is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 37, 16-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat mag hij er van getuigen dat hij, bij alle gebrekkigheid en tekortkomingen, die hij gaarne en deedmoedig belijdt, toch met zegen gearbeid heeft.

Deze mythe van de „goede gemeente” wordt nu m.i. verstoord door ds v. d. Ban, die niets anders doet dan van zulk een gemeente cijfers geven en groeperen. Ik geef die hier alleen maar door.

De schrijver begon met te ontdekken, dat in Spijkenisse, vijftig jaar geleden nog zeer geïsoleerd en toen vrijzinnig, maar sindsdien orthodox met zuiging naar de ultrarechtse groepen, ondanks of juist door het feit dat Rotterdam steeds meer dichterbij kwam liggen, van de 314 Hervormde jongeren slechts 80 ö, 100 op de christelijke vereniging of catechisatie kwamen. Hij vroeg zich af, hoe dat kwam. Dan kijkt men terecht eerst naar de sociale structuur van de gemeente; tot 1930 grondbewerking, daarna zuiging van de oliebedrijven van Pernis, zodat in 1947 40 % van de beroepsbevolking in de nijverheid werkt. Verschuiving van landbouw naar Industrie. En wat zien wij; de verschillende Hervormde colleges, die natuurlijk vroeger bezet werden door mannen uit het landbouwbedrijf, schakelen niét mee om. „Slechts in de kerkeraad hadden drie (van de acht leden) arbeiders zitting, waarvan twee tot de CHU behoorden en één lid van de P.v.d.A. was. Laatstgenoemde heeft inmiddels bedankt, omdat hij niet langer verantwoordelijkheid wilde dragen voor de gang van zaken. Dit laatste is overigens symptomatisch, als wij bedenken, dat bijna 40 % van de gemeente op de P.v.d.A. stemt, welk percentage voor het overgrote deel uit Hervormde kring afkomstig is. Nu moet men intussen niet denken, dat de onkerkelijkheid vooral onder de industrie-arbeiders voorkomt. Juist de landarbeiderssector toont het hoogste cijfer voor de onkerksheid der jongeren. Oorzaak; slechte sociale verhoudingen van vroeger, import van arbeiders uit het zeer kerkse Goeree-Overflakkee, die, in nieuwe omgeving gekomen, zich daarin niet kunnen voegen. Daarbij komt, dat de SDAP-er vroeger een uitgestotene was, en het lid van de P.v.d.A. van thans hoogstens een gedulde. Hoe komt het nu, dat ofschoon vrijwel alle Hervormde jongeren op Zondagsschool gingen, de belangstelling van de 16—25- jarigen zo gering is? E>e oorzaken zijn; de invloed van de ouders op de jongeren is gering, de kerkeraad heeft weinig belangstelling voor jeugdwerk en het aantal geschikte jeugdleiders is gering. Bij het onderzoek kwam ook aan het licht, dat de schoolkeuze (openbare of bijzondere school) nagenoeg geen invloed uitoefende op de kerksheid of onkerksheid der kinderen. „In dit opzicht is en blijft de invloed van het gezin beslissend.”

Ziehier, zeer in ’t kort samengevat, een aantal punten, die aan het licht kwamen bij de bestudering van een gemeente als Spijkenisse. Van één gemeente. Ik weet, dat men bezig is gemeenten van andere typen eveneens op die manier te bestuderen. Dat is ten zeerste toe te juichen. Want dan hebben wij een grondslag om met enige vrucht te spreken over de positie van de kerk.

Ik ben er van overtuigd, dat het blootleggen der feiten alleen al een bevrijdende werking heeft. Dan zal blijken, dat niemand reden heeft hoog van de toren te blazen en dat de gebruikelijke onderscheidingen niet hanteerbaar zijn. Wanneer nieuwe maatstaven opnieuw aan de Bijbel getoetst, gevonden worden voor de beoordeling van het leven in de plaats der kerk, dan wordt daarmee héél Nederland gediend.

L. H. R.

Klaarheid en contact

3

Mr De Jong heeft in zijn artikelen ook de kwestie van de „neutraliteit” van het partijprogram aan de orde gesteld. Zelf had ik de stelling geponeerd, dat iemand, die lid is van een bepaalde politieke partij, door zijn lidmaatschap en door het uitbrengen van zijn stem op die partij mee de verantwoordelijkheid draagt voor de politieke daden en beslissingen van die partij en dat dit van primaire betekenis is ten aanzien van de vraag, bij welke partij iemand zich zal aansluiten.

Mr De Jong zegt, dat hij iets kan aanvoelen van dit nemen van verantwoordelijkheid binnen de grenzen van de eigen partij, maar stelt tegelijk de vraag; „Waar ligt de grens? Moeten we die pas daar leggen, waar een partij-program in beslist antibijbelse richting gaat, of moeten we al „neen” zeggen zodra het partijprogram ten aanzien van de diepste vragen van leven en maatschappij „neutraal” staat?” Hij wijst er daarbij op, dat in de sfeer van neutraliteit een stuk weerstandskracht ontbreekt, een stuk overtuigingsmoed, die we .luist in onze dagen zo nodig hebben.

Vergis ik me niet, dan speelt deze gedachtengang, meer of minder bewust, in het denken van veel C.H.-mensen een grote rol. Daarom ben ik blij, dat De Jong dit punt aan de orde stelt.

Het geval, dat een partijprogram zeer duidelijk en uitgesproken in anti-bijbelse richting gaat, kunnen we, dunkt me, buiten beschouwing laten. Het is duidelijk,- dat een Christen zulk een program niet kan aanvaarden en deswege tot zo’n partij niet kan toetreden. Ik voeg er aan toe; dit antibijbelse karakter moet dan ook evident zijn. Van het kinderwetje-Van Houten af tot en met de Noodvoorziening voor ouden van dagen van Drees toe is er nl. ook van tal van sociale en economische maatregelen beweerd, dat zij in strijd waren met de Bijbel, terwijl er dan voor zeer veel Christenen geen enkele evidentie bestond van dat anti-bijbelse karakter der gewraakte maatregelen.

Maar als nu een partijprogram „neutraal” staat ten aanzien van de diepste vragen van leven en maatschappij? Dan behoeft dat m.i. voor een Christen geen belemmering te zijn om in een partij, die met dit program komt, mee te werken.

• Een partijprogram van een politieke partij zegt, welke orde men in het politieke en sociale leven van een volk op wil bouwen. Tot de overtuiging, dat deze uitgestippelde weg de meest juiste is, komen mensen, die dit program opstellen en het aanvaarden. Deze mensen komen hiertoe m.i. niet vanuit een zekere neutraliteit, maar vanuit hun levensovertuiging en inzicht. De humanist, die vraagt, dat in het partijprogram de strijd voor een stuk sociale gerechtigheid tot uitdrukking zal komen, doet dit vanuit zijn humanistische levensbeschouwing. De Christen vanuit zijn geloof. Daarbij zal het in een politiek partijprogram moeten gaan om politiek te verwerkelijken dingen.

De Jong noemt zelf als voorbeeld de school-

kwestie. Hij stelt tegenover elkaar het partijprogram van de P.v.d.A., dat de fundamentele betekenis van levensbeschouwing en geloofsovertuiging voor opvoeding en onderwijs erkent (zowel voor het openbaar als voor het bijzonder onderwijs), maar het aan haar leden individueel overlaat om uit te maken hoe die levensbeschouwing en geloofsovertuiging gericht moeten worden en het partijprogram van de C.H.U., dat een school in Evangelische zin voorstaat.

De C.H.U. wil, dat de school (ook de staatsschool) zal komen onder beslag van het. Evangelie. Dat wil ik ook en als zodanig ben ik goed Christelijk-Historisch. Maar ik zeg er bij: dit is niet te realiseren op het politieke vlak en daarom vraag ik niet, dat het in een politiek partijprogram staat. Op het politieke vlak kan ik niet meer doen dan de ruimte scheppen, waardoor ook in het onderwijs dit „beslag van het Evangelie” mogelijk wordt. Zodra een politiek programma deze ruimte niet meer wil geven, zal ik als Christen dit program niet meer bunnen aanvaarden.

Wil ik politiek meer, dan handel ik onreëel of kom op gevaarlijke wijze in de buurt van Rome. Daarom ben ik er ook voor, dat de ruimte wordt geschapen voor godsdienstonderwijs op de staatsscholen. Ik zou me er tegen verzetten, indien dit godsdienstonderwijs verplicht werd gesteld voor alle leerlingen. Al was het alleen maar, omdat daardoor een m.i. fundamenteel recht der ouders werd aangetast.

Ik kom hier weer terecht op het punt, dat m.i. telkens in C.H.-kring het eigen karakter en de eigen functie van kerk en politieke partij te weinig worden gezien. De kerk zal moeten verkondigen, dat het leven van enkeling en gemeenschap (en dus ook opvoeding en onderwijs) onder beslag van het Evangelie moeten komen. De Christen, die politiek handelt, zal dienen te zorgen, dat er ruimte is in het politieke en maatschappelijke leven (en dus ook in het onder wijs), dat de boodschap van het Evangelie, indien zij door de mensen wordt aanvaard, kan doorwerken ook in het onderwijs. Met neutraliteit heeft dat m.i. niets te maken. Tot slot nog iets over de kwestie der socialisatie. De Jong ziet de socialisatie als behorend tot de essentialia ener socialistische politiek. Ik ga dit niet bestrijden, maar wil er toch op wijzen, dat socialisatie der voornaamste productiemiddelen steeds meer gezien wordt als een middel om te komen tot een geordende, rechtvaardige samenleving en wel als doel in zich zelf en dat in verband daarmee over de omvang en de vorm der socialisatie de discussie binnen het socialisme nog gaande is.

Hiermee zou ik dan mijn repliek willen afsluiten. Eén vraag blijft nog: hoe gaan wij verder? Uit allerlei reacties is gebleken, dat het goed is geweest, dat wij dit gesprek hebben gevoerd. Pauzeren wij nu een poos? Komen we in Ermelo of Bentveld met een aantal mensen samen? Ik laat graag aan mr De Jong het eerste woord in dezen! J. H.