is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 13, 02-04-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TAALPROBLEMEN IN SURINAME

„Leren jullie kinderen al Engels?” vroeg de academisch gevormde kennis kort voor ons vertrek naar Suriname. Een predikant, die in Indonesië had gewerkt, raadde ons aan, om vast wat Maleis te leren. En iemand anders sprak over Papiamento. Jammer, dat we naar die laatste raad niet luisterden. Want met Papiamento kun je hier net zoveel beginnen als met Spaans in Nederland.

De officiële taal is hier het Nederlands. In elke winkel en op elk kantoor kan men hier met Nederlands terecht. Het is de taal van school, krant en radio. Geen wonder, dat de Nederlander zich hier al heel gauw verbeeldt, dat de taal geen moeilijkheden oplevert. „U behoeft u geen zorgen te maken, met Nederlands kunt u overal terecht,” verzekerden mij de kerkeraadsleden, toen ik me afvroeg, of kennis van het Negerengels niet noodzakelijk was.

Officieel hebben we dus alleen met het Nederlands te maken. Alle overheidsstukken verschijnen in de Nederlandse taal. Maar in volkskringen speelt het Negerengels nog een grote rol. Nóg! Want eenmaal was het hier dé taal. En er zijn mensen, die verwachten, dat het over enkele tientallen jaren zal zijn verdwenen. Het Negerengels is ontstaan uit de hulptaal, waarvan de Negerslaven zich bedienden. Naast Afrikaanse woorden werden Portugese, Engelse, Nederlandse woorden opgepikt. De taal, die zo ontstond is een interessant en wonderlijk geheel, gemakkelijk te leren en als hulptaal tussen verschillende volken zeer geschikt. Als voorbeeld geef ik hier het begin van de 23e psalm uit de oude hernhuttervertaling:

„Wan psalm vo David. Masra da mi herder! noti no sa mankeeri mi. Hem de meki mi lidom na dem groen sabana; en a tjari mi safri go na dem tiri watra. Hem de troostoe mi zieli; a de tjari potti mi na tapo da pasi vo geregtigheid, vo hem nem hede. Alwasi mi sa moese waka na da lage en doengroe dede plesi, tog mi no frede no wan ogri; bikasi joe de nanga mi; joe tiki nanga joe staf de troostoe mi.” Ik geeft hier expres een tekst, die u in het Nederlands kunt vergelijken. Maar u moet goed begrijpen: dit is kerk-Neger-Engels. Op de markt zult u woorden als „geregtigheid” en „staf” niet horen. In werkelijkheid is het verschil tussen het markt-Negerengels, de dagelijkse omgangstaal, en de kerktaal zo groot, dat een nieuwe bijbelvertaling dringend noodzakelijk is.

Het waren de Hernhutters, die door bijbel en gezangboek het Negerengels tot een schrijftaal maakten. Daarnaast ontstonden de roomse kerkboekjes. Maar verder werd het Negerengels als schrijftaal heel weinig gebruikt. Zodat er op het ogenblik over

spelling en schrijfwijze wel enig verschil van mening bestaat. Het is de moeite waard, om eens naast elkaar te stellen de bede uit het Onze Vader „geef ons heden ons dagelijks brood”. De Hernhuttersvertaling schrijft: „gi wi tidei da njanjam vo wi”, Koenders: „gie wie tiede na njanjan foe wie”, Donicie: „Gi wi tide na njannjan fu wi”.

Pater A. Donicie is de schrijver van een in 1954 uitgegeven spraakkunst (De Creolentaal van Suriname”, verschenen bij Radhakishun en Co te Paramaribo), die thans veel wordt gebruikt, en die o.a. de oe thans als u schrijft, wat hier op vrij veel verzet stuit.

Betekent het Negerengels als schrijftaal weinig, des te meer als hulptaal tussen de verschillende volksgroepen. Javanen, Hindoestanen en Indianen spreken allen wel een beetje Negerengels, ook als ze aan Nederlands nog lang niet toe zijn. Arbeiders van verschillende rassen, die op één bedrijf werken verstaan elkaar direct met behulp van wat Negerengels.

Geen wonder, dat wel is voorgesteld, om deze taal als dé omgangstaal van Suriname te aanvaarden. Maar dat is niet zo eenvoudig. In de eerste plaats is een taal voor dagelijks gebruik nog geen cultuurtaal. Met die moeilijkheden hadden de bijbelvertalers al te worstelen en men is het er nog niet over eens, of hun oplossing: opname van een groot aantal Nederlandse woorden, o.a. om abstracte begrippen aan te duiden, wel zo gelukkig was. Maar bovendien: de Hindoestanen, een belangrijke volksgroep voelen heel weinig voor algemene aanvaarding van de Creolentaal. Dan liever het Nederlands of het Engels.

Donicie spreekt van de Creolentaal. Voorstanders van de taal spreken graag van het Surinaams. Voor velen hier heeft het woord Neger een denigrerende klank. Vandaar dat is voorgesteld voortaan niet meer van Bosnegers, naar van Boslandcreolen te spreken. Niet iedereen is het met deze verandering eens. Er zijn Negers, die niet begrijpen, waarom zij zich voor de naam Neger zouden schamen. Maar hier zitten we midden in één van de problemen van Suriname.

Ondanks het officiële Nederlands en het populaire Negerengels (of Surinaams, als u wilt), is Suriname een veeltalig land. De Hindoestanen spreken thuis Hindi of Oerdoe, de Indonesiërs: Javaans en soms Soendanees of het door het Indonesisch commissariaat gepropageerde Indonesisch. In een autobus kan men soms het allerwonderlijkste mengelmoesje van talen horen. Ook Chinees en Syrisch. In het district Nickerie Is de taal doorspekt met Engelse woorden, terwijl er een

groot verschil bestaat tussen de volkstaal uit de stad en die uit het bosland.

Het Negerengels is nog krachtig genoeg om een nieuwe bijbelvertaling te rechtvaardigen. Toch verliest het terrein. Het Nederlands wint nog steeds, door de school. Maar het Nederlands van de straat draagt een onmiskenbaar Surinaams karakter. Sinds een bezoek van prof. W. Gs. Hellinga, enkele jaren geleden, spreekt men hier wel van een eigen Surinaams Nederlands. De gedachte is wel geuit, dat dit Surinaams Nederlands zoveel mogelijk moet worden bevorderd. Anderen dringen echter aan op zo nauwmogelijke aanslui-Ung bij het algemeen beschaafd Nederlands.

Intussen heeft men te rekenen met het bestaan van het Surinaams Nederlands. De Surinaamse bewerking van het stuk „Green Pastures” van Helman is hiervan een uiting. Men „zet” suiker in de thee, de dienstbode „zet” zout in de soep en die dame „zet” een gulden in de collecte. Het woord „handlanger” heeft hier geen ongunstige betekenis: het Is zonder meer: een assistent (of een aanhanger). Had ik dat maar direct geweten. Toen ik hier nog maar pas was, hadden we een lichte wrijving in de kerkeraad (dat gebeurt hier wel vaker). Dat was niet erg, maar toen een kerkeraadslid het had over een handlanger van me, werd ik wit van kwaadheid. Hij begreep daar niets van. En ik zou pas later ontdekken, dat ik me nodeloos had opgewonden.

Wanneer iemand hier iets straks moet doen, dan is bedoeld: onmiddellijk. Dadelijk is: over enige tijd en „later”: met Sint-Juttemis. Het is alles maar een weet. De taal klinkt ons wat snauwerig in de oren. Men spreekt op een beveeltoon. Maar dat ligt aan het Negerengels, de taal van de slavenmaatschappij, die voor „alstublieft” en dergelijke fraaiigheden geen plaats liet. Daarom klinkt het voor de Surinamer heus niet onvriendelijker, wanneer hij zegt: „meisje, zet dat hier” da,n wanneer wij zouden zeggen: „meisje, wil j e me dat even aangeven?” Omgekeerd merkte een Surinaamse dame op, toen we haar ronduit vroegen, hoe zij over het Europees Nederlands dacht, dat het haar „flauw” in de oren klinkt.

Dit is te opmerkelijker, omdat de Surinamer van nature hoffelijk is. Men begint met elkaar te groeten. Wie niet groet is onbeleefd. Zo komt het, dat de Nederlander, die op het Kerkplein heel beleefd vroeg aan een voorbijganger: „Mijnheer, zoudt u me ook de weg naar de Herenstraat kunnen wijzen?” ten antwoord kreeg: ~Mijnheer, zoudt u me ook eerst kunnen groeten?” „Groeten” is het eerste, wat een kind hier leert: „groet dan eens ne-tjes.” Mijn kinderen vertikten het ronduit. Ik ben bang, dat men over onze paedagogische kwaliteiten niet enthousiast was. De taal is voor vakmensen hier een heerlijk terrein. Een terrein van verrassingen. En van misverstanden.

Een Hindoestaan vertelt me over een aanhanger van een andere richting; „hij is gek”. Ik verwonder me. Zoiets ben ik van die voorzichtige vriendelijke syncretistlsche Hindoestaan niet gewend. Maar spoedig merk ik, dat hij daarmee aanduidt, dat er tussen hen enig verschil van inzicht bestaat en dat het woord „gek” voor de Hindoestaan lang niet zo zwaar is geladen als voor ons.

Natuurlijk levert dit bij het onderwijs grote moeilijkheden op. Maar hierover een ander maal. Paramaribo. J. A. V. d. MEIDiBN