is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 24, 13-06-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Katholicisme en Socialisme

1

De kunst van het goede gesprek is niet aileen een zeer nobele, maar zoals de ervaring telkens weer leert ook een uitermate moeilijke kunst. En, naarmate het om diepere en fundamenteler vragen van levenshouding en levensbeschouwing gaat, steeds moeilijker. Men mag soms geneigd zijn ongeduldig en geïrriteerd op deze moeilijkheid te reageren (zo in de stijl van: hoe bestaat het nu, dat de ander zo redeneert en zo mijn opvattingen uitlegt!), dat ongeduld en die geprikkeldheid getuigen dan echter ook vaak van een te oppervlakkige houding tegenover de echte moeilijkheden, die er zijn.

Eigenlijk is het dan ook niet zo vreemd, dat de werkelijk waardevolle bijdragen tot het gesprek —• om het even of het gaat om het theoiogische of wijsgerige of politieke gesprek betrekkelijk dun gezaaid zijn. Dat geldt in het aigemeen voor aiie groepen, richtingen en partijen.

Daarom is een dergeiijke bijdrage zeker een zeer verheugend feit.

Weinu: het opstel, dat prof. dr P. F. van Berkum schreef over „Katholicisme-socialisme”, in de bundel opstellen, die door de Tilburgse Academische Economische Kring het vorig jaar onder de titel „Economische wetenschap en economische politiek”*) aan de Academische senaat werd aangeboden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Katholieke Economische Hogeschool, mag ongetwijfeld worden beschouwd als een wezenlijke bijdrage tot het gesprek over het genoemde thema.

Dat wij in het bijzonder dit opstel van prof. Van Berkum noemen en hier aanstonds iets nader op ingaan, is te begrijpen. Maar tegelijk wilien wij er graag op wijzen, dat deze belangrijke bundel opstellen verschillende bijdragen bevat, die wij van hoge kwaliteit achten en dan ook gaarne ter lezing aanbevelen. Voor wie zich ernstig wil bezinnen op de voornaamste economische en sociale vragen van deze tijd: zeer aanbevolen lectuur.

Naast de bijdrage van prof. Van Berkum zouden wij daarbij in het bijzonder nog willen noemen de opstellen van dr Pensioen over de sociologie van het economischpolitieke denken, en dat van dr Veldkamp over de problematiek der hedendaagse sociaie politiek.

Prof. Van Berkum dan tracht in 'zijn opstel zo zuiver en objectief mogelijk de huidige verhouding tussen katholicisme en socialisme vast te stellen, daarbij nagaande welke raakpunten en welke verschilpunten er tussen beide momenteel bestaan en tevens op welke belangrijke punten de situatie van nu verschilt met die van vroe-

ger. Hij motiveert dit met de volgende woorden, die wij gaarne onderschrijven: „Onze tijd blijft zoeken naar nieuwe vormen en verhoudingen, waarbinnen het individuele en het maatschappelijke leven zich in goede, weigeordende banen zal kunnen ontplooien. Ook in ons eigen land doet de weerslag van dit probleem ach gevoelen en dit dwingt ons tot het geven van rekenschap over onze sociale en economische denkwijze, als noodzakelijke voorwaarde tot het betreden van de weg naar versteviging van de eigen volksgemeenschap.”

Hoe ziet prof. Van Berkum nu het socialisme? Terecht want noodzakelijk om de reeds voltrokken of zich nog voltrekkende veranderingen binnen het socialisme juist te kunnen waarderen begint hij met een beschouwing over het marxistisch socialisme, dat hij uiteraard onverenigbaar acht met een kathoiieke denkwijze om zijn epnzijdige fundering van de maatschappij en van de cultuur in het economische. Hij zegt daarvan 0.a.: „De verzelfstandiging en systematische overschatting van het economische in liberalisme en marxisme is een product van de rationalistische en materialistische denkwijze van de vorige eeuw. Het was een gewoonte van die tijd in alle conflicten tussen enkelingen en tussen individuen en gemeenschap een zuiver economische beweeggrond en een economisch belangenconflict te zoeken, met dien verstande, dat waar het liberale systeem het zwaartepunt legt bij de individuele belangen, in het marxisme de economische kiassenbelangen op de voorgrond treden. Ziet men af van het sociologische verschilpunt in de beide stelsels, enerzijds het begrijpen van de maatschappij van het individu en anderzijds van de sociale klasse uit, dan is het gevolgde logische procédé hetzelfde. Beide systemen toch verwachten de maatschappelijke verbeteringen van een blinde, gedetermineerde werkoorzakeiijkheid...” Maar daarnaast wordt ook opgemerkt: „Wij overdrijven niet, wanneer wij zeggen, dat voor niet-socialisten de gevreesde onderdrukking der menselijke vrijheid (nl. doordat in een socialistische maatschappij-organisatie noodzakelijk het coilectief belang zou prevaleren boven het individuele belang en de particuliere activiteit zou worden opgeofferd aan die van de gemeenschap en haar organen. H.)

één der grootste weerstanden vormt. Ontegenzeggelijk schuilt hierin veel misverstand (cursivering van ons. H.). Er is in marxistische en latere socialistische lectuur ook een element van gemeenschapsopvatting, van een „vivre pour autrui”, van een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

welke een juist begrip tcxjnt van het essentiële sociale karakter der menselijke persoonlijkheid en dat daarom sympathiek aandoet.”

Tegenover dit „oude”, marxistische socialisme stelt prof. Van Berkum de nieuwere socialistische stromingen. Twee belangrijke verschilpunten meent hij daarbij te kunnen opmerken, die hij tevens ais aanrakingspunten met het katholicisme en in het algemeen met godsdienstige groepen der bevoiking beschouwt.

Het eerste is, dat het nieuwere socialisme weer aansiuiting zoekt aan absolute ethische normen en het totalitaire klassenbelang als ethisch beginsel verwerpt. (Zij het dan ook, dat naar hij meent, deze „absolute ethische normen” op een naar katholieke opvatting vage, humanistische begrippenwereid teruggaan). Het tweede is het streven in het nieuwere socialisme naar een positieve en constructieve sociale politiek, dat „cuimineert in het zoeken naar vormen van organisatorische beheersing van het economisch leven, nodig voor de verwerkelijking van de zedelijke idealen van het socialisme”.

Voorwaar: een bijzonder goede en fijne omschrijving!

Wat verder stelt prof. Van Berkum nog de vraag aan de orde: „Is een socialistische voortbrengingswijze economisch mogelijk? Kan de leiding van de plan-economische organisatie geacht worden over de intellectuele capaciteiten te beschikken, nodig, ten einde de economische mogelijkheden op nationale schaal volledig te benutten en objectief in cijfers door te denken?” Hij antwoordt op deze vragen: „Op deze probleemstelling zouden wij, na raadpleging van wat dienaangaande door economisten pro en contra is te berde gebracht, na kennisneming ook van zekere ervaringen, welke het Russische plan-experiment heeft gebracht, geen ontkennend antwoord durven geven. De onmogelijkheid van een socialistische maatschappij met socialistische productie- en verdelingsnormen lijkt ons althans niet te bewijzen.”

Met opzet zijn wij met deze citaten begonnen om het kiimaat van dit opstel te schetsen. Dit betekent echter niet, dat prof. Van Berkum geen bezwaren heeft ook tegen het huidige socialisme en dat hij geen ernstige verschiipunten ziet tussen de katholieke en de socialistische denkwijze over de economische structuur der maatschappij. Daarover hopen wij in een volgend artikel iets te zeggen.

J. H.

*) Uitg. H. E. Stenfert Kroese N.V., Leiden. Prijs; ing. ƒ11,50, geb. ƒl4,—.