is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 39, 28-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET KWATRIJN

Wanneer er, zoals dat voor de muziek en de beeldende kunsten het geval is, academies bestonden waar men zich zou kunnen bekwamen in de poëzie, dan zou zonder twijfel een van de proeven die de aspirantdichter zou moeten afleggen, het schrijven van een kwatrijn zijn. Want het kwatrijn is, naast het sonnet en het rondeel, een van de weinige vastomlijnde vormen die de poëzie kent. En van deze drie is het m.i. de moeilijkste.

Ogenschijnlijk is het een eenvoudige zaak, een kort vers te schrijven van vier regels, elk 10 è, 11 lettergrepen tellend, met als rijmschema a-b-a-b, dan wel op z’n Perzisch a-a-b-a.

Maar juist deze beperking stelt de allerhoogste eisen aan het vakmanschap, het geduld en de fantasie van de dichter. Men kan deze opgave ongeveer vergelijken met die van de tegenwoordige architect: een huis van 350 m 3 of minder te bouwen. Ook daar een minimum aan ruimte, waaruit een maximum aan rendement moet worden gehaald. Ook daar wordt vakmanschap en fantasie gevraagd om tot iets oorspronkelijks te komen.

Gelukkig heeft de dichter een grotere vrijheid in de keuze van het materiaal dan zijn collega-architect. Hem staat de hele taalschat zonder enige beperking ten dienste, terwijl de bouwmeester zo goedkoop mogelijk moet zijn en alle luxe dient te vermijden.

Toch kan ik mij niet voorstellen, dat een kwatrijn, zoals dat met een vrij vers het geval kan zijn, spontaan in bijvoorbeeld een kwartier, wordt geschreven. Integendeel, het moet worden geschreven en herschreven, afgebroken en weer opgebouwd, gevariëerd en omgezet, voordat het die argeloosheid en spontaneïteit heeft gekregen, waardoor het de schijn krijgt als vanzelf te zijn ontstaan.

Een goed voorbeeld van deze wijze van werken vindt men bij de Engelsman Fitz-Gerald, die zo ongeveer zijn hele lange leven besteed heeft, om zegge en schrijve honderd kwatrijnen uit het Perzisch te herscheppen in zijn moedertaal. Maar hij is dan ook volgens Friedrich Rosen, die deze kwatrijnen in het Duits vertaalde, de meest geciteerde dichter naast Shakespeare. Er zijn echter ook vele Nederlandse dichters die zich aan het kwatrijn hebben gewaagd, en zeker niet de onbelangrijkste. Allereerst (en „hors de concours”) Leopold, die een aantal op zijn naam heeft staan die tot de beste verzen in onze literatuur behoren. Verder: Houtens, Jacob Israël de Haan, De Merode, Keuls, Marsman, enz. De opgave die het kwatrijn stelt, kan theoretisch ongeveer zo luiden: regel 1 stelt het gegeven, regel 2 geeft een uitbreiding daaraan, regel 3 maakt een tegenwerping, of geeft een ander gezichtspunt en regel 4 geeft de synthese of de conclusie. Alle theorie is echter grauw, en men kan vele verzen aanwijzen die uitstekend geslaagd zijn, zonder dat ze strikt genomen aan deze eisen voldoen.

Een voorwaarde waar m.i. wel altijd aan moet worden voldaan, is de eis van strakheid van vorm, strengheid van ordening en van een zuiver afgewogen rhythme en klank. Het overlopen van de éne regel in de

andere is meestal noodlottig, Keuls schrijft:

De aarde gaf geen antwoord, noch de de zee rouwend in purper om ’t verkwijnen des lichts, noch hemels teeknen, die door [plooien van nacht en morgen komen en verdwijnen.

dan kan men gerust van een mislukking spreken, omdat de regels te zeer in elkaar overvloeien, waardoor die helderheid die een kwatrijn moet kenmerken, ontbreekt te onbelangrijk wordt. Als regels te midden van een groot aantal andere aouden staan, werd er mlschien overheen gelezen en zou men ze „nemen” ais deel van het geheel. Thans doen w« dat

Men ziet dit nog veel duldelhher als men Ser'stelt ®

Tentmaker, zie, uw lichaam is een tent, den sultan ziel tot een kort logement.

De vorst vertrekt; straks vouwt het [linnen op de dood en geen, die nog de standplaats [kent.

Dit is wel belangrijk. Dit kwatrijn voldoet in alle opzichten aan de gestelde eisen. Het is helder van structuur, de rijmen slaan op elkaar aan, waardoor het als ’t ware een natuurproduct is. De diepzinnige gedachte die er aan ten grondslag ligt, (en die m.i. steeds aanwezig moet zijn, willen de vier regels niet te onbelangrijk worden) is spelenderwijs verwerkt. Men lette op het woord logement, dat niet de betekenis heeft van herberg, maar van verblijf. Wat men overigens in zo’n klein bestek

met de klank kan bereiken toont een nadere

beschouwing van een vers van Ida Gerhard uit: „Kwatrijnen in opdracht”;

/fc zag de kunstenaars in zwarte stoeten Elkander in het stadion ontmoeten.

De auto’s stonden op de asfaltweg. Een lachen vluchtte heen op zilv’ren

[voeten.

aic .4* 1,4. i . Als men dit gedicht oppervlakkig bekijkt is er eigenlijk niet zoveel bijzonders aan; er in de^sSSS^o’ï^verrïslnre"^^^^ lach schiet werkelijk weg, niet schaterend, Set nachtedr!.oÏÏ. overheersen de è. de aa en rip rvp irianw-on dL het SL LVslech' nen vinden. Ze bewegen zich schStterig als de gewichtige heren met zwarte jassen en hoge hoeden. En ook in de derde regel gaat het met de au, die ó Sn de Ti niet bSS Bovendien geeft de nlaatsine’ van hp ririA s-en een no|'ïrTer SSS|h™d" aT S Cnstemfg T'aSr'reS"Sh'SS: 4TbruS deSe klinkers, maar krijgt door de verbinding Sh«tlVrdTrT“h klank krijgt en wegvlucht

Onwillekeurig zal men zich afvragen: is deze uitpluizerij nu wel nodig schuilt er geen kunstmatigheid in een’ dergelijke manier van verklaren; ware het niet beter en te ondergaan, en daarna over te gaan tot de orde van de nuchtere dag. Ik geloof van niet. Zeker: het lezen en het genieten van een vers is het belangrijkste. Maar men kan bij dit genieten” het verstand, het element waannee men zich bewust van iets wordt, niet uitschakelen. En het geeft een verdieping, als men achter de schijnbare toevalligheden wetmatigheden ontdekt, die nauw verwant zijn aan de wetten van de natuur zelf.

Het kwatrijn leent zich bij uitstek voor een opschrift in steen gebeiteld, dat men

TWEE KWATRIJNEN

Mijn klein kwatrijn, hoe moedig gaan uw voeten De smalle weg die zij zich banen moeten;

Hoe bitter vecht de saamgedrongen troep,

1 ot in triomf zij ’t eind’lijk rijm ontmoeten.

O held ’re wel, o tedere fontein Die onverwacht mij soms nabij wilt zijn,

Uw droppels vallen acht’loos in mijn hand

Tesamen tot het flonkerend kwatrijn.

DIRK JORRITSMA