is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 39, 28-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Zweeds-Russisch conflict

De bevolking van Zweden is in opschudding. Een onbewapend vliegtuig van de luchtmacht is buiten de Russische territoriale wateren neergeschoten. Dit vliegtuig was op zoek naar een ander Zweeds toestel, dat eveneens hoogstwaarschijnlijk door de Russen neergeschoten is. Sindsdien zijn er nieuwe incidenten voorgevallen, die te recht of ten onrechte er mee in verband worden gebracht.

Het ligt voor de hand, dat een volk als het Zweedse door dergelijke gebeurtenissen van streek raakt. Sinds 1815 streven de Zweden de striktste neutraliteit na. Overigens, dergelijke voorvaiien zouden ook op volken, die reeds lang in de koude oorlog betrokken zijn, een diepe indruk hebben gemaakt.

Sinds enige jaren hebben de Zweden ook op andere wijze de Russische beiangsteiling voor hun land kunnen opmerken. Er zijn enige opzienbarende spionnageprocessen geweest, die steeds door de Russen bleken te zijn geïnspireerd. Ook nu vindt er weer zuik een proces plaats, waarbij ernstige zaken aan het licht gekomen zijn. Zo ernstig, dat de Zweedse regering het verantwoord achtte om een zeer felle nota aan de Sowjet-Russische regering te zenden.

Al deze voorvallen zijn aanleiding om ons een wat nader oordeei te vormen over de positie van Zweden in de internationale politiek. Het kan ni. niet worden ontkend, dat Scadinavië een steeds belangrijker positie gaat innemen. Aangezien men bij het

beoordelen van het buitenlands beleid nu eenmaal ook met oorlogsmogelijkheden rekening moet houden, hoe afkerig men er in principe ook tegenover staat, moet worden toegegeven, dat de positie van Noord-Europa voor elke partij hoogst belangrijk is. Hitler kon volstaan met de bezetting van Noorwegen, te meer daar Zweden zijn neutraliteit enigszins partijdig heeft bewaard. Rusiand evenwel heeft in geval van een oorlog, èn voor de Europese strijd, èn voor de beheersing van het Noordpoolgebied, Scandinavië min of meer nodig. De deelneming van Noorwegen aan het Atlantisch Pact was reeds een moeilijk te verteren brok; vijandigheid van Zweedse zijde zou Ruslands positie in de Oostzee aanmerkelijk schaden.

Deze overweging maakt het dan ook redelijk, dat Rusland reeds jarenlang voor de situatie in Zweden en de aard der Zweedse verdediging meer dan gewone belangstelling koestert. Precies zo, in theorie aithans, ais de Engelsen en Amerikanen, die gaarne eveneens precies van de mogelijkheden van Zweden op de hoogte willen zijn.

Merkwaardig is, dat Rusland ten aanzien van Scandinavië niet domweg naar gebiedsuitbreiding streeft. Een duidelijk voorbeeld daarvan is Finland, dat een Russische bezetting heeft gehad, maar nu, in tegenstelling tot de Oosteuropese volksdemocratieën, en de Baltische ianden die geheel zijn ingeiijfd, een duidelijke onafhankelijkheid heeft herkregen. Militair bevindt Finland zich door de Russische bases geheel in de macht der Sowjets, maar politiek is zuiks geenszins het geval. Het risico, dat Rusiand in Finland loopt, is dus niet al te groot, maar het is niettemin toch op verschiliende terreinen aanwezig. Rusland heeft dit

risico wilien lopen, kennelijk onder meer om Zweden in zijn neutraliteitspolitiek te stijven en daarmee een aansluiting bij de Westerse mogendheden te voorkomen.

Dat uit de processen gebleken is, dat Rusland toch op de een of andere manier de kansen van een bezetting van Zweden in geval van oorlog wil onderzoeken, doet aan het karakter van deze politiek niets af. Het is voor de Russen alleen een strop, dat het spionnagewerk, of althans een deel er van, waarbij wel degelijk een ondergrondse communistische macht in Zweden getracht wordt op te bouwen, ontdekt is.

Maar hoogstwaarschijnlijk zou deze ontdekking niet tot een koerswijziging hebben gedwongen, omdat, evenals bij vorige spionnageprocessen, het provocerende karakter er van wel beperkt gebleven zou zijn.

In het licht van dit politieke streven is het brute optreden der Russische vliegers, en naar uit jongste berichten valt af te leiden, de grote activiteit van de Russische marine in de Oostzee, wel een zorg gevende gebeurtenis. De incidenten hebben nl. niet enkel de verontrusting, maar felie woede bij de Zweedse bevolking opgewekt. Juist deze incidenten, veel meer dan spionnagegevallen, kunnen de bereidheid tot neutraliteit bij de Zweden in gevaar brengen.

Wij mogen niet veronderstellen, dat de Russische autoriteiten door de schietpartijen even verrast zijn geweest ais de Zweden. Daarvoor zijn zij te veelvuldig voorgevallen. Vermoedelijk hebben de Russische vliegers volgens instructie gewerkt. Zo gezien is er wellicht aanleiding voor de veronderstelling, dat de Russen uit militaire overwegingen een straffere politiek in het Oostzeegebied zijn begonnen, om er de handen meer vrij te krijgen, ook al gaat dat ten koste van de Zweedse neutraliteit. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling, die heel wat nieuwe spanningen in onze toch al verontruste wereld kan veroorzaken. De komende maanden zullen laten zien of deze Russische koerswijziging definitief is, dan wel een proefballon.

H. VAN VEEN

élan van een vroegere periode beschikken. Het is niet uitsluitend om de minder „volkse” melodie, dat het „Strijdlied van de Partij van de Arbeid” er heiemaal niet is ingegaan!

We Zingen dus de socialistische liederen uit volle borst mee in het gevoel van verbondenheid met vroegere tijden, en we laten de critiek dan maar*weer over aan onze tegenstanders. Het is overigens wel merkwaardig en inconsequent, dat velen onder dezen wel bezwaar hebben bijvoorbeeld tegen „Heil u. Vaandel van den Arbeid”, maar zonder blikken en blozen het „O, heilige vlag” van het „Vlaggenlied” zingen! Tekenend in dit opzicht is het volgende. Toen de heer Tilanus mij in een debat eens vroeg, of ik als christen „De Internationale” kon zingen en kon meelopen achter de rode vlag, en ik hem daarop antwoordde: ik heb dit van ganser harte meerdere malen gedaan, gaf hij te kennen, dat hij daarvan niets begreep. Neen, dat zal wel, maar ik begrijp best zijn bezwaren, die echter niets met christelijkheid hebben te maken, maar wel gemis aan historisch besef demonstreren, en eenvoudig terug te brengen zijn tot de befaamde klimaatverschillen.

Laten wij als socialisten deze verschillen toch niet overdrijven; niet ieder woord en elke uitdrukking op ons christelijk goudschaaltje leggen, maar ze structureel en historisch leren verstaan en ... waarderen!

P. WESTRA

KORTEHEMMENNIEUWS

Enkele indrukken van Kortehemmendag 1952 De Zondag na Pinksteren kwamen we weer traditiegetrouw bijeen. De „Vrienden van Kortehemmen” voelden zich spoedig thuis, dat is een kenmerk van de A.G.-bijeenkomsten. En is het niet de voortzetting van de ~Blijde-Wereld”-dagen van vroeger? Velen van ons hebben die persoonlijk meegemaakt, de jongeren echter niet. Dat is jammer, want hun aantal was gering en moeten zij niet het A.G.-werk voortzetten? Het is door velen zo gevoeld, want het probleem jeugd is in de discussies vaak naar voren gebracht in al zijn vormen van ongegrepen, begrijpende en gegrepen jeugd.

Ds D. Bakker had de leiding en leidde de besprekmgen over de zomerplannen en het toekomstige winterwerk. We zullen dan het communisme nader bespreken. Zaterdagsavonds hielden ds L. H. Ruitenberg en mr J. A. de Jong hun lezingen. De eerste wees er nog eens op, dat de A.G. een loot van Barchem was. En inderdaad, zij die Barchem kennen, weten wat dit betekent: is „het hart van Barchem” niet de stille wijdingsstonde, en betekent het ook niet de openheid van het gesprek? Inderdaad hoezeer de A.G. ook beïnvloed is geweest door de vele religieus-socialistische stromingen, het karakter der

wijdingsstonde moge er door veranderd zijn, de sfeer van Barchem is voelbaar aanwezig.

De A.G. werkte stimulerend door haar beweeglijkheid, zowel op religieus als politiek terrein, zoals ds Ruitenberg zei, maar het is de vraag of zij haar stimulans met de huidige methoden voort moet zetten, of dat zij andere vormen moet zoeken. Is er niet het gevaar van „conferentie-moeheid”, nu door velen dit systeem is overgenomen?

Later sprak mr De Jong over de mogelijkheden van het A.G.-werk in het noorden van ’tland. We hebben te maken met Friezen, Groningers en Drenten, die ieder hun eigen volksaard hebben. De Friezen zijn individualistisch ingesteld en vasthoudend aan hun beginselen. De beste kansen voor ons werk bij hen ligt bij het jeugdwerk. De jeugdweekenden van Kortehemmen worden steeds druk bezocht, hetgeen een verheugend teken is.

In Groningen ligt het anders. De stad Groningen is het culturele centrum van de provincie. Het platteland onderging de invloed van de stad, maar heeft deze niet goed verwerkt. Als gevolg van het rationalisme vinden we er nog vrij sterke vormen van klassenstrijd. „Stad” en „land” vergen dus een verschillende instelling van de A.G.

Bij de Drenten liggen de toestanden weer anders. Daar leeft men sterker dan elders nog in oude buurtschappen. Ook kent men daar nog het gezamenlijke beheer der markgronden. Hier moet de A.G. contact opnemen met burge-