is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 54, 18-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als poëzie; maar de raadselachtige aanwezigheid van de humor verheft menig bladzij van Dickens tot iets dat meer dan levend is. Het leven kan saai zijn, maar Dickens was de man die in iemands neus, in iemands liefhebberij, in iemands beroep, in iemands vooropgezette mening iets zag dat ontwikkeld kon worden tot iets dat meer dan levend was. Dit is nog wat anders dan caricaturen maken, juist hierom daar het Dickens niet te doen was om zijn medemensen bespottelijk te maken. Hij sleurt zijn Doctor Pickwick van avontuur tot avontuur, maar hij levert hem geen ogenblik over aan onze spotlust; en juist omdat we van hem houden gaan, moeten we zo onweerstaanbaar lachen. En omgekeerd: de diepe deernis met David Copperfield of Olivier Twist kan ons geen ogenblik zo diep terneerdrukken dat we het leven gaan haten. Zij ontmoeten zoveel edele zielen, zij beleven zulke- bizarre situaties, dat de levenslust ongeblust blijft.

Men zegt dat de figuren bij Dickens meer typen dan karakters zijn, dat zij bestaan bij de gratie van een telkens herhaalde zegswijze of van een lichamelijke afwijking, maar men vergeet dan, dat deze stereotype kenmerken lang voorbereid zijn door uitvoerige situatieschetsen, waartegen het ten slotte aangebrachte herkenningsmotief verrassend werkt. Zijn scherp gevoel voor de dramatische situatie in de grond van de zaak was Dickens ook in zijn particuliere leven een toneelspeler doet hem in plaats van de lange epische inleiding en nabeschouwing de voorkeur geven aan de zorgvuldige opbouw van een décor, waartegen zijn personen in handeling treden, elk duidelijk herkenbaar niet aan hun verleden, niet aan hun innerlijk leven, maar aan een uitwendig, doch hoe voortreffelijk gekozen, symbool. Dickens moet zijn figuren bij de hand hebben om te laten acteren. Hij kan hen niet uitvoerig en van binnenuit schilderen, maar zij moeten handelen en terwijl de scène verloopt, komen ze op en gaan ze af, ieder met zijn eigen etiket. Het is niet overbodig op te merken dat deze schijnbaar oppervlakkige methode, in de grond der zaak de moeilijk'- ste is. En welk een voordeel biedt dit systeem niet! De personen kunnen makkelijk herkend worden, telkens als ze opkomen, door het gevoelig oog van de lezer en niet alleen door de onaandoenlijke vlakke weergave van hun naam. Dickens schept er een overzichtelijke actie mee, die ineens zich volledig ontwikkelt. Hij hoeft zijn personen niet telkens voor te stellen. Wij herinneren ze ons zo gemakkelijk achteraf, omdat deze personen welomschreven zijn en ze geven zo de roman duurzaamheid. Natuurlijk is zijn methode niet de alleen zaligmakende. Er zijn andere, grote romanschrijvers, wier karakters een maximum aan genuanceerdheid bezitten en daardoor zich onvoorspelbaar gejlragen (Dostojewski). En toch mag men Dickens, ook vergeleken met deze schrijvers, niet oppervlakkig noemen. Er is in zijn romans een wonderlijk gevoel van menselijke diepte. Hij weet zijn typen zo te manoeuvreren, dat juist de ene karakteristieke eigenschap steeds naar de kant van de lezer toegewend is, dat deze bijgevolg niet zien kan, hoe smal zijn figuren in werkelijkheid zijn. Een roman is uiteindelijk geen psychologische portretkunst maar een verhaal. De temperatuur van een roman daalt onvermijdelijk, als de schrijver ons a.h.w. in vertrouwen neemt en zijn personen ,van dichtbij laat bezien. Dickens vermijdt dit: hij is de oer-

(Vervolg op pagina 6, Iste kolom onderaan)

IK MEMORIAM

Toen ’k, na zijn dood, me op hem bezon, ging hij glimlachend aan mijn zij,

een kind, zo schuldeloos en blij . ..

Alsof ’t weer was als ’t eens begon.

zó blonk en klonk de heldre dag

in ’t dal van de verlaten tijd; de mist die er gelegerd lag.

verdreef hij met zijn zonnigheid.

En ’t mi] beschamende is geschied:

Hij straalde, straalde ... en anders niet; nu moest wel in zijn licht vergaan

’t leed, dat hij mij had aangedaan.

’k Had hem gemeden en gesmaad,

wijl hij het liefste dat ik had

en zonder droefnis nooit bezat zo onherstelbaar had geschaad.

Wat ik toen nooit bevroeden kon:

dat hij mij, spelend overwon.

dat hij dit leed bij God vergold, totdat het in zijn glimlach smolt.. ,

Hij stond mij na, toen ik hem dierf;

nog was hij ver, toen ’k hem weer vond;

de maanden echter vóór hij stierf wist ik dat ik hem gans verstond.

’k Was in zijn stervensuur nabij

en ik was niet alleen bezwaard,

hij stierf zich van ’t verleden vrij;

ik heb allee?i zijn lach bewaard ..

Wanneer ’k mij weer op hem bezin,

gaat hij glimlachend aan mijn zij,

een kind, zo schuldeloos en blij.

Zo is hij mij als in ’t begin:

een mens zó lief en vederlicht,

met zó’n vergeeflijk, goed gezicht,

dat wat mij bleef na zijn gemis van bitterheid gezuiverd is.

Johan Toot