is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 7, 13-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f den Heer j I behoort de aarde j I en haar I \ volheid. j \. Psalm 24 ; 1 /

Jljd euTaak / I Int. Instituut I I Soc. Gf»:-chiadenis | I Ameterdam I

WEE KB LA» VUUR EVING E L I E EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 13 Februari 1954 No. 7 Redactie: ds.J.J. Buskesjr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoff Redactie-Secr.: Roerstraat 48’ Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr. J. G. Bomhoff Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Hubebosch H. van Veen dr. M. V. d. Voet ds. RJ.deWiJs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

bonnement per jaarf 5,—; halfjaar f 2,75; kwartaalf 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Democratie

Dit is het lot van de mens, dat hij lijdt onder de schuldige wanverhouding tussen ideaal en werkelijkheid; anders gezegd: dat de dingen niet zijn, zoals ze zouden moeten zijn. Het hoort derhalve tot de grote opgave van zijn leven, op de werkelijkheid een zodanige, aanhoudende druk uit te oefenen dat deze wat meer gaat lijken op de ideale gestalte, die hem voor de geest staat. Het is dan ook dringend geboden, dat hij voortdurend zich bezint op zijn idealen, om daaraan richtlijnen voor zijn handelen en vurige aandrift om te werken te ontlenen. Beter dan te zuchten over de boze wereld, is het na te denken, hoe het eigenlijk zou moeten zijn. Gezin, school, staat, kerk hebben een ideale gestalte. Het telkens opzien naar hun aantrekkelijke schoonheid helpt de mens in zijn streven iets ervan althans te verwerkelijken in deze weerbarstige tijd. Laten we vandaag eens aan de staat denken en nu niet aan de drukkende belasting, de bemoeizieke ambtenaar, de onverkwikkeiijke politieke strijd, maar aan zijn ideale gestalte. Ter inleiding doen we goed te beseffen, hoe rampzalig we zouden zijn als hy er niet was, hoe de botsing der individuele

egoïsmen ons bestaan ondraaglijk zou maken. Zo komen we aan een eerste wezenstrek van de staat: hij is de gestalte, de organisatievorm van het recht; hij regelt de rechtsverhoudingen van de samenleving en hij beschikt over het monopolie van een dwingende macht om het recht te handhaven. Als zodanig is hij het geweten van de gemeenschap.

Maar er is meer. De tweede wezenstrek van de staat is, dat hij het algemeen menselijk welzijn voor staat. Naar gelang tijd en omstandigheden, waakt de staat ervoor, dat de mens de kans krijgt om die goederen te verwezenlijken, die hij uit eigen kracht of ais lid van andere gemeenschappen niet bereiken kan, en die nochtans op een bepaald ogenblik hem als noodzakelijk voorkomen, om zich als volwaardig mens in stand te houden en te ontwikkelen. Dagelijks weert des staat de gevaren af, die de vrije mens'bedreigen, helpt hem in noden, waaruit hij zich zelf niet kan redden. De

staat maakt van de naast elkaar levende, elkander verdringende en benauwende individuen een gemeenschap van personen, die voor elkaar leven.

Zijn schoonste gestalte kreeg de staat in het democratische bestel. Er is nu niet meer een staatsgemeenschap, waarin de individuen zich overgeven aan een groep (aristocratie, oligarchie) of aan een persoon (autocratische monarchie, dictatuur) op grond van een blind gevoelen of op grond van een traditionele gelatenheid, maar de mens stelt zich in het politieke en sociale leven als vrije en bewuste enkeling en neemt als zodanig zijn verantwoordelijk deel aan het leven der gemeenschap.

ledereen is er zoals Kant gezegd moet hebben wetgever en onderdaan. In de grondwet zijn de vrijheden der burgers omschreven en daaraan beantwoordt een heel stelsel van fundamentele, gerechtelijke waarborgen. De drie grote politieke machten, de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende macht houden elkaar in evenwicht. „Macht beperkt macht” naar het fraaie woord van Montesquieu. Elke burger kan daarenboven actief deelnemen aan de politieke wils- en machtsvorming. Het regeerbeleid is aan een voortdurende contróle onderworpen en dient evenzeer rekening te houden met de inzichten van de meerderheid als met de oppositie van de minderheid. En dit alles dient hiertoe, opdat de mens zich op het politiek en sociale plan als een volwaardig persoon kan ontplooien. De mens is niet langer alleen maar voorwerp van staatszorg en staatsbemoeiing; hij is subject. De geschiedenis wórdt niet meer over hem geschreven, hij zelf schrijft de geschiedenis. De tegenstelling van meester en slaaf, die wel de onontkoombare wet leek van elke samenleving, wordt in de democratische synthese overwonnen. In de Franse Revolutie is dit alles zo roerend eenvoudig geformuleerd in de prachtige leuze: „Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap.”

Het is hier de plaats om te herinneren aan de prachtige gedachte van de grote Franse wijsgeer Bergson. Hij schrijft ergens dat in de democratische zinspreuk „Vrij-

heid, Gelijkheid, Broederschap” de broederlijkheid de ereplaats bekleedt. Zonder de broederschap immers kan nooit een verzoening tot stand gebracht worden van vrijheid en gelijkheid. En daarom besluit hij dat de democratie wezenlijk van evangelische aard is en door de liefde dient voortgestuwd te worden.

Het doet goed in de zuivere sfeer van deze ideale wereld nu en dan te vertoeven en er kracht en inspiratie uit te putten om de grauwe werkelijkheid, die vaak heel ver van het ideaal verwijderd is, te beoordelen en te wijzigen. Want men moet niet denken, dat deze bespiegelingen onnut of overbodig zijn. Mag ik enkele, heel concrete en actuele voorbeelden geven?

Het debat over de viering van de 5e Mei ligt achter ons. Ik meen, dat alle partijen het onbevredigend vonden. Voor mij schuilt het teleurstellend element hierin, dat een kans gemist werd om het „broederlijk samenzijn” van alle Nederlanders in de vreugde om de beleving der democratische vrijheid te beleven. Als men echter dit zo ziet en zo bepleitte het immers onze Scheps dan moet men ook de moed hebben zijn overtuiging door te zetten en de anderen met hun verantwoordelijkheid te confronteren. Scheps had m.i. wél in een motie zijn overtuiging moeten vastleggen. Hij stond immers zijn visie op het algemeen belang voor. Wat maakt het dan uit, of de tegenstemmers een kleine of een grote minderheid vormen.

Ik meen, dat de gedachte aan de ideale gestalte van de democratische staat licht werpt op meer dan een actueel politiek probleem. Deze gedachte immers werpt een eigenaardig en weinig flatterend licht op de voortgaande verzuiling van ons volk, zoals zich deze openbaarde in enkeie onverkwikkelijke schooldebatten uit de laatste tijd, in de discussies rondom de humanistische zielszorg, maar ook op het woedende verzet van de radio-organisaties tegen het ideaal van een nationale omroep. Genoeg erover! leder kan zelf nog andere voorbeelden bedenken.

Het eigenaardige glorie en misère van een democratische staat is het bestaan der partijen. leider hunner behartigt O'P haar wijze en overeenkomstig haar visie het algemeen belang; ieder komt op voor de bijzondere belangen van haar partijgenoten en dat is goed. Uit dit conflict wordt dagelijks de actuele gestalte van de besluitvaardige staat geboren. Maar het gevaar bestaat dat de partij zozeer in beslag genomen wordt door haar eigen belangen en ideeën, dat zij vergeet deel te zijn van een groter geheel en dat haar bestaansrecht berust op de democratische erkenning van haar eenzijdigheid. De staat is meer en groter dan de partij. J. G. B.