is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 38, 23-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BENTVELDNIEUWS

Verslag conferentie over „Kunst en kunstenaar in een veranderde maatschappij"

Het was een heterogeen gezelschap dat zich op Zaterdag en Zondag 19 en 20 Mei te Bentveld verenigde. Misschien was het juist daarom zo genoegelijk, want niets is zo vervelend dan het samenzijn met mensen die het allemaal met elkaar eens zijn, elkaar al lang kennen en niets anders weten te doen dan te herhalen wat iedereen al lang weet. Het enige wat we gemeenschappeUjk hadden, lag in het woord „kunst” besloten. Er waren zangers, pianisten, violisten, beeldhouwers, schilders, architecten, pottenbakkers en ten slotte enkele mensen die met de pen plegen om te gaan. Ook een Groningse wethouder had kans gezien zijn edelachtbare zetel in te rullen voor een gewone Bentveldse stoel Wij startten allemaal met een lijstje met namen en een rij onbekende gezichten, die we al gauw leerden combineren, vooral toen elk in de gelegenheid werd gesteld iets te vertellen van wat hij of zij eigenlijk met „kunst” te maken had. Die voorstellerij was bijzonder grappig. Onbewust gaf elk zich een beetje bloot: de schuchteren, de agressieven, de breedsprakigen, de geestigen, de zachtmoedigen en de doordravers.

Drs J. Henrick Mulder sprak over „De maatschappelijke positie en functie van de kunstenaar.” Hij begon met de historische ontwikkeling van deze beide te schetsen. Via de middeleeuwen, waarin Kerk en Hof de opdrachtgevers waren, kwamen wij bij de „woon- en leefkunst” van de Renaissance, waarin de regenten en rijkgeworden burgers deze taak, gedeeltelijk althans, overnamen. Als de maatschappij in de loop van de 19e eeuw verandert, blijven er voorlopig nog genoeg geldmachtigen over, om belangrijke opdrachten te verstrekken. De nivellering van de inkomsten der verschillende bevolkingslagen, het verdwijnen van het maecenaat brengen kunst en kunstenaar steeds meer in het gedrang. De regering doet haar best en „steimt”.

Drs Mulder meent echter, dat men zich principieel anders moet instellen t.o.v. deze zaken. Zij moeten worden beschouwd als een noodzakelijk onderdeel van de samenleving, zoals ook Waterstaat en Defensie noodzakelijke delen zijn. Hij ontwikkelt vervolgens een plan voor een bewuste cultuurpolitiek, waarbij aan kunstenaars de plaats in de samenleving wordt gegeven, die hun toekomt. Er moeten opdrachten worden verstrekt, aankopen worden gedaan, en bij het onderwijs in kunstzaken moeten de kunstenaars worden ingeschakeld. Want het onderwijs speelt een belangrijke rol in dit plan. De discussie was geanimeerd. Wethouder Roelfsema uit Groningen ontwikkelde hierbij de gedachte dat de kunstenaars zich beter moeten organiseren. Hij verweet hun dat zij nog moeten bereiken, wat de arbeiders sinds jaar en dag bereikt hebben. Zij moeten bovendien, aldus R., met moderne middelen trachten een afzetgebied te kweken voor hun producten. De Overheid wil wel steunen, maar men moet zelf trachten te doen wat mogelijk is. De bezwaren die tegen deze zienswijze werden aangevoerd waren in het algemeen weinig steekhoudend. Men verschool zich onbewust in het heilige huisje van de kunstenaar die boven het zakendoen is verheven.

Het betoog van Lex van Delden over „Wegen en grenzen ener kunstpolitiek” sloot bij dat van drs Mulder aan. Hij kwam met feiten en cijfers; toonde aan dat het woord van Thorbecke: „kunst is geen staatszaak” nog steeds opgeld doet; 0,1 % van de begroting van defensie wordt besteed aan Kunst Het deel van de begroting van het ministerie van 0., K. en W. dat naar „K.” gaat is minimaal. Door middel van vermakelijkheidsbelasting weet men aan df- kunst nog flink te verdienen. Van Delden zet vervolgens uiteen op welke wijze de Raad van de Kunst zou moeten worden gekozen en functionneren. Het moeilijkst had Hans Redeker het ’s ochtends in zijn inleiding over „Wezen en functie van de kunst” Moeilijk, omdat immers het wezen van de kunst, evenals dat van „leven” en „liefde”, volkomen ondoorgrondelijk is. Het eeuwige misverstand lag dus al in zijn onderwerp.

Redeker verklaarde het fenomeen van de moderne kunst uit de ontwikkeling van het ruimtebewustzijn.

In de Middeleeuwen werd de ruimte op andere wijze ervaren dan in de renaissance. Men bewoog zich er in, vandaar dat men zich van de perspectief niets aantrok. Met de Renaissance kwam de perspectief. De mens stelt zich tegenover en buiten de ruimte die hij waarneemt. Met zijn oog tast hij de ruimte af. De scheiding tussen „ik” en „niet-ik” komt tot stand.

De tegenwoordige kunst keert terug naar het platte vlak, zij het op een andere manier dan in de Middeleeuwen. Het „ik” en het „niet-ik” blijken op een andere wijze dan voorheen samen te willen gaan. Ik geloof dat men deze inleiding —■ ten onrechte vaag en zwevend vond. Zeker, wanneer men veronderstelt dat een betoog uiteindelijk naar een bepaald doel zal lelden, iets waaraan men houvast heeft, dan komt men bedrogen uit. Want het leidt allemaal naar niets en de spreker sprak dit ook duidelijk uit het heeft van een zeker standpunt beschouwd zelfs geen zin.

De discussies over dit onderwerp gaven dan ook duidelijk weer hoe moeilijk het was om er over te praten, laat staan van een dialoog te voeren. Het meest benaderde naar mijn mening dr Van Biemen de vraag naar het wezen van de kunst in zijn ochtendwijding, waarin hij o.a. Buber citeerde. Kunst en kunstenaar staan in een speciale verhouding met elkaar, in een menselijke verhouding zoals elk mens in een bepaalde verhouding tot het leven staat. De vraag is daarbij deze: exploiteert hij zijn gaven terwille van zich zelf, zijn speciale standpunt of inzicht, óf is dat wat hij te zeggen heeft meer dan zijn persoonlijke visie, weet hij het die verbinding met „de eeuwige achtergrond” (of hoe men dit verder ook wil betitelen) te geven, waardoor zijn werk belangrijk wordt voor zijn tijd, misschien zelfs belangrijk voor een andere tijd en waardoor hij, zij het misschien onbewust, begrepen wordt. Helaas ontbrak de tijd om iets van eikaars werk te horen of te zien. Het programma moest afgewerkt worden. De maaltijden waren als steeds voortreffelijk. De jam en de rest zelfs uitstekend. Graag hadden wij de geestelijke boterham die wij te verorberen hebben gekregen óók gestoffeerd gezien met het één of ander. Dit „één of ander” zou iets met de kunst te maken gehad hebben, en de kwalitiet zou, gezien de aanwezigheid, gegarandeerd zijn geweest.

Dr van Biemen vroeg bij het afscheid suggesties voor een volgende keer. De mijne gaat hierbij: zet een tuiltje poëzie op tafel, strooi hier en daar over de zware kost wat notenzout, en laat ons een enkel lied drinken, wij kunnen er niet buiten.

DIRK JORRITSMA

(Vervolg van pag. 7)

geen verbetering. Over déze tegenstelling moeten we praten. Maar ik kan niet blind zijn voor het gevolg van uw partij: de behoudgezinden tegen elke prijs, de onbeheerste kritikasters van elke staatsmaatregel, de tomeloze verheerlijkers van de goede oude tijd. Het applaus van Elsevier en van de Telegraaf en van de AVRO is de concrete reden van mijn vrees, dat uw partij ondanks haar fraaie beginselen, een egoïstische klasse-politiek zou voorstaan, waarbij de vlag der democratie de lading van een economische uitbuitng kwalijk dekken kan.

J. G. B.

LEESTAFELNIEUWS

Dr T. Dokter. Het mythologische, het theoretische en het bijbelse wereldbeeld. Uitgave Boekencentrum, Den Haag, 127 blz. ƒ 4,50.

Het gerucht is ook tot de belangstellende leken doorgedrongen, dat er in de Hervormde theologie een grote discussie gaande is n.a.v. het feit, dat de bijbel mythologische elementen heet te bevatten er; dat deze uit het geloof geëlimineerd moeten worden. Deze vraag is niet van vandaag of gisteren. De discussies over de zon die om de aarde heette te draaien, de vraag over de betekenis van de scheppmgsdagen zijn voorbeelden van vroeger. In de nieuwe tijd heeft de Duitse professor Bultmann op zeer radicale wijze de eis aan de orde gesteld de bijbel te „ont-mythologiseren”. Het is over dit, ook voor gelovige leken belangrijke vraagstuk, dat dr Dokter een interessant boek geschreven heeft, dat ik gaarne aanbeveel, echter niet zonder reserves. Juist van een inleidend geschrift mag men heldere formuleringen eisen. Het hele boek echter blijft de term mythe vaag en dubbelzinnig. Een diepere bezinning op de moderne taalwetenschap zou hier misschien uitkomst geven. Vaak wijst de schr. wel alternatieven aan, maar laat de lezer in de mist, waar deze terecht vragen wil: waarom kiest ge deze oplossing bij voorkeur? Te vaak ook worden zware uitspraken gedaan zonder een schijn van bewijs; bijv. de eis dat de existentie-philosophie onvoorwaardelijk dienstmaagd van de theologie dient te zijn, wil ze niet in het spoor van Des Cartes terecht komen (blz. 51) zou ik wel eens bewezen willen zien, zo goed als de gratis bewering, dat apostelen en kinderen een „objectiever wereldbeeld” hebben dan het „wisselend” wereldbeeld der astronomen. Zo is er meer. De schrijver is allereerst theoloog en als hij strikt theologische vraagstukken behandelt, is hij op zijn best, maar hij haalt dikwijls veel overhoop, dat terloops gezegd, ernstige bedenkingen kan opwerpen. Anders gezegd, maar eerder bedoeld: dit boek is te kort of te lang. Aan-

bevolen ter kennismaking, voor wie graag nu en dan eens een niet ai te gemakkeiijk boek over theologie lezen.

J. Flessen. Inleiding tot het denken van J. P. Sartre

Serie „Hoofdfiguren van het menseiijk denken”. Uitgave Born N.V., Assen 48 biz. ƒ 1,45.

J. M. Spier. Calvinisme en existentic-philosophie. Uitgave J. H. Kok N.V., Kampen 1951, 228 blz. ƒ 6,90. Het eerste boekje is een pretentieloze, eenvoudige inleiding tot een eerste kennismaking met de gedachtenwereld van Sartre en als zodanig, ook door zijn helderheid zeer wel te waarderen. De Nederlandse bibliographie dient aangevuld met de boeken van Van Peursen.

Dl' Spier wil meer geven: hij overziet het gehele terrein der existentie-philosophie en oordeelt, meer veroordeelt haar en bloc in naam van het Woord Gods, in feite uit de zgn. Calvinistische philosophie en theologie. Voor lezers die uit andere bronnen een vorm van existentialisme reeds kennen, is dit boek wel interessant om eens te lezen, wat men vanuit een gelovig rationalisme hiertegen in voert; maar als inleiding is dit boek volstrekt onvoldoende. Mijn eerste grief is: de schrijver put al zijn kennis uit tweedehands bronnen. Er is geen enkele aanwijzing dat hij van schrijvers als Heidegger, Jaspers, Sartre, Marcel e.a., behalve dan Van Loen, persoonlijk kennis heeft genomen; een tijdschriftartikel of vooral zijn orakel prof. Zuidema was hem voldoende om een bits oordeel uit te spreken. Dat dit een riskant bedrijf is, behoeft niet gezegd. Het boek wemelt van mistekeningen (bijv. het gehele hoofdstuk over G. Marcel of blz. 203 over Loen). Belangrijkst in dit boek is de critiek. Deze is in een woord liefdeloos, en dus niet, ondanks alle beweringen van de schrijver, schriftuurlijk. De schrijver uitstekend thuis in de wijsbegeerte der wetsidee, is kennelijk niet in staat zich in een ander gedachte-klimaat te verplaatsen en daarom is zijn sterkte ook zijn zwakheid. Juist het existentialisme is voor dit soort critiek van buitenaf ontoegankelijk. Een phenomenologische analyse kan men links laten liggen, of men kan ze van binnen uit, d.i. imminent critiseren, men kan ze niet van buiten af etiketteren met in de grond nietszeggende woorden als „subjectivistisch”, „irrationalistisch”. Eerlijk gezegd: dit keurig uitgegeven boek bleef beneden de maat en dreigt daarmee dat, wat het verdedigt, t.w. het bijbels geloof, te discrediteren.

Tancred Borcenius. Meesters uit Siena. Serie „Meesterwerken der schilderkunst”. Met tien grote, gekleurde platen, met een inleiding en verklaring der afbeeldingen. Uitgave N.V. van Ditmar, Amsterdam. ƒ 4,90. Het zijn prachtig gekleurde prentboeken van dit soort, die voor de mens van vandaag a.h.w. het museum in huis brengen. Deze tien prachtige reproducties zijn van schilderijen uit de National Galery te Londen. De schilders behoren tot de 13de en 14de eeuw, waarin de Byzantijnse trant zich in Siëna geleidelijk ontwikkelt in de r’chting van de volmaakte gothiek, parallel met, maar anders dan Giotto, die overigens allereerst fresco-schilder was, terwijl de Siennezen paneelschilders waren. Het commentaar bij deze fraaie platen is wat droog maar zeer instructief.

J. G. B.

VERBETERING

In het artikel „Onkerkelijkheid en Communisme” van A. A. W. in ons nummer van 16 Juni staat eer storende drukfout: 3e kolom, regel 12 „allerminst”. Lees: „allermeest”.

Wika: of „NEEN”? Boeiend is de arbeid der wika's, in de clubhuizen der grote steden, in de fabrieken onder de jonge arbeiders, in dorpen waar een generatie lang geen predikant stond. God blijft jonge mensen roepen om als wika het ■ Evangelie tot de wereld te brengen. Maar ZEVEN van elke TIEN die komen wil- B len, kunnen niet drie jaar '' B 1500 gulden per jaar voor de opleiding betalen. Moeten zij komen of ..? U voelt het, de beslissing ligt in UW hand. zeg vandaag nog „JA” met Uw giro! Giro 29700 DRIEBERGEN. EIJKMANFONDS V. „KERK EN WERELD”, Stichting van de Ned. Herv. Kerk.

N.V. OB ARBE(OERBPERS A'OAM