is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 19, 10-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steld. Cijfers van het jaar 1949 tonen aan, dat aan de Universiteiten 44,1 pet der studenten afkomstig was uit de „hoogste milieu’s”, terwijl deze groep slechts 7,9 pet van de bevolking uitmaakt. De poorten van de academie staan blijkbaar wijder open voor de bevoorrechten dan voor hen, die enkel op hun verstand en hun doorzettingsvermogen kunnen wijzen. Het geld speelt hier dus een voorname rol. Om twee redenen hebben wij ons hier altijd tegen verzet.

Ten eerste omdat er vele intellectuele vermogens ongebruikt blijven wanneer er geen gelijke ontwikkelingskansen zijn en de begaafden, die onder arbeiders evenzeer te vinden zijn als elders, niet terecht komen in de functies, die leiding geven in de samenleving en waarvoor een inteliectuele ontwikkeling vereist is. Ten tweede omdat het in een tijd van voortgaande democratisering der samenleving een grove onbillijkheid is tegenover kinderen uit minder bemiddelde gezinnen, wanneer zij bij voorkeur moeten gaan geld verdienen op een leeftijd, dat anderen zich geestelijk ten volle nog kunnen ontplooien.

En toch is de finantiële factor niet de enige en wellicht niet de voornaamste. De moeder voerde dit dan ook niet aan in het gesprek over haar dochtertje. De studie zou geen academische worden en was dan ook niet zó duur. En profiteren van haar kind wilden haar man en zij zeker niet; ze zouden het nog wel een jaar of wat kunnen stellen zonder de inkomsten uit de verdienste der kinderen. Bovendien waren er mensen, die zouden helpen, en werd er vrijstelling van cursusgeld verleend. Nee, dó,t was het allemaal niet. Maar er sprak iets anders mee in haar verzet tegen de verlangens van dochtertje. Het was de traditie van haar milieu, waarin men nu eenmaal zoiets niet doet en waarin: een fatsoenlijk meisje in een winkel of, als het hoog komt, op een kantoor terecht komt. Die traditie maakte het ook voor de vader-arts voor de hand liggend, dat de zoon naar Leiden zou gaan studeren, lid zou worden van het Corps, als het kan dezelfde kamer zou bewonen als Pa indertijd, een enkele maal eens dronken zou zijn, kortom: dat geheel van lustige, speelse en sierlijke gebruiken zou overnemen, die hem in de ogen van Pa en van het publiek zouden maken tot de ware student volgens de stijl Kneppelhout—Hildebrandt—Malie gevallen.

Deze traditie wordt doorbroken, reeds jaren lang. Pa weet dat niet zo, leeft met oude herinneringen en verhalen, die met het jaar sterker worden al naarmate zij veelvuldiger op de herensociëteit worden herhaald. Pa weet niet, dat zijn zoon straks in een studentenmaatschappij zal komen, die er geheel anders uitziet dan in zijn jaren. Die studentenwereld (trouwens: de gehele academie-wereld) worstelt met grote vraagstukken en toont op haar wijze, hoezeer wij leven in een maatschappij, waarin èlles verandert. Een van die vraagstukken is; het „nihilisme” onder de studenten. Nihilisme, niet als geestelijk, doch als maatschappelijk verschijnsel. Namelijk het feit, dat het overgrote deel der tegenwoordige studenten, in tegenstelling met de tijd van Pa, niet meer georganiseerd is in enige gezelligheidsvereniging. Er is geen tijd en vooral geen geld meer voor. Ze moeten hun studie verdienen, verrichten naast hun studie betaalde werkzaamheden of worden werkstudent. Ze wonen niet meer op kamers bij de „ploerterij”, maar reizen heen en weer, zijn spoorstudent. Ze zijn armer dan het kleine percentage Corpsleden en staan vreemd, vaak scherp-afwijzend tegenover de daar levende tradities en ge-

bruiken. Ze verarmen de studie tot een zakelijke vakopleiding en ondergaan niet de heilzame vorming van de studentengezelschappen. Deze willen van hun kant wel eens hoogmoedig reageren op de afkeer van hun traditionele gebondenheid bij de nihiiisten. Maar niet te ontkennen valt het besef, dat ook daar levend is, van verantwoordelijkheid tegenover deze grote massa’s nieuweUngen, die na de oorlog de weg tot de oude studentenwereld niet meer konden vinden. Men worstelt er met de vraag: hoe deze massa’s op te nemen in de universitaire samenleving? Wij gaan daar niet verder op in in dit blad, maar wijzen er alleen op, dat blijkbaar ook in de intellectuele wereld grote verschuivingen plaats vinden. Tot de academische studie komen toch meer jongelui uit andere maatschappeiijke kringen dan in de tijd van Pa. De bovenvermelde cijfers zullen in de loop der jaren dan ook wel sterk zich wijzigen. Belangrijk is hierbij, dat de wereld der intellectuelen blijkbaar in onze tijd geen klasse

en geen stand meer is. Geen klasse meer: tot de maatschappelijk bevoorrechten behoren de intellectuelen met hun dikwijls te lage inkomens niet meer uitsluitend gelijk vroeger. Geen stand meer: zij vormen geen geïsoleerde, gesloten groep meer met eigen tradities, denkwijzen en levensvormen. En al speelt de finantiële factor nog steeds een grote rol (gezien het nihilistenen spoorstudentendom), toch is er een sterke rem op de ontwikkeling der verstandelijk begaafden onder de middenstand en de arbeiders aan het verdwijnen met het doorbreken van de tradities der intellectuelen. Zouden de bekrompen tradities en vooroordelen bij vele kleine middenstanders evenzeer aan het verdwijnen zijn? Dochtertjes’ moeder doet mij twijfelen!

Het is verheugend, ook hier een stuk maatschappelijk Doorbraak te zien. Reden waarom mij deze gedachten in „Tijd en Taak” op hun plaats lijken.

H. J. DE WIJS

JACQUES BEURDELEY: LANDSCHAP

NU HET WINTERT

Waarom, o God, hebt Gij mij niet genomen, 7oen ik, nog in de oogsttijd, naast U stond.

Verheugd en sterk, bestookt door stoute dromen.

De hand gevuld, een loflied in de mond?

Nu is ’t ontgoocheld hart nog maar van schromen

Alleen vervuld, omdat ik niets meer vond: Geen warmte voor mijn woord, geen balsem voor Uw wond.

Met lege hand bereid ik mij te komen.

Lang zijn de dagen, de vergeefse nachten. Misschien laat Gij mij, nu het wintert, wachten

7öt de aarde weer opnieuw te bloeien staat.

Zal ’k in mijn gaarde dan, vóór zij voorgoed vergaat.

In handen, die tot geven zich verzachten, De laatste bloemen garen vóór Gij mij roepen laat?

JOHAK 7007 f