is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 32, 14-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Atlantiër over de kansen tot redding van de vrije samenleving

n.a.v. Freedom against itself, By Clarence Ka Streit, Harper & Brothers, New York. 1954. ($3.75—f 16,85).

Wie ook mogen pogen, de zorgen van deze tijd, de bedreiging van de -vrije samenleving, de economische onweerswolken, de internationale spanningen, de onzekerheid en onrust te ontvluchten of te vergeten, stellig niet deze rustige en zakelijke onderzoeker, die juist optimistisch genoeg is om een hoge graad van pessimisme over de internationale constellatie om te zetten in een helder en zakelijk oordeel, uitlopend op een concreet politiek advies.

Hij tracht aan te tonen dat het de vrijheid is, die de oorzaak is van de heersende spanning. Immers, vrijheid schept de voorwaarde tot snelle vordering van wetenschappelijke ontdekkingen en technische uitvindingen. Door deze ontdekkingen en uitvindingen is een internationaal samenhangend productie- en verkeersapparaat gegroeid. De volken zijn in steeds sterkere mate wederzijds afhankelijk geworden. Een bovennationaal gemeenschapsbestuur zou de stabiliteit der menselijke betrekkingen moeten waarborgen. Maar het is de vrijheid, eenzijdig opgevat, die de hiertoe vereiste politieke en zedelijke ontwikkeling tegenhoudt. De vrijheid, het kind van onze eigen geest, toont de tendentie zich zelve te verniefigen.

Het mensdom heeft de neiging te vergeten dat onze vrijheid alleen zin heeft, wanneer de afzonderlijke vrijheden van individuen en groepen elkaar niet dwarsbomen en opheffen. M.a.w. onze vrijheid kan alleen bestaan als vrijheid in vereniging. Maar als het aankomt op internationale organisatie, worstelen twee stelsels om de voorrang: het totalitaire, dat beoogt de vrijheid geheel uit te schakelen en aldus een levenloze eenheid tot stand te brengen; en daartegenover het stelsel van nationale souvereiniteit, dat poogt de natie onafhankelijk te houden, onder verwaarlozing van de gemeenschappelijke belangen, die eenheid eisen.

Beide stelsels zijn een gevaar voor de mensheid. Deze moet haar richting zoeken in de tussenweg tussen despotie en anarchie. Wat zij nodig heeft, is een democratisch bovennationaal gemeenschapsgezag, dat aan de hierbij aangesloten nationale

staten ruime zelfstandigheid laat ter behartiging van de eigen niet-gemeenschappelijke belangen. Kortom, het gaat om aanvaarding van een federaal stelsel, dat vastheid van verhoudingen schept in tegenstelling tot zwakke constructies als de alliantie, de confederatie en dergelijke, die afhangen van ’t goedvinden van de bestanddeelstaten eri gemakkelijk uiteenvallen.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om de vrije volken, gevestigd rondom het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan. Deze volken deden vrijwel alle wetenschappelijke ontdekkingen en’ technische uitvindingen, vooral sedert 1750 mogelijk gemaakt en bevorderd dank zij hun vrije instellingen. De volken, die lang onder despotisch bewind hebben geleefd, hebben tot deze ontwikkeling nauwelijks iets bijgedragen. De Noordatlantische volken vormen, ook door hun snelle vooruitgang op wetenschappelijk en technisch gebied, een bijzonder nauw verbonden samenleving. Echter wordt deze tevens gekenmerkt door een proces van verbrokkeling van gemeenschappelijke instellingen, vooral op politiek, economisch en kerkelijk gebied. Vooral de splitsing in nationale souvereine staten is in deze kring opvallend sterk doorgevoerd. (Westelijk van Sowjet-Rusland vindt men 57 souvereine staten, omvattend 800 millioen mensen. Oostwaarts zijn 1.450.000.000 mensen georganiseerd in niet meer dan 15 staten.)

De positie der verbrokkelde vrije vindingrijke volken wordt verzwakt door het feit dat de massaal georganiseerde slavenvolken hun overmaat van ongeschoolde arbeidskracht bijzonder voordelig kunnen aanwenden bij de benutting van de werktuigen en technieken, die uit het vrije kamp zijn voortgekomen. De vrijen kunnen aan de overweldiging slechts ontkomen door zich met alle kracht op een betere organisatie toe te leggen; vrijheid in vereniging geeft hiertoe de sleutel.

In de laatste 10 jaren zijn de factoren sterker geworden, waardoor het Westen wordt ondermijnd: de voortgang der techniek, de verbrokkeling van de democratieën, de uitbreiding en betere bewapening van het dictatuurgebied. De perspectieven zijn duister.

Afgescheiden van de directe militaire gevaren moet ook aandacht geschonken worden aan de economische moeilijkheden, die

zich aan ’t ophopen zijn, door ’t tekort aan organisatie in het vrije kamp. De kosten van het productie-apparaat stijgen in snel tempo, niet alleen door de grotere ingewikkeldheid van dit apparaat, doch ook door het omhooggaan van de prijzen. Dit proces wordt in de hand gewerkt door de toeneming van het aantal nationale grenzen en de hiermee verbonden maatregelen van nationale bescherming, opgedreven onder de invloed van nationale belangengroepen. De massale dictatuurstaten hebben van deze belemmeringen geen last.

Men mag ook niet vergeten, dat tussen de westerse volken het wantrouwen aan het groeien is; zij meten hun onderlinge grieven al breder uit.

Met de politieke onenigheid komt ook de economische inzinking naderbij. Vereniging in vrijheid, het machtigste wapen der democratische volken, wordt verwaarloosd. Het Kremlin, dat vroeger de aaneensluiting van die volken door zijn strijdlustige houding zo sterk heeft bevorderd, poogt nu juist door een schijn van matiging de verbondenheid van zijn tegenstanders te doorbreken.

Hoe kunnen de vrije volken de bestaande hoogst gevaarlijke spanning wegnemen?

Niet door concessies aan de welgeorganiseerde despotische machthebbers, maar door eigen organisatie op hoger peil te brengen. Reeds de onzekerheid van de economische toekomst in de geladen internationale atmosfeer kan en moet voor de Noordatlantische volken het Amerikaanse in de eerste plaats een spoorslag zijn om de vrije organisatie zonder dralen te versterken.

Naar het voorbeeld van 1787 zou zo spoedig mogelijk een „Federale Conventie” van vertegenwoordigers van de Noordatlantische volken bijeengeroepen moeteri worden om de mogelijkheid van aaneensluiting in federaal verband na te gaan. De beraadslaging zou op zich zelf al van ’t grootste belang zijn als middel om de aandacht op de hier liggende vraagstukken te vestigen. Overigens is de behoefte aan internationale organisatie zo groot, dat het zaak zal zijn, deze aan te pakken niet enkel op het Atlantische, doch ook op het Europese en universele vlak, en niet alleen met federalistisch-constitutionele, doch eveneens met diplomatieke en parlementaire methoden, langs principiële, doch ook langs graduele of functionele wegen.

De schrijver —• die ter aanvulling van zijn betoog verwijst ook naar zijn bekende vroegere publicaties, Union Nord (1938, 1948) en The New Federalist (1946/1950) heeft inderdaad niet zonder zwaarwegende redenen dit nieuwe beroep op de publieke opinie gelanceerd.

Bij vergelijking van de benauwende periode tussen de twee wereldoorlogen (1918- 1939) met de jaren na wereldoorlog II zag hij met schrik allerlei overeenkomstige feiten en verschijnselen opdoemen. Alleen vraagt hij zich af: is de toestand nu niet nóg moeilijker? Is de druk op de vrije volken nu niet groter?

Hij acht het gevaar nabij. Maar het kan tot een nieuwe kans gemaakt worden, als men de toestand begrijpt en tevens beseft, dat het inzicht vertolkt moet worden door de daad. leder onzer kan op eigen terrein hieraan meewerken.

Het boek dat treft door de sobere, heldere beoordeling van de internationale problematiek, zou men graag in veler handen willen zien. Helaas is de prijs een afschrikwekkend voorbeeld van de monetaire kloven, die de Atlantische vrijen tegenwoordig moeten overbruggen om elkaar iets nader te komen.

A. B. COHEN STUART