is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 31, 05-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over christendom en communisme het boek van Strijd

Kr. Strijd „Christendom en Communisme, een confrontatie”, Uitgevers Maatschappij Holland, Amsterdam 1951, 300 bis.

Ds Strijd wil met dit boek, dat voor een brede lezerskring bestemd is, een bijdrage leveren tot de christelijk-verantwoorde confrontatie met het communisme, zodat velen christeneri en communisten, onkerkeiijke en kerkelijke liberalen, humanistische en democratische socialisten, intellectuelen en arbeiders —■ iets mogen zien van de sociaal-politieke opdracht van het levende christendom.

Naar zijn overtuiging heeft het christendom een eigen woord te spreken over het communisme, een woord, dat nergens elders gesproken wordt.

Dat is ook mijn overtuiging en die van alle redactieleden van Tijd en Taak.

Laat men niet te vlug over deze woorden van Strijd in zijn inleidende „Verantwoording” heen lezen: het christendom heeft over het communisme een eigen woord te spreken, een woord dat nergens elders gesproken wordt.

Strijd zegt niet, dat het christendom dit eigen woord inderdaad spreekt. Zei hij dat maar, of liever: kon hij dat maar zeggen! Dat kan hij echter helaas niet, want dit doet het christendom zeer bepaald niet. Met dankbaarheid noemt Strijd enkele geschriften, waarin iets van een eigen geluid gehoord wordt, maar het christendom denkt en spreekt over het communisme naar de wijze het schema van de wereld. In ons lieve vaderland zoekt men de wereldgelijkvormlgheid van het christendom meestai in dingen die niet geheel en al zonder betekenis zijn, maar die toch eigenlijk, wanneer het gaat om de wezenlijke nood van kerk en wereld, niets om het lijf hebben: dansen en voetballen op Zondag, maar men zoekt haar niet waar zij voor kerk en wereld beide de meest noodlottige gevolgen heeft: in de beschouwingen over het oorlogsvraagstuk en het communisme en de levenspractijk, die uit deze beschouwingen voortvloeit.

Ik beweer helemaal niet, dat het voor kerk en christendom eenvoudig is, om het bevrijdende woord te spreken. Ik ben het geheel met Prof. van Niftrik eens, die in zijn kroniek in „Kerk en Theologie” van April 1951 zegt, dat zowel het probleem der herbewapening als de beoordeling van het communisme ons duidelijk maken, hoe moeilijk het is te komen tot een christelijk oordeel. Wij moeten het nog leren, schrijft hij, te oordelen niet vanuit onze standpunten en posities, vanuit ons christendom, vanuit onze geschiedenisphilosophie en onze romantiek, maar vanuit het geloof en de bijbel.

Prof. van Niftrik besluit zijn opmerkingen over de kerk en de herbewapening met deze woorden: „Zo juist komt het jongste boek van Ds Kr. Strijd op mijn tafel: Christendom en Communisme. Ik heb het nog niet kunnen lezen. Zal dit boek ons verder helpen? Wij hopen het.”

Ds Strijd zelf hoopt het ook: „Ik hoop, dat dit andere, reddende, heilzame woord in mijn boek mag doorklinken.”

Ik wist dat dit boek komen zou. Strijd is er al jaren mee bezig geweest. Hij was er al mee bezig, toen hij er waarschijnlijk nog

niet over dacht, het te schrijven. Maar zijn arbeid in de kerk, zijn gesprekken met communisten, zijn theologische studie, zijn sociale belangstelling, zijn verontrusting over de nood der wereld, zijn besef van het grote tekort van de kerk en niet het minst zijn in het Evangelie gegronde zorg voor de mens en zijn door dat zelfde Evangelie gewekte verlangen naar gerechtigheid, hebben hem gedrongen tot dit getuigenis, want dit boek van driehonderd bladzijden, waarin heel wat materiaal verwerkt is, is voluit getuigenis.

Strijd heeft maar niet een boek willen schrijven. Dat zou op zichzelf geen schande zijn geweest en het zou iets goeds hebben kunnen opleveren. Zo is het echter niet. Dit boek is voor Strijd tot een harde en bittere noodzakelijkheid geworden. En het zal, voor zover ik het beoordelen kan, voor hem niet minder, nu het af is, een bevrijding betekenen. In „het zweet van zijn aanschijn” heeft hij het geschreven. Het is waarlijk niet op een vlotte en gemakkelijke wijze ter wereld gekomen, dit geesteskind van mijn vriend en collega in Den Bosch. Hij heeft er zich voluit in uitgesproken en weggeschreven. Het was voor hem het volbrengen van een opdracht, die hem door de gang van zijn leven werd toevertrouwd. Hij kon er niet onderuit. Ik hecht er nogal waarde aan, om onze lezers deze dingen te zeggen.

Prof. Diepenhorst van de Vrije Universiteit heeft een nog veel dikker boek geschreven over „Kerk en Communisme” en men kan van zijn boek veel goed ook veel kwaad zeggen, maar bij al mijn waardering heb ik niet de indruk gekregen, dat hij het moest schrijven. Hij had ook een ander boek kunnen schrijven. Strijd had geen ander boek kunnen schrijven. Hij moest het doen, het werd hem opgelegd. Dit is de reden, waarom ik zo dankbaar ben, dat dit boek, waarin inderdaad iets van het reddende en heilzame woord, dat het christendom over het communisme moet spreken, een woord dat nergens elders gesproken wordt, doorklinkt, ons in handen wordt gelegd.

Ër is een gezangvers, dat wij vaak in de kerk zingen:

Ontwaak gij, die slaapt in de zonde, met spoed.

de nacht is zo lang reeds verdwenen! Het licht der genade, met blijdschap begroet.

heeft d’aarde reeds eeuwen beschenen. En groots is uw roeping en heilig uw taak,

en d’uren zijn weinig: ontwaak dan ontwaak

Aan dit vers moest ik telkens denken, toen ik het boek van Strijd las. Het had op de eerste pagina als motto kunnen staan. Dat doet het niet. Op de eerste pagina staan twee woorden. »

Het eerste is van de profeet Amos: „Laat het recht als water stromen, de gerechtigheid als een immervlietende beek”. Het tweede is ontleend aan een rapport van de Wereldraad van Kerken: „De kerk moet haar leden zo onderwijzen, dat zij de problemen der internationale politiek leren zien in het licht van het geloof.” Het eerste is een profetisch, het tweede een oecumenisch woord.

Het boek van Strijd is in de goede zin van het woord een profetisch en oecumenisch getuigenis, waarvan wij alleen maar kunnen hopen, dat het gehoord wordt, in de kerk en buiten de kerk, vooral in de kerk.

Laat men dit boek becritiseren en bestrijden te recht of ten onrechte maar laat men het in elk geval lezen. Het zal verzet wekken, zowel in kerkelijke als socialistische en communistische kringen. Daar heeft Strijd zeker op gerekend. En dat is helemaal niet erg. Dat kan alleen maar heilzaam zijn. Als men het maar niet doodzwijgt. En als men maar beseft, dat het een beroep doet op ons geweten en ons verantwoordelijkheidsbesef.

Het draagt een persoonlijk karakter. Het is vanaf de eerste tot de laatste bladzijde voluit Strijd. Maar de betekenis van het boek gaat ver boven het persoonlijke uit. Velen zullen de inhoud herkennen, omdat Strijd vorm geeft aan wat bij velen min of meer bewust en vaak zelfs onbewust leeft, zonder dat het tot klaarheid gekomen is. En ook voor degenen, die anders denken en spreken dan hij, heeft hij zijn getuigenis gegeven, misschien wel het meest voor hen.

Volgende week wil ik op de inhoud van dit boek ingaan. J. J. BUSKES Jr.

BENTVELD-NIEUWS

Radlobeleid en Cultuurpolitiek Verslag weekend 21-22 April 1951

Nederland zit met veel problemen. Eén van die problemen is de wijze, waarop het radio-bestel zal moeten worden georganiseerd. Dit probleem wordt slechts zelden bezien, zoals het moet worden bezien, namelijk van culturele zijde. Het was dan ook een goede gedachte van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers, om in Bentveld een weekend te beleggen, waar de potentiële culturele waarde van de radio werd besproken onder leiding van ds L. H. Ruitenberg.

Prof. dr P. J. Bouman uit Groningen zette, in tegenstelling tot de cultuur-hlstorische Huizinga en in de lijn van de socioloog Mannheim uiteen, dat de radio een strategische sleutelpositie inneemt, die de vorming der massa ter hand moet nemen, om de maatschappij voor een ondergang te behoeden, een maatschappij, die met drie grote problemen heeft te kampen:

In de eerste plaats met het probleem, dat de radio, vooral in Nederland, een commerciële instelling is, gericht op de laagste instincten van de mens, hetgeen een nivelleringsproces met zich meebrengt. Vervolgens komt het probleem van de vrüe-tijdsbesteding meer naar voren, naarmate de arbeidstijd korter wordt. Ten slotte vraagt niet in de

laatste plaats het probleem der democratie de aandacht. Het grootste deel der jeugd wordt losgelaten op 14-jarige leeftijd, als het van de lagere school komt. Zonder voldoende politieke voorbereiding wordt men dan geacht op zijn 21ste jaar een goed staatsburger te zijn. Het is vooral Engeland, dat de vorming van dit deel der jeugd aanpakt: de zgn. „adult-education”. Het was prof. Bouman een raadsel, waarom in Nederland nog geen Centraal instituut voor radiostudio, dat deze problemen kan bestuderen, was gesticht, evenals de pers zijn Instituut voor Perswezen heeft.

Tot slot wees prof. Bouman er op, dat de radio een vormingsinstituut dient te zijn, dat cultureel experimenteert en het zijne bijdraagt tot het brengen van een nieuwe levensstijl aan onze gemeenschap.

Na elke Zaterdag volgt een Zondag. Zo ook in Bentveld. De ochtend van deze Zondag zou oorspronkelijk de heer P. Bei.shuizen spreken over de radio in het buitenland, maar hij liet op het laatste nippertje verstek gaan wegens ziekte van zijn vrouw. Ds F. R. A. Henkels bleek bereid de leemte aan te vullen, zij het over een ander onderwerp. Hij behandelde een verslag, dat hij in 1947 had gemaakt over de religieuze afdeling van de 8.8. C. in Londen. Er bestaat een principieel verschil in