is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 29, 19-04-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De school in de Synode

De Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk heeft een verklaring afgelegd over het schoolprobleem. En zij heeft het hare gezegd over Hardegarijp.

Na de stukken gelezen te hebben, kan ik mij zo goed voorstellen, hoe het in Hardegarijp, dat Friese dorp aan de straatweg tussen Leeuwarden en Buitenpost, toegegaan is.

Er is daar alleen een openbare school. De kerkelijke gemeente is vrijzinnig. Zeker, er heeft wel eens een orhodoxe dominee gestaan, maar de meerderheid was en is anders. Natuurlijk is er ook een evangelisatie. Nu is die ene school de oogappel van de vrijzinnige gemeente. Een tweede school brengt tweespalt. Dat is niet prettig en wie trouw in een Fries dorp meeleeft, voelt dat diep.

Nu gingen niet alle kinderen naar de openbare school. De gereformeerde kinderen en een deel van de kinderen uit rechtzinnige gezinnen moesten lopen naar Rijpkerk of Tietjerk, twee km van Hardegarijp. Die scholen daar zijn aangesloten bij Christelijk Volksonderwijs. Zij dragen dus een Hervormd stempel.

Er worden plannen gesmeed om in Hardegarijp een school van orthodox-Hervormden en Gereformeerden op te richten. Een Christelijk-nationale school, die dus naar het gereformeerde type trekt. Want gereformeerden zijn ruim, wanneer men maar hun cultuurpatroon aanvaardt. Er vinden bij de aanvraag allerlei dingen plaats, die wel (wettelijk) nauwelijks geoorloofd, maar zeker niet oirbaar zijn. De kerkeraad wil die school niet. Hij zegt: zij verstoort de eenheid der gemeente. De openbare school biedt óók christelijk onderwijs. En zij overlegt met de Raad voor de zaken van Kerk en School, het lichaam, dat door de Sjmode voor schoolzaken is ingesteld. Die onderzoekt de zaak en geeft de kerkeraad gelijk.

Dan is Leiden in last. Alles wat gereformeerd is, wordt woedend. „Trouw”s kolommen daveren van stukken, die de heer Gilhuis schrijft. Een hele, volle pagina wordt door „Trouw” afgestaan aan dr G. P. van Itterson, een Hervormd Haags predikant, die zijn sporen verdiend heeft in de strijd tegen al wat vrijzinnig is en die tevens in het bezit blijkt te zijn van een fabelachtig geheugen wat betreft de richtingsstrijd in Hardegarijp. Allen, die in de Hervormde Kerk de brede basis naar rechts willen, morren of klagen of schrijven of bezoeken vergaderingen.

De Raad zwijgt. Alleen prof. Van Niftrik, lid van die raad, spreekt. En hij spreekt fel. De Raad is alleen verantwoording schuldig aan de Synode. Daar heeft hij gesproken. En de Synode trok haar eigen conclusies. Zij heeft de Raad in het gelijk gesteld. Het was juist, aldus de Synode, dat de Raad in Hardegarijp adviseerde géén christelijk-nationale school op te richten. En zij nam tevens de gelegenheid te baat

een stuk te publiceren, waarin zij haar standpunt over het onderwijs uiteenzette.

Nu weet ik niet, of alle lezers van ons blad dat stuk gelezen hebben. Velen zullen hoogstens gemerkt hebben, dat de Synode niet een absolute voorkeur uitsprak voor de huidige christelijke school en dat zij aanvaardde, dat haar lidmaten in de Openbare school werken. Zij vraagt van hen, ook dó,ó.r getuigen van Christus te zijn.

Ik geloof, dat het standpunt van de Synode zowel voor de gewone voorstander van het christelijk onderwijs als voor de mensen van het openbaar onderwijs vreemd is. De voorstanders van de Christelijke school herinneren zich met welke offers en welke diepe godsdienstige motieven in het verleden de christelijke scholen gesticht en in stand gehouden werden. Dat vermeldt de Synode wel. Zij zegt zelfs die motieven als de hare te herkennen bij het verlangen om de kinderen van ons volk in aanraking met het Evangelie te brengen. En tóch de Synode zegt niet: de Christelijke school is ónze school. Omgekeerd zullen de mensen van het openbaar onderwijs allerminst hun eigen motieven terugvinden. Noch over „ongedeeld naar één school”, noch over verdraagzaamheid is één woord in het stuk te vinden.

Wél deze gedachte: Nederland is een christelijk, gedoopt volk. Voor zover het dat niet is (zo moeten wij er bij denken) had het dat moeten zijn. De Overheid is gehouden te leven uit de kennis van de christelijke waarheid, in protestantse zin. van de Overheid zal dus uiteindelijk ook dat karakter moeten dragen. Thans kan de Kerk er alleen godsdienstonderwijs geven. Dat is al veel. Maar in het verschiet moet meer liggen. Zolang wij de school in dót perspectief zien, mogen wij haar niet afraden aan die ouders, die haar kiezen. Wij begrijpen best, dat ons ideaal thans niet kan worden verwezenlijkt. Wij zouden wettelijke veranderingen willen. Maar ook nu die niet ophanden zijn, willen wij de openbare school niet afvallen.

Ik veronderstel, dat deze redenering niet precies klopt met wat de vrijzinnige kerkeraad van Hardegarijp voor ogen stond toen hij aan zijn gemeenteleden het advies gaf niet mee te werken aan de oprichting van een Christelijke school. Ik veronderstel, dat dit synodale standpunt wel is waar om de 'practische resultaten in de kringen van Volksonderwijs zal worden toegejuicht, althans aanvaard, maar dat daar zal gehuiverd worden bij de gedachte dat het in de bedoeling ligt van de Generale Synode op te komen voor een algemene christelijke overheidsschool.

Persoonlijk moet ik zeggen, dat ik de verklaring dan ook allerminst volledig acht. Op zich zelf vind ik de gedachte van een volk, dat in zijn geheel gedragen wordt door een Evangelische overtuiging, bekoorlijk. Maar duizend vragen rijzen op, wanneer ik naga, welke mogelijkheden daar-

voor liggen. lEn wat met deze ovèrtuiging bedoeld wordt. Er is een tijd geweest, dat de schoolmeesters door de Kerk werden aangesteld. Er is een tijd geweest, dat allen, die een overheidsambt bekleedden, tot de publieke kerk, de hervormde, moesten behoren. De 19e eeuw heeft dat voorgoed onmogelijk gemaakt. En er is geen weg terug.

Wie dus roept om een evangelische fundering van ons volksleven en de Overheid in dat licht wil zien, zal dus alleen maar aan de Overheid ruimte moeten vragen voor de verkondiging. Opdat allen, overheid èn het gehele volk dit evangelie ontmoeten. Op die ontmoeting komt het aan. Een ontmoeting, die ook van betekenis is voor het onderwijs.

En nu heeft de Synode verzuimd te verklaren, wdt ze eigenlijk concreet in de toekomst ziet. Alle lessen met gebed beginnen? Alle dagen een psalmvers leren? Elke dag een bij bel vertelling? Ongeacht wie er op school zijn en uit welke gezinnen de kinderen komen? Ongeacht de onderwijskrachten? Dé,t zijn de vragen die opduiken, als men het visioen van de Synode gaat concretiseren. '

Daarop is niet geantwoord.

En evenmin is op een ander uiterst gewichtig punt ingegaan, NI. op het punt van de plaats van het onderwijs in het gemeenschapsleven. Niet aanvaard is wel is waar de gedachte, dat de school aan de ouders behoort. Dat is maar ten dele waar. De school is niet alleen het verlengstuk van het gezin, maar ook de toegangspoort tot de maatschappij. Tot de maatschappij van nu, waarin zij haar leerlingen straks wèlgevormd zal uitstoten. De maatschappij dringt in de school binnen en moet dat doen. De school bereidt de kinderen daarop voor en leert hun als het goed is op een goede wijze dat er in feite verschil van levenshouding, van inzicht is tussen „kinderen van het volk”. De school doet dat in een klimaat van eerbied voor de ander, bereid om de naaste te leren zien zoals hij Is, ook naar zijn diepere bedoeling. Dat is, dunkt mij, het ideaal van heel veel openbare onderwijzers. Dat is ook de zin van de openbare school. Dat opvoeden tot een stuk besef voor humaniteit is een zaak, waar de kerk ook al gebeurt er verder niets uiterst dankbaar voor moet zijn.

Verder: de Synode sprak niet over het vraagstuk, dat thans bij het onderwijs allereerst aan de orde is en dat met het vorige samenhangt, nl. de vernieuwing van methode en van doel. Ik bedoel: de onderwijsvernieuwing en het daarmee samenhangende streven naar vorming tot een ontplooid, evenwichtig en kundig mens. Tot persoon.

Men kan zeggen, dat dit ook thans niet de opdracht was van de Synode. Accoord. Maar door zulk een eenzijdige aandacht te schenken aan een tegenstelling, die vooral bestaat voor mensen, die hoofdzakelijk in de 19e-eeuwse controversen denken, heeft zij de kans voorbij laten gaan om vooruit te wijzen, in de richting van een geheel nieuwe taak voor het gehele onderwijs.

Gelukkig heeft zij opgeroepen tot een ronde-tafelconferentie met allen, die bij het onderwijs ten nauwste betrokken zijn. Het kan niet anders, of juist bij zulk een conferentie, als de kruitdamp is opgetrok-, ken, zal dit vooruit-zien mogelijk èn geboden zijn.

Het ligt ten slotte in de Verklaring besloten.

Moge het, al verder sprekende en studerende er ook uit komen.

L. H. RUITENBERG