is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 15, 12-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN MEMORIAM

Prof. Kohnstamm

De oudejaarsdag van 1951 was een dag van groot verlies voor het Nederlandse volk in het algemeen en voor veel organisaties en personen in ons volk in het bijzonder. Professor Kohnstamm werd weggenomen uit het leven op deze wereld. Het leven, dat hij zo liefgehad heeft en dat hij zo voorbeeldig aan ons allen voorgeleefd heeft.

Op de vierde Januari hebben wij hem in de Oude Kerk van Ermelo herdacht en ten grave gedragen. Het was een glorieuze prediking, zijn begrafenis. Want door alle woorden, die daar gesproken zijn, klonk het Bijbelwoord, dat Mevrouw Kohnstamm aan het eind van haar woorden van ganser harte mocht overnemen: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd”. Want zoals zijn leven één grote lofprijzing van zijn hemelse Vader, met wie hij een zo innig contact had, geweest is, zo is ook zijn laatste gang in deze wereld een prediking geweest van de Goddelijke glorie.

Als men zich nu afvraagt, waarin de grootheid van deze man zat, dan kan men ontzaglijk veel zeggen. Men kan spreken over zijn grondige kennis van de natuuren geesteswetenschappen. lets, dat in deze zo specialistische tijd steeds zeldzamer voorkomt. Men kan verhalen over zijn paedagogische talenten, die hem er toe gebracht hebben het waagstuk te ondernemen in Nederland de paedagogiek op een wetenschappelijke basis te brengen lang voor anderen daarover dachten. Men kan zich herinneren hoe hij de vernieuwing van het onderwijs heeft voorgestaan en zo dankbaar was met deze huidige minister van Onderwijs, die met soortgelijke gedachten bezield was. Men kan het hebben over zijn theologische en filosofische inzichten, die geleid hebben tot zijn Personalisme, dat nauwe verwantschap vertoont met het Christelijke existentialisme. Men kan over zijn politieke inzichten nadenken en zich verwonderen over zijn weloverwogen stappen, die hem na de taevrijding in het democratisch-socialistische kamp brachten. En over al deze aspecten van zijn zo drukke leven (tot zijn dood was hij het grootste deel van de week op reis) zou men grote stukken kunnen schrijven.

Ik wil in dit artikel echter maar één zijde van zijn rijke persoon belichten. Misschien eenzijdig: het zij zo. Ik heb de laatste vier jaar zo nauw met hem samengewerkt, dat wellicht daardoor de objectiviteit verloren is gegaan. Maar ik weet, dat hij dit geen verlies zou heten, want niet de toeschouwersrol heeft hij ons voorgeleefd, maar de actieve mede-spelersrol.

Wat voor mij het grootst in deze man was, is zijn openheid tegenover andersgezinde mensen en zijn strijd om de Waarheid voor hem de Persoon Jezus Christus, die gezegd heeft te zijn de Weg, de Waarheid en het Leven.

Het is voor velen een merkwaardige paradox: openheid voor de andersgezinde, die een andere inhoud geeft aan de Waarheid en nochtans een strijd om de enige Waarheid. Ik kan deze paradox slechts verklaren door hem zelf te laten spreken. In een boek, dat hij mij drie dagen voor zijn dood

aanbood, een verzameling van artikelen van Rooms Katholieken en Reformatorische) Christenen heeft hij het zo gezegd:

„Een waarlijk'positieve verdraagzaamheid wordt slechts bereikt door een samengaan met de deemoed die vrucht is van het inzicht en de on- 1 volkomenheid van i eigen kennis, het tekortschieten van al on denken, begrijpen en formuleren, en del liefde tot de naaste, die voorkomt, dat wijl in hooghartigheid hem willen dwingen, zijl het dan ook slechts met geestelijke over-; macht. Juist diegene, die in een persoonlijk! God gelooft, dient te weten, dat hij aan Hem alleen de genade der bekering moet overlaten en dat het geen mens of mense-l lijke macht veroorloofd is, zich in te drin-i gen tussen naaste en diens God”. |

Ziedaar wat naar mijn mening de kern was in zijn liefde tot het gesprek, dat hij wilde zien als een existentiële verkenning. Een speurtocht in de achtergronden van de medemens, die hij wilde liefhebben met die liefde, waarmede hij ook in verhouding stond tot Jezus Christus. Hij wilde niet volstaan met een theoretische kennisneming van de andere standpunten. Neen, hij wilde zich inleven in de ander, hij wilde hem verdragen, liever nog dragen. Vandaar zijn grote liefde voor zijn werk in het Nederlands Gesprek Centrum, waarvan hij de stichter en de eerste voorzitter was en waarvoor hij zich ontzaglijk veel inspanning getroost heeft.

Laat mij drie groepen van Nederlanders noemen (behalve de groep der Nederlands

Hervormden, waartoe hij zelf behoorde), waartegenover hij die openheid duidelijk demonstreerde: de Rooms Katholieken, de Gereformeerden en de Humanisten.

Allereerst de Rooms Katholieken. Het hierboven aangehaalde citaat is afkomstig uit een hoofdstuk in „Geloofsinhoud en Geloofsbeleving” (Uitg. Spectrum), waarin bijdragen zijn te vinden van Rooms Katholieken en Reformatorische Christenen, welke bijdragen bedoeld zijn als een peiling binnen Reformatie en Katholieke Kerk in Nederland. In dat artikel zet hij uiteen hoe teleurgesteld hij is geweest over de inhoud van de encycliek Humani Generis, die toch weer de redelijke Godsbewijzen op de voorgrond schoof, hetgeen Kohnstamm zag als een terugval van het existentiële naar het idealistische denken. Maar ondanks deze teleurstelling wilde hij blijven vasthouden aan het feit, dat wij broeders zijn van de Roomse Christenen, omdat wij samen in Jezus Christus één Vader hebben. Hij zegt: „Ik acht het reeds winst, dat die onoverbrugbaarheid thans gevoeld wordt als een schrijnend tekort, dat ons over en weer tot mildheid moet stemmen.”

In de tweede plaats de Gereformeerden. Juist in de laatste tijd verdiepte hij zich sterk in de Wijsbegeerte van de Wetsidee van prof. Dooyeweerd c.s. In de feestbundel aangeboden aan prof. Waterink komt een prachtig artikel van Kohnstamm voor over zijn waardering voor die wijsbegeerte, die voor hem nauwe verwantschap vertoonde met zijn Personalisme. Zijn positie tussen de gereformeerde opvattingen van Abraham Kuyper en de dialectische van Karl Barth maakte het hem gemakkelijk de Gereformeerde gedachtenwereld te begrijpen.

Ten slotte zijn verhouding tot de Humanisten, zoals die in ons land georganiseerd zijn in het Hiimanistisch Verbond. Hij begroette dit Verbond als een bondgenoot tn de strijd tegen nihilisme en animalisme en wilde dan ook nauw met de Humanisten samenwerken tot behoud der humaniteit.

Kohnstamm is niet meer bij ons. Het valt mij persoonlijk ongelooflijk moeilijk. Wat echter wel bij ons gebleven is, dat is zijn werk en de herinnering aan zijn voorbeeld. In onze harten zal zijn persoon blijven wekken tot openheid en liefde tot de naaste en strijd om de Waarheid.

J. G. V. d. PLOEG

FOUT

Zuid-Afrika herdenkt op het ogenblik Jan van Rietaeeck, de Nederlandse pionier, die de grondslagen voor de hedendaagse Unie heeft gelegd. Een feest met historische inslag, actueel om de verbondenheid tussen de Unie en ons land te demonstreren.

Helaas dreigt deze binding met het land van oorsprong meer en meer „slechts historisch” te worden. Na de oorlog zijn talloze oprechte pogingen gedaan tot een inniger contact, die deels wel geslaagd zijn. De voorlichting, die wij uit en over de Unie hebben ontvangen, Is echter niet bij machte sjmipathle te wekken voor de bekrompen Zuidafrikaanse rassenpolitiek, welke wij hebben er enige malen uitvoerig over geschreven strijdig is met elk respect van de menselijke waardigheid, en welke bovendien als politiek van lange adem geen wezenlijke toekomst kent.

Het Is zeer te betreuren, dat een Neder-

lands diplomaat, die in opdracht van onze deels socialistische regering spreekt, het presteert om voor het forum der Verenigde Naties de Zuidafrikaanse apartheidspolitiek te bespreken met een argumentatie, die niet minder bedroevend moet worden genoemd. Afgevaardigde Patijn lichtte Nederlands stem toe door twijfel te opperen of een Internationaal lichaam het recht had zich te bemoeien met een stuk binnenlandse wetgeving als de „apartheid”.

De houding van Nederland werd kermelijk door de Nederlandse emigratiebelangen ingegeven. Nederland heeft zich nu van stemming over de klacht van India tegen Malans rassenbeleid onthouden.

Deze garig van zaken Is zeer betreurenswaardig. Het geldt hier een principiële zaak van de eerste rang, waarbij geschipper niet past. Bovendien kunnen wij er van overtuigd zijn, dat deze halfslachtige houding evenmin bij de extreme regering-Malan in de smaak zal vallen, zodat zelfs het gewenste „tactische voordeel” dubieus

Is. v. V.