergaderingen en daarboven de Syno-

De God die faalde

Uitgave De Bezige Bij, Amsterdam, 1950, 296 Uz., ƒ 7.90.

Zes schrijvers van internationale reputatie, Arthur Koestier, André Gide, Louis Fischer, Ignazio Silone, Richard Wright en Stephen Spender, vertellen hoe hun sympathie voor het communisme, die bij enkelen zelfs voerde tot actief lidmaatschap, verkeerde in diepe afkeer. Deze opstellen worden ingeleid door een voortreffelijk betoog van Richard Crossman, de redacteur van de New Statesman and Nation, over de betekenis van deze belijdenissen. Ik raak over dit boek niet uitgedacht en alle recensies er over laten me teleurgesteld, waarmee ik maar zeggen wil, dat dit misschien geen groot boek is op zich zelf, maar wel een boek, dat een Europeaan van vandaag aan ’t denken zet. Deze mensen waren intellectuelen. Maakte hen dit eerder ontvankelijk voor het communisme dan gewone arbeiders? Natuurlijk niet, maar anders. Crossman zegt: wanhoop, eenzaamheid en het menselijk geweten dreef een intellectueel in de jaren tussen de October-revolutie en het Stalin-Hitler-pact naar het communisme. Drie zware begrippen die tot aanklacht worden tegen het niet-communistische Europa. En dan begint voor hen een periode van geloof, die later als een bedwelming of een nachtmerrie wordt beschouwd. Het boek beschrijft deze narcose en het pijnlijk ontwaken. De titel suggereert dat het communisme een soort godsdienst is. Men kan het

ook als een zielsziekte beschouwen. De laatste beschouwing voorkomt de m.i. al te vlotte vergelijkingen bij Crossman en bij recensenten tussen de geestelijke slavernij van het communisme en de geestelijke gehoorzaamheid van de gelovige. De vergelijking is daarom ook beter, omdat pen een vijandig geloof bestrijdt, maar een ziekte poogt te genezen. Bestaat er ook een tegengif? Ik wil wel verklaren, dat wat hier veelal aangeprezen wordt: deredelijke, critische democratie, me onvoldoende lijkt. Het is misschien een tegengif, maar een zieke heeft ook versterkende middelen nodig. Men beaamt de negaties van dit boek, het volstrekte afwijzen, men blijft teleurgesteld om de leegte daarachter. De herontdekking, dat niet-communisme, nietdictatuur, beter is, wil nog niet zeggen, dat onze democratie goed is. Zeker, dat weten de schrijvers van dit boek ook wel, maar als gidsen falen ze, omdat ze wel de verkeerde weg afwijzen, met beslistheid en met groot gelijk, maar de weg in de toekomst onaangewezen laten. De Kadt, in het laatste nummer van Libertinage, kleineert het getuigenis van dit boek. Hij vindt deze mensen naïef, dat ze toen nog konden geloven in het communisme, toen anderen (hij zelf 0.a.) het al door hadden. De opmerking is juist, maar onbelangrijk. Dit boek is geen handleiding in politieke scherpzinnigheid, maar een document van menselijk vallen en opstaan. Hij zegt: men had figuren moeten vragen, die in de C.P. politiek belangrijker werk gedaan hebben