is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 19, 10-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOORBROKEN TRADITIE

Twee gesprekken met dezelfde uitkomst. Het eerste met een arts het tweede met een moeder ■

Wat gaat uw zoon doen na zijn eindexamen?” Natuurlijk studeren, net als ik”, zei papa” en ik hoop, dat hij ook mijn vak kiest èn.’.'heiden want er is maar één Universiteitsstad...”,'enzovoorts. De rest van het gesprek bestond in studentikoos gesnoef op de eigen Unlversiteit door de vader die de vijftig reeds gepasseerd was, maar zichtbaar verjongde bij zijn speelse opschepperij. De vader behoorde tot die intellectuelen, die menen, dat het in de lijn van hun levenswijze ligt om de kinderen te laten studeren en dat het onbehoorlijk zou zijn van deze lijn af te wijken. Universiteits-studie als iets, dat erbij behoort, dat vanzelf spreekt” en tot de natuurlijke en rechtmatige levensvormen van de familie gerekend moet worden. Academische studie is dan niet iets dat afhankelijk gesteld

moet worden van de verstandelijke begaafdheden van het kind, doch dat slechts bepaald wordt door de vraag, of ouders het aan hun maatschappelijke positie en hun familie-en kennissenkring verplicht zijn, ook de zoon en de dochter te laten studeren. Uit zulk een gesprek voelt men weer eens, hoezeer de wereld der intellectuelen een gesloten geheel is en wil zijn, hoe groot hun isolement is, hoezeer de „intelligentsia” een eigen maatschappelijke groep vormt.

De moeder. Vrouw van een „kleine zelfstandige”. Ze konden er nét komen, maar het leven was moeilijk. Soms verdiende de man minder dan een arbeider, al heten ze dan ook middenstanders. De kinderen werden netjes opgevoed en voor het dochtertje was er zelfs een Mulo-opleiding geweest. „En als zij eind-examen gedaan heeft?” De vrouw zat met een probleem. Dochtertje wilde

„doorleren”, maar dat moest ze maar uit haar hoofd zetten. De dame verbeeldde zich zoveel. En haar moeder was „er toch ook gekomen” (wddr was ze gekomen?), zónder al dat leren. En werken voor je kleren was geen schande, dan kon ze ten minste goed voor den dag komen en zou ze ten minste niet zo’n geleerde juffrouw met platte hakken worden, waar nooit een man naar kijkt. In haar bezorgdheid voor dochtertje’s huwelijkskansen (nu weet ik het: daar moest ze komen, evenals mama, tot de trouwdag!) verried de moeder haar prediluviale huwelijksopvattingen. Ze verried nog meer. „Ons soort mensen leert niet”, zei ze. Juist dddr zit ’m de kneep. Leren, ook al is het niet aan een Universiteit (het dochtertje was bescheiden in haar eisen, wilde kleuterleidster worden, was ertoe aangetrokken, zoal niet door te ophanden zijnde wettelijke regeling van het kleuteronderwijs, dan toch wel door de overal verrijzende schooltjes met vernieuwde methoden) — zulk leren, dat doet men niet onder ons!

in wezen zegt aeze moeuer netzenue cus ue arts. Bij de beantwoording van de vraag der ouders, of een kind zal gaan studeren, wordt ook hier minder rekening gehouden met de vermogens, geschiktheid en verlangens van het kind dan met de standsbegrippen der ouders. Nu kan men, ter rechtvaardiging van moeder en arts, hier direct tegenin brengen, dat er nog een andere factor medebepalend is voor de keuze der kinderen na hun eindexamen: de flnantiële. De arts kèin zijn jongen laten studerep, voor de moeder uit de kleine middenstand is het onmogelijk. Daardoor komt het, dat zovele studenten in de Universiteitssteden meer geld uitgeven dan kennis tot zich nemen; en dat zovele minder bedeelden een opleiding en een werkkring moeten kiezen, die zij niet wensen, doch die zij wel moeten aanvaarden, omdat „leren” te duur is.

In de eenzijdige recrutering van de studenten uit welgestelde kringen ligt een stuk maatschappelijk onrecht, waartegen het socialisme zich vanouds heeft te weer ge-

Ter herinnering

Heeft U al een nieuwe abonné gewonnen, waarvoor Prof. Banning in Tijd en Taak van 28 October jl. een beroep heeft gedaan op de medewerking van al onze lezers? Nog niet? Voor het geval dat U alsnog Uw medewerking wilt verlenen herinneren wij er aan, dat, ter vergemakkelijking hiervan, een aantal weken één of meer proefnummers worden toegezonden aan hen die er om vragen. Dit geldt ook voor ons propagandageschriftje ~Wat willen wij?”. Schrijf even een briefkaartje met het verzoek een en ander te mogen ontvangen aan de administratie van Tijd en Taak, Hekelveld 15, Amsterdam-C. Proefnummers zowel als propagandageschrift jes worden U dan toegestuurd.

(Vervolg van pag. 3).

zodanig een daemonie, het is naar zijn wezen daemonisch. Dan kan en mag men niet zeggen van het sexuele en de wetenschap en zelfs niet van het koopmanschap. Het sexuele, de wetenschap en het koopmanschap vinden in een door God geschapen wereld hun rechtmatige plaats. Het oorlogsgeweld niet. Dat hoort in een door God geschapen wereld niet thuis.

Daarom kan men de strijd aanbinden tegen de daemonie van het sexuele, de wetenschap en het koopmanschap, ter wille van deze drie, om hen van de daemonie te bevrijden en hen tot gelding te brengen, zoals God het wil. De overwinning van de daemonie in Christus’ kracht betekent dan de rechtvaardiging en de heiliging van het sexuele, de wetenschap en het koopmanschap.

De overwinning van de daemonie van het oorlogsgeweld in Christus’ kracht echter betekent niet en kan niet betekenen de rechtvaardiging en de heiliging van het oorlogsgeweld, maar de overwinning en de vernietiging van het oorlogsgeweld. Wie het oorlogsgeweld accepteert, kan de daemonie van het oorlogsgeweld niet te lijf gaan, maar moet ook die daemonie accepteren, want het oorlogsgeweld is als zodanig daemonisch. Wil men vergelijken, dan moet men naast de daemonie van het oorlogsgeweld de daemonie van de ontucht en niet die van het sexuele stellen.

Daarom is het m.i. ook onjuist, wanneer Bomhoff zegt: het is een bovenmenselijke taak de daemonie van het oorlogsgeweld te lijf te gaan, maar het is de vraag niet, of we daarin slagen, dat moeten wij aan God overlaten! Onjuist, omdat het onmogelijk is de daemonie van het oorlogsgeweld te overwinnen, wanneer men het oorlogsgeweld zelf wil handhaven.

En als Bomhoff aan het einde van zijn artikel zegt, dat wij ten slotte met zuivere handen aan het werk moeten gaan en God smeken, dat onze handen zuiver mogen blijven, meen ik, dat hij zich helemaal buiten de werkelijkheid van het leven ■— de harde feiten stelt.

In de eerste plaats gaan wij niet met zuivere handen aan het werk. Daarvoor is de schuld van het Westen aan de wereldsituatie te groot.

In de tweede plaats blijven onze handen, wanneer we almaar bewapenen en straks oorlogvoeren, niet zuiver. Hoe zou dat kunnen, wanneer wij daden verrichten, die met al wat Christus ons geleerd < heeft, in flagrante strijd zijn?

En in de derde plaats acht ik het ongeoorloofd, God te smeken, dat onze handen zuiver mogen blijven in een bedrijf, waarvan wij, die dat bedrijf en Gods geboden kennen, weten, dat wij er onze handen alleen maar op de meest afschuwelijke wijze in bezoedelen.

De remedie van Bomhoff is geen remedie, omdat zij in de komende jaren blijken zal, erger te zijn dan de kwaal. Ik meen, dat men dat op grond van wat voor ieder te zien is, bewijzen kan.

Maar ik meen evenzeer, dat de ervaring het Westen er nooit toe brengen zal, het oorlogsgeweld als remedie af te zweren. Daartoe is heel iets anders nodig.

Zo kom ik tot de laatste en voor mij beslissende vraag: kunnen en mogen wij hopen en bidden, dat Christus ons op de weg der voortgaande bewapening en zo nodig van oorlogsgeweld vergezellen zal? Daar komt eindelijk de aap uit de mouw: Kerk en Vrede!

Ja, kerk en vrede, omdat ik nu eenmaal geloof, dat kerk en vrede een bijbels verantwoorde combinatie is, maar kerk en bewapening en kerk en oorlogsgeweld niet.

J. J. BUSKDES Jr

P.S. Tweemaal citeerde ik mr De Niet. Ik zou alle lezers van „Tijd en Taak” zijn artikel „Intercontinentale klassenstrijd en solidariteit: is De Kadts pleidooi voor vrede door kracht voor ons aanvaardbaar” ter overdenking willen aanbevelen. Het werd opgenomen in het maandblad van de P.v.d.A. „Socialisme en Democratie” Januari 1951).