is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 31, 05-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatting over godsdienstige uitzendingen tussen Nederland en Engeland. In Nederland vindt men het noodzakelijk, om kerkuitzendingen van anderhalf uur en langer te houden. In Engeland mag de preek hoogstens 18 minuten en de totale uitzending hoogstens drie kwartier duren.

Ds Henkels hoopte, dat het in Nederland nog eens zover zou komen als in Engeland, waar een Centraal adviserend coUege, gerecruteerd uit alle godsdienstige richtingen, suggesties geeft, waar de 8.8.C.-predikanten hun programma’s mee samen stellen.

Ds L. H. Ruitenberg, sprekende over radiobeleid bij actieve cultuurpolitiek, behandelde vooral de taak van de Party van de Arbeid in het radiobestel. Nu het niet mogelijk blijkt een nationale omroep te stichten, waarin alle omroepverenigingen zijn opgenomen, moet de V.A.R.A. deze taak overnemen. In het beginselprogram van de Partij van de Arbeid is de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de toekomst neergelegd. Dit houdt een actieve cultuurpolitiek in, die de mening van een ander tiiet alieen duldt of aanvaardt, maar zelfs toejuicht. Deze doorbraakgedachte is wel de grondslag voor de Partij, maar nog niet voor de VJV.R.A. Het is dan ook de taak van de Partij, om deze geest over'te dragen op de 'V.A.R.A. Deze zou haar statuten zodanig moeten veranderen, dat het dienen van de nationale cultuur op het eerste plan komt te staan en daarin besloten die van het democratisch socialisme. Culturele uitingen, die niet in het huidige radioschema passen, komen niet aan bod. Het is de taak van de 'V.A.R.A. om deze uitingen in haar programma’s op te nemen, opdat althans iets van een nationale omroep verwezenlijkt wordt. D. V.

PROBLEMEN VAN DE NIEUWE MIDDENSTAND

Weekendconferentie te Bentveld op 26 en 27 Mei a.s.

De veranderingen in de maatschappelijke en economische structuur van de laatste 40 jaren hebben een nieuwe en talrijke sociale groep doen ontstaan: de nieuwe middenstand.

Tot de nieuwe middenstand rekent men niet alleen de administratieve beroepen, doch evenzeer de docerende, onderwijzers, leraren, professoren en belangrijke leidinggevende beroepen. Dat deze groep noch sociaal, noch economisch, noch geestelijk een eenheid is, behoeft geen betoog. Aangezien hun belangen dikwijls tussen die der werkgevers en die der handarbeiders liggen, is hun sociale en economische positie voortdurend bedreigd, behoren zij tot de eerste slachtoffers van economische depressies. Bovendien zijn zij in ’t algemeen sterker individualistisch dan de handarbeiders, waardoor hun macht omgekeerd evenredig is aan hun aantal.

Spanningen leven er in deze nog nauwelijks te omgrenzen sociale groep dan ook vele; spanningen ten gevolge van de sociale verschillen alsmede van de grote verschillen in salariëring. In de socialistische beweging de partij zowel als de vakbeweging speelt deze nieuwe middenstand een belangrijke rol. Enerzijds vormt zij een belangrijk percentage van de huidige socialistische beweging,’ anderzijds wordt zij niet zelden in de leiding geroepen. Ook deze situatie levert spanningen op, openlijke en verborgen spanningen tussen hoofd- en handarbeiders. Door de bij de wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie voorgeschreven veranderingen in de organisatievormen van de verschillende groepen van werknemers treden deze spanningen soms duidelijk aan de dag.

Het zijn deze en dergelijke overwegingen die de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers er toe gebracht hebben om deze problemen op een weekend-conferentie aan de orde te stellen. Bezinning hierop is nodig!

De persverslagen van het onlangs te Brussel gehouden wereldcongres van hoofdarbeiders, georganiseerd door het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen, hebben ons in deze overtuiging slechts gesterkt.

PROGRAMMA

26—17 Mei Leider dr A. van Biemen

Opening Zaterdag 17 uur

'Wat is „nieuwe middenstand”?

door drs J. de Bruijn Zaterdag 19.30 uur

Ochtendwijding Zondag 9.45 uur

Spanningen in en rond de nieuioe middenstand door mevr. dr H. Verweij-Jonker Zondag 10.15 uur 'VaJdbeweging en nieuwe middenstand

door H. Korte jr Zondag 15 uur Sluiting Zondag 18 uur

De kosten bedragen naar draagkracht ƒ 4,—, ƒ 5,— of ƒ6,— per persoon. Voor echtparen ƒB,—, ƒ9,— of ƒ 10,—. Opgaven voor deelname zende men aan de Administratie van de A.G. der Woodbrookers, Bentveldsweg 3, te Bentveld.

BARCHEM-NIEXJWS

Verslag A.G. weekeind: Eenzaamheid en gemeenschap 21-22 April. Leiding ds J. H. Jansen.

Om half zes opende ds Jansen de conferentie in de kapel, waar hij de 45 aanwezigen welkom heette.

’s Avonds hield mevr. I. Kalf—Franeken haar voordracht over „Eenzaamheid”. Zij meende te kunnen constateren, dat er tegenwoordig meer eenzaamheid is dan vroeger, zowel persoonlijk als in het algemeen. Symptonen van deze eenzaamheid vinden we in de wereldsituatie, in de rassendiscriminatie, in de haat hieruit voortvloeiend, in de religie, in de philosophie (Sartre), in de kunst (H. Marsman, A. Roland Holst), zelfs in de populaire radiolevensliedjes. Hieruit blijkt, dat iets hiervan velen aanspreekt.

Dit komt door gebrek aan binding nu (stad, dorp, stand) en vooral de techniek heeft een Iqswrikkende kracht; het individualisme na de Renaissance. Nu zoeken we meer binding in geloof, stand, werkverhouding. Dit betreft nog wel de werkelijke eenzaamheid, die dieper ligt, psychisch en religieus. leder zielsproces voltrekt zich in eenzaamheid, wat rijp worden, contact met God, betreft.

Het gevoel van het eigen ik is het begin van de eenzaamheid. Er is vooral in de laatste 50 jaar getracht een weg uit de eenzaamheid te zoeken langs de denkweg. Dit lijkt mogelijk, maar is niet wezenlijk de oplossing, daar het een eenzaamheid van het hart is (Pascal).

De eenzaamheid moet aanvaard worden (in moed als Marsman in Tempel en kruis?) Spreekster wijst 2 wegen de humor en het levende geloof (in de bewuste overgave en besef dat er een God is, die ons liefheeft). Een komen van Ik tot Gij naar het Wij zijn (Rumke. De psychologie van het ongeloof wijst beletsels aan). Ten slotte het durven aanvaarden dat uit deze hoogtepunten wij weer teruggeworpen worden op onze „Ikheid”.

Na een levendige gedachtenwisseling, waaraan uit den aard der zaak, de ouderen het meest deelnamen, sloot ds J. deze avond.

Zondagmorgen belichtte Y. Foppema het onderwerp „Gemeenschap”. Er bestaat een nauwe samenhang tussen eenzaamheid en gemeenschap, waardoor veel al besproken was. Spreker stelt voorop, dat hij de Gemeenschap met God buiten zijn beschouwing laat. 'Waar de voorwaarden van de oude gemeenschappen weggevallen zyn, zoeken we desondanks naar nieuwe vormen van gemeenschap. Nieuw is vooral de wijze van probleemstelling. Tegenover de oude gemeenschap, zoals hij nu nog bij primitieve volken bestaat, waar de mens zich een „Einheit” weet met zijn „Umwelt” staat de huidige mens door de ontwikkeling van zyn persoonlijkheid tegenover grote moeilijkheden in het zoeken naar gemeenschap. Het materialisme, liberalisme, (Darwinisme) het individualisme, waardoor elk uit zelfbehoud zijn eigenbelang nastreeft, zijn tegenstrevende machten.

De gemeenschap is tot massa geworden. De mens is zijn eenheidsgevoel kwijt. Er is alom een hunkering naar gemeenschap, die menigeen in „valse” gemeenschappen drijft, d.w.z. naar massa-verenigingen die niet gedragen worden door idealen uit de persoonlijkheid zelf beleden en gegroeid. 'We leven in een crisis van gemeenschap. 'We zullen de eenheid, die onbewust ons deel is geweest, bewust moeten heroveren. De weg daartoe? Een gemeenschap vraagt vormen, die haar dragen.

Hoe de nieuwe gemeenschap zal moeten zijn, is niet te zeggen. 'Wat de plaats van de kerk zal zijn, waar deze ook niet ontkomen is aan de ontbindende krachten, valt niet te bepalen. De godsdienst is verindividualiseerd. We blijven met een vraag staan.

De nabespreking ’s middags moest om 4 uur tot aller spijt wegens vertrek van de heer Poppema beëindigd worden, te meer waar naar de smaak van sommigen te veel en uitsluiten(!P over de kerkelijke gemeenschap en speciaal de liturgische vormgeving werd gediscussieerd. J. C. E.

LEESTAFELNIEUWS

Oosterse wijsheid

Hazrat Inayat Khan: Gayan. Vertaler onbekend, maar geautoriseerd door het Internationaal Hoofdkwartier der Soefi-Beweging, Genève.

Uitgeverij, In den toren Naarden, 4e druk z.j. (1050), 116 bl. ƒ2,75.

Dit is een mooi boekje van een moderne Soefi. Het Soefisme is historisch een ketterij binnen het Mohammedanisme, die zich verzette tegen het Islamitisch ritualisme. Het werd ten slotte een imiversele, religieuze beweging, die men in ’t kort typeren kan als mystisch, panthe'istisch en aesthetisch. Het on-

derging invloeden van Christendom en Boedhisme, maar het doet het meest denken aan het Neoplatonisme. Vanuit Perzië, waar het inheems was, verspreidt het zich en heeft tegenwoordig nogal wat aanhang, ook in ons land. Bovenstaand boekje geeft een goede illustratie van wat het Soefisme wil. Poëtisch gesproken is er veel te waarderen. Ook wijsgerig en religieus beaam ik menige uitspraak, maar dan ineens komt er een verzet in mij tegen deze eenheidsroes, die de verdeeldheid niet ziet en het denken verkracht; tegen dit zoete fluisteren, dat zeer wezenlijk anti-Evangelisch is.

Kabir, door Frederik van Eeden uit het Engels vertaald. Engelse tekst vastgesteld door Evelyn Underhill en Babindranath Tagore. Uitgave N. Kluwer, Deventer 1950, 2e druk, 98 blz. f 3,25.

Kabir was een Hindoe wijsgeer en dichter uit de vijftiende eeuw. Hij onderging de invloed van het bovengenoemd Soefisme. Er is dan ook een geestelijke verwantschap over tijd, nationaliteit en religie heen tussen deze twee schrijvers. Beide verzetten zich tegen elke vorm van godsdienstig exclusivisme, beide zijn doordrongen van een allesomvattende liefde, die God en heelal gelijkelijk poogt te omhelzen, beide zijn gekenmerkt door een eigenaardige passiviteit ten opzichte der menselijke wederwaardigheden, die hen eerder doet berusten dan strijden. Een zoete zinnelijkheid doorlicht deze gedichten die Van Eeden zeer fraai vertaald heeft in rhythmische proza. Is het Christelijke onverdraagzaamheid of geborneerdheid, als ik tot mijn spijt constateer, dat ook deze bundei nu en dan mijn innerlijk verzet oproept, o.a. omdat ik in de houding van de dichter een gevaarlijke hoogmoed proef, die ik als een verzoeking moet afwijzen; maar anderzijds: hoe wist Kabir te bidden met een ons allen beschamende innigheid.

Eablndranath Tagore Wij-zangen, vertaald door Frederik van Eeden. 2e druk. Uitgave N. Kluwer, Deventer 1950, 68 bl. ƒ 3,25.

Tagore was een moderne Hindoe (1861—1941), naar de geest verwant aan de bovenstaande dichters, maar minder bespiegelend. Al zijn gedachten, meestal geschreven in een Bengaalse taal (Pali), maar door hem zelf vertaald in het Engels (hij won er in 1913 als eerste Indiër de Nobelprijs mee), zijn doortrokken van een intens geloof aan de macht der liefde als de enige weg tot ’s mensen voltooiing en innerlijke vrijheid. Bevriend met Gandhi is hij een der geestelijke vaders van het nieuwe India. Laat me beginnen met te zeggen dat deze gedichten en deze vertaling heel mooi zijn en dan tevens weer mijn bevreemding uiten over die wonderlijke tweeheid van zoete zelfbehagelijke bedwelnung en diepe overgegeven vroomheid, die deze biddende gedichten kenmerkt en die zo geheel verschilt van de sfeer der psalmen en van die der Christelijke, zowel Middeleeuwse als Hervormde vroomheid.

Dr C. W. du Boeuff en dr F. C. Kuiker: Psychotherapie en zielzorg. Uitgave Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1950. 173 blz. ƒ6,90 geb.

Dit boek is allereerst bestemd voor as. zielzorgers. In de eigen woorden van de auteurs: „Wij hopen een inleiding te geven in de kennis der psychische afwijkingen voor degene die zielzorgelijk werk verricht en tevens klaarheid te brengen omtrent de verhouding van psychotherapie en zielzorg.” (blz. 14). Laat ik meteen zeggen dat het een boek van formaat is, terecht aangeprezen in een voorwoord, dat een verantwoording is, van prof. Berkelbach v d. Sprenkel. Geen gemakkelijk boek, maar een dat de moeite loont, een boek dat een sieraad is in de bekende serie van Bijleveld. Afgezien van het practisch nut, wordt hier een vraagstuk aan de orde gesteld van de hoogste actualiteit: de grenzen tussen het beroep van medicus, psychiater en zielzorger. Daaom zou men dit boek ook in handen wensen van medici. De schrijvers hebben de moed van hun overtuiging. Zo las ik met diepe instemming hun critiek op Jung: „eindelijk” dacht ik. Het boek prikkelt tot tegenspraak; persoonlijk lijkt me de afweer tegen paedagogische be'mvloeding (agogie) begrijpelijk, maar te kras. Ik vraag me ook af, of het terrein der ethiek juist is afgegrensd t.o.v. het geloof (blz. 52 en passim).

Ik maak de schrijvers attent op een later boek van Langeveld: „Theoretische paedagogiek” (1945), dat de zaken scherper stelt, dan het boek, dat zij citeren (106). Hun afkeer van de scheiding volgens Descartes tussen ziel en lichaam deel ik, maar him eigen theorie over de relatie tussen deze twee blijft zwevend en onbevredigend. Zo lijkt me ook hun critiek op Tournier te scherp. Kortom een boek, dat door zijn scherpe begripsbepaling, tegelijk bewondering en critiek uitlokt. Hier is de ban doorbroken, waarbij zielzorgers en psychiaters langs elkaar heen praten, omdat deze medici hun christelijke overtuiging ook in hun beroep moedig doordacht hebben. Een boek dat ik zonder voorbehoud aanbeveel aan al degenen wie het aangaat. J. G. B.

■.V, DE ARBEIDUttPSSt «'BW