is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 17, 27-01-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die Nachtwache

Wilt u weten, hoe verwrongen en opgeschroefd, hoe nadrukkelijk en opgeblazen, hoe goedkoop, ondanks enkele opmerkelijke filmfragmenten, „Liebe ’47” is, ga dan „Die Nachtwache” zien, deze nieuwe Duitse film, die geen effectvolle taferelen bevat, aangezien de regisseur, Harald Braun, de middelen der film op eenvoudige wijze wilde hanteren, ten einde ons te vertellen van eenvoudige mensen in een klein Duits plaatsje, van opstandige en berustende, van vragende en harde mensen. Van mensen, die alles en zich zelf verloren hebben. Doch nimmer van heiligen en schurken.

Het zou kunnen zijn, dat, wanneer u het verhaal hoort, u de hele affaire „Duits sentimenteel” noemt. Dit verwijt zal echter zwijgen, wanneer u de film ziet. Scenarioschrijver en regisseur hebben (ter zijde gestaan door uitmuntende spelers, die, zo zeer gegrepen door idee en belijdenis van de „Nachtwache”, dat zij er in geslaagd zijn, het menselijke te accentueren) steeds weer op het juiste ogenblik de val in valse sentimentaliteit kunnen vermijden, en nagenoeg nergens zijn zij in het domein van de kitsch beland.

Het gebeuren concentreert zich op ds Heger, de weduwnaar die met zijn kleine meisje in het Diaconessen-Ziekenhuis van een Duits stadje woont en die hier zijn ambt uitoefent op de vrouwelijke dokter Cornelia Badenhausen, die in de ziekenhuiszaal haar dienst doet op de katholieke kapelaan, de voormalige „kapitein der vliegeniers”, die, daar de protestantse kerk nog niet herbouwd is, zijn eigen kerkgebouw aan Pfarrer Heger afstaat op de acteur Gorgas, de ex-vriend van Cornelia, die haar in de steek heeft gelaten, en die haar thans voorgoed heeft verloren. Rondom deze figuren bewegen zich de Moeder Overste van het Diaconessenhuis, een vrouw wier vroomheid steriel is en die van geen onzekerheid weet de burgemeester van het plaatsje, een zelfingenomen opportunist, die het nu nuttig vindt, op goede voet met de kerk te staan de vluchteling met zijn kermistentjes, die niets meer bezit behalve zijn simpel Godsgeloof het kind van de dominee, dat, aangespoord door de

wanhopig-cynische acteur Gorgas, ook eens in een schommel wil zitten, „ook eens wil vliegen” en door duizeling en hoogte bevangen, te pletter valt.

Deze mensen zijn met elkaar verbonden, zij kruisen elkanders pad, staan een seconde of een leven naast elkaar. En soms helpen zij elkaar. De dominee helpt de eenzame Cornelia, niet door mooi te preken, maar langzaam, langzaam door zijn levenshouding, door de berusting en aanvaarding, die hij ten slotte vindt, die hem eigen leed doet overwinnen (en die geen gevolg is van lafheid en vermoeidheid, maar van deemoed en kracht). En deze predikant, wiens Geloof wankelt en die zijn leven zonder waarde achtte na het verlies van zijn kind, werd in laatste instantie geholpen door Gorgas, die, zijn schuld beseffende, zijn leven van zich wil werpen. Maar nu wordt de enige impuls van Pfarrer Heger: hem, Gorgas, redden! Wanneer hij hem van zijn daad heeft weerhouden, weet hij ook zich zelf gered.

Wij beleven geen „bekeringen” aan de lopende band. Leed en beproeving (van de één) worden toetssteen (voor de beproefde en de èinder, die evenveel of nog meer leed moet dragen).

Niet „slaap” mogen de klokken der kerk roepen; storm moeten zij luiden, „opdat zij beneden wakker worden en wij boven niet dromen”, weten de twee geestelijken, die elkaar gevonden hebben daar boven, in de hoogte van het kerkgebouw. En het is deze wil tot de daad, die heel de film zo realistisch, zo actueel maakt. Hiervan getuigt o.m. de reactie van de dominee, wanneer hij het geld krijgt, dat de collecte voor de bouw van zijn kerk heeft opgebracht; hij zegt tot de lichtelijk verbouwereerde burgemeester: „Wij willen voor God weer een woning bouwen. Maar wij mogen de woningen der mensen niet vergeten. Daarom zal de helft van dit bedrag aan de onbehuisden van onze stad ten goede komen.”

Geen dogma wordt in en door de film verkondigd, en „desondanks” (zo moet men helaas weer zeggen) is zij voor iedere christen aanvaardbaar. Belangrijker is, dat dit werk van de uit een predikantenfamilie afkomstige Harald Braun, ook de

buitenkerkelijken zal ontroeren, tot nadenken, ja na-voelen zal nopen. Ook zij zullen beseffen, dat „Die Nachtwache”

anno 1951 een boodschap voor allen inhoudt; zij voert het gesprek, het eerlijke en actuele gesprek met de enkeling en met de maatschappij. En dat deze film het zó doet, licht ironisch soms, eenvoudig steeds, aarzelend-ingetogen dikwijls, maakt haar des te aanvaardbaarder. Wordt deze film niet ook getypeerd door het feit, dat de twee onsympathieke figuren niet de opstandigen, ongelovigen en wanhopigen zijn, doch de zelfvoldane burgemeester en de hooghartige, zelfverzekerde Moeder-Overste der Diaconessen, zij dus die macht uitoefenen.

Dat in deze film van gebruikelijke en goedkope oplossingen géén gebruik wordt gemaakt, wil ik u aan de hand van drie voorbeelden aantonen;

Cornelia Badenhausen heeft haar kind tijdens een bombardement verloren; dit feit wordt geen uitgangspunt voor Duits zelfbeklag. Was de vader van dit kind niet zelf piloot, en brachten zijn bommen niet elders verderf en dood?

Een è,nder detail: voor de kerk wordt „Jedermann” („Elckerlyc”) opgevoerd; het inlassen van dit oude symbolische stuk over des mensen levensweg kan afgezaagd en cliché-achtig worden. Hier echter worden maar enkele heel korte delen als flitsen, functioneel in het geheel gevoegd.

Of neem een der laatste scènes: terwijl Pfarrer Heger in de kerk staat te preken, gebeurt buiten op de markt het afschuwelijke ongeluk met zijn kind. De operaties mislukken, en ook het gebed van de vader kan het leven in het lichaam van de kleine, schuldeloze mens niet doen terugkeren. En het einde: zullen dokter Cornelia en ds Heger voortaan samen hun leven ophouwen? Het wordt in het midden gelaten. Zonder overdrijving kan deze film een geestelijke daad worden genoemd. Mogen velen deze film zien en geraakt worden door het wonder, dat te diep en te hoog is om zichtbaar te kunnen zijn ... door het Geloof dat ook de meest ellendige kan oprichten ... door het wonder, dat mensen zich, zonder te vragen, „in de handen van God laten vallen om vrede en vrijheid te vinden. Want juist in het duister wacht Hij op ons.”

„Die Nachtwache zu halten, das ist unser Amt” („Wacht te houden in de nacht, dat is ons ambt”), zegt de kapelaan tot de dominee.

Neen, „Die Nachtwache” en „Liebe ’47” kan men niet over één kam scheren.

H. WIELEK

...Dr Cornelia Badcnhausen in angst om Heger..

een een vraag van u is voor mij ook in het maatschappelijk leven het Goddelijk gebod totalitair en hoop ik in ieder concreet geval te vragen, wat de Bijbel zegt. Hierbij ben ik het met u eens, dat het vaak heel moeilijk is, zo niet onmogelijk, om in tal van gevallen klaar en duidelijk te zien, wat de Bijbel van ons vraagt.

Ik heb dus met het beperkte inzicht, dat ik heb te vragen, door welke politieke en maatschappelijke beschouwingen het recht en de gerechtigheid van ons volk het beste worden gediend en verwerkelijkt. Handel ik anders, dan kom ik voor mijn besef in strijd met de verantwoordelijkheid, die ik als christen tegenover mijn volk heb. Daar doen alle mooie beginselprogramma’s en leuzen niets van af.

De vraag C.H.U. of P.v.d.A. wordt voor mij primair daardoor bepaald. Kan ik, wanneer ik de politieke koers en de politieke doelstellingen van deze partijen zie, de verantwoordelijkheid daarvoor door mijn lidmaatschap mee aanvaarden? Vanuit deze vraagstelling kan ik het ook aanvaarden, dat een mede-christen komt tot een andere politieke partij-keuze dan ik. Zie ik het nl. goed, dan spelen bij het beantwoorden van deze vraag tal van factoren een rol;

verschil van inzicht in politieke en sociale kwesties, verschil in vorming ten aanzien van zulke kwesties, factoren van opvoeding, milieu, maatschappelijke fouten en dito ervaring, karaktereigenschappen enz. Die zullen ongetwijfeld ook bij mijn politieke keuze hun invloed hebben doen gelden. Uw opmerking, dat u ten aanzien van sommige punten van practische politiek nog in onzekerheid verkeert, wat het streven van de P.v.d.A. is, weegt daarom wel zwaar voor mij. Juist hier komt immers direct het door mij genoemde element der verantwoordelijkheid naar voren.

Het is stellig overbodig om te zeggen, dat wij geen van beiden een ideale politieke partij op het oog hebben, die tot in details zich zou richten naar onze wensen en inzichten. ’t Zou de vraag nog zijn, of die partij werkelijk ideaal zou zijn!

Mag ik eindigen met een paar vragen? Is het waar, dat de P.v.d.A. socialisatie als principe nog steeds voorstaat en wat voor inhoud geeft u hierbij aan het woord principe? Wat ontbreekt er naar uw mening aan het P.v.d.A.-standpunt t.a.v. de schoolkwestie, die u noemt?

Nogmaals: gaarne tot gesprek bereid. Uw J. HULSEBOSCH