is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 16, 17-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij gelooft, zult gij de heerlijkheid Gods zien en leven!

Het verhaal van de opstanding van Lazarus is in wezen een commentaar op het verhaal van Jezus’ opstanding, die wij op Pasen vieren. En ook het verhaal van Dostojewski is op dat verhaal van Jezus’ opstanding een commentaar. Het gaat om Jezus’ macht over zonde en dood. Het gaat om die andere wereld, die onze wereld redden wil, de wereld van het Godsrijk.

Wij zijn met de wereld en ons eigen leven aan het vechten en wij komen er niet klaar mee, evenmin als Maria en Martha, de beide zusters van Lazarus er klaar mee kwamen, evenmin als Raskolnikow en Sonja er klaar mee kwamen.

Christus is er klaar mee gekomen en Hij heeft het uitgevochten. Ook voor ons. Hij heeft alle machten van zonde en dood overwonnen. Wie in Hem gelooft, zal leven. Hij is Overwinnaar en zijn Rijk komt. Wij mogen deel hebben aan het leven der op-

standing. Wij mogen wedergeboren worden tot een levende hoop door de opstanding van Christus uit de doden. En met de wereld, zoals zij reilt en zeilt, zullen wij nooit meer vrede hebben.

Ik weet, dat velen met het Paasverhaal moeite hebben. Ik kan dat goed begrijpen. Wie heeft er geen moeite mee? Maar één ding weet ik heel zeker, dat sedert de dag, waarop Christus is opgestaan, de boodschap van het leven in heel de wereld verkondigd wordt en dat wij in die boodschap van het leven geloven mogen, geloven en daarom ook leven in de overwinning van het Christusrijk. En het staat voor mij vast, dat wie zó gelooft en zó leeft, in en voor deze wereld strijden zal, in solidariteit met allen, die hongeren naar gerechtigheid, vrijheid en vrede.

Met Pasen begint ook voor ons een nieuwe geschiedenis, de geschiedenis van een algehele vernieuwing, de geschiedenis van een algehele wedergeboorte.

J. J. BUSKES jr

HET NIEUWE DICHTERSCHAP

(Vervolg van pagina 3)

ontbreekt. Deze tijd immers heeft geen duidelijk profiel, maar een monster-gezicht; ogen zo klein als van een naald, die geen uitgang meer bieden naar het Rijk der Hemelen, oren die er niet meer bij passen. „Leen mij even uw oor,” zo zegt men. Hij (de tijd) luistert alleen naar zich zelf en deze tijd kwebbelt maar voort: radio; drukpers. Het lijkt wel een waterval en dat is dan ook zijn karakter. De reden van de haat is dus het gemis aan orde in eenheid en onderscheid. Vandaar dan ook een gevoel van teleurstelling zoals de Engelen moeten gekend hebben toen zij over de chaos heenschouwden ten tijde dat de aarde woest en vormeloos was (Gen. 1:1), deze chaos, die nog wachtte op het goddelijk scheppingswoord, dat Hij als een tovenaar, als een andere Mozes over het water uitsprak.

De verrijzenis des Heren. Onbekende meester uit de omgeving van Praag, omstreeks ijBo

In de verwachting van deze goddelijke herschepping leeft de dichter. Hij hoopt de eerste tekenen weldra te beleven. De zee is het vormeloze, het steeds bewegende, het oer-element, waaruit alle begin is, de zee is het onbewuste, het primitieve, het goddeloze, ongeordende; daarheen zal deze tijd a.h.w. moeten uitmonden om er schoongewassen te worden, want over de zee kan Gods woord blinken en verstaanbaar worden. Niet dat de zee zelf uitredding biedt, maar zij is „uiterste mogelijkheid” en daarom zoals de dichter elders zegt („Het randschap” in „Mythologisch” blz. 5) betrekt hij zijn post op de grens van land en water.

Nu begrijpen we waarom de dichter opgewekt zijn tijd haat: in de verwachting van het nieuwe. Het zou dus wel kunnen zijn, dat zijn haat verkeerde in liefde. We zeggen: hij is veranderd als een blad aan een boom: onze boom d.i. onze rechtstandige eenderheid: de ruggegraat. De tijd van leven, d.i. de tijd van ons vlees, gaat voorbij en wat er vlees aan ons is, vergaat. Nochtans niet dit vergaan kan de dichter drukken. Ons vlees is ingewijd door de Vleeswording, onze tijd is geheiligd doordat onze jaartelling bij Jezus’ geboorte begint. Het is goed op Pasen met dit vers bezig te zijn. „De wereld staat aan haar begin” heet het in de slotregel van „Aangaande Abraham”. Dit is geen aardse wijsheid uit onze tijd van leven en ook de zee heeft er geen weet van.

„Waar is de wijsheid te vinden? de zee zegt: zij is niet bij mij.”

(Vogels en vissen blz. 49).

en wat verwacht je dan?

de hoop dat het anders kan.”

(Vogels en vissen blz. 5).

Een vers is geen preek, zelfs niet als het door een dominee gemaakt is (Guillaume van der Graft ps. van ds. W. Barnard). Ik ben bang door mijn uitleg het gedicht te stichtelijk te hebben gemaakt. Een gedicht werkt anders. De aandachtige lezing bewerkt in ons iets van de stilte der afwachting en hier ontmoeten elkaar gebed en poëzie. Dat de poëzie, ook de profane poëzie van Guillaume van der Graft, met al haar speelse bewegingen, tot gebed inleiden kan, is mijn stellige overtuiging.

J. G. B.

*) Guïllaume van der Graft. Vogels en vissen. Uitgave De Windroos U.M. Amsterdam 1953, 53 blz. f 2,75.