is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 29, 23-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paartjes, de vernedering van de Zaterdagavond zonder „date”, het afspraakje, dat in Amerika bijna een cultus is geworden. Tot hij op een van die avonden een meisje vindt, dat even kwetsbaar en gekwetst is als hij zelf, en met haar is hij voor het eerst zich zelf en gelukkig. Hoewel zijn prille genegenheid wankelt onder de critiek van zijn vrienden, die zijn uitverkorene „een lelijk mormel” vinden- en zijn moeder, die na voortdurend hameren op de noodzaak van het huwelijk, ter elfder ure bang wordt voor de eenzaamheid als Marty haar verlaat, grijpt hij aan het eind van wéér zo’n lege dag, die nu niet leeg behoefde te zijn, de reddende telefoon, moderne bemiddelaar van de romantiek tussen twee onromantisch-lelijke mensen.

Toen wij zeiden, dat elke agressiviteit aan deze film vreemd is, bedoelden wij niet, dat hij elke critiek mist. De grijze verveling, die het leven uitholt van een deel van de jeugd, kan nauwelijks scherper worden getekend dan hier is gedaan door de gesprekken van een paar jongemannen op een lome Zondagmiddag, hun dromerig gebazel over de heldendaden van Mickey Spillane en door dat obsederende, telkens herhaalde: „Wat gaan we vanavond doen?” Er komen problemen aan de orde: het probleem van he,t samenwonen van oud en jong, het probleem van de eenzaamheid van ouder wordende vrouwen, wier kinderen het huis uit zijn gegaan. Maar deze critiek en deze problemen dringen zich nergens op, zij komen logisch en onopzettelijk voort uit het individuele conflict van de hoofdpersonen. De sfeer van de New-Yorkse wijk (hebt u al eens eerder de held en de heldin van een Amerikaanse film in een autobus naar huis zien rijden?) en van de Italiaanse familie, waarvan Marty een trouw lid is, de weemoed en de humor, die zo dicht naast elkaar liggen, het „happy end”, dat hier de enig mogelijke oplossing is; alles te zamen vormt een film, die geheel anders is dan we gewend zijn, maar die ons onmiddellijk het gevoel geeft, dat het zo is en niet anders.

Denk overigens niet, dat het eenvoudig is om een zó eenvoudige film te maken. Het is gemakkelijker om kapitein Nemo’s befaamde „Nautilus” op het witte doek te brengen, dan een stuk doodgewoon leven tot kunst te verheffen. Laten we daarom de naam DeWert Mann onthouden.

En om te besluiten met een verheugend feit over deze verheugende film: „Marty”, gemaakt naar het televisiespel van Paddy Chayefsky, heeft op het filmfestival in Cannes de „grote prijs” verworven en trekt in Amerika al lange tijd volle zalen. Dat geeft de burger moed.

W. WIELEK-BERG

NAAR EEN NIEUW TIJDVAK

Het toneel, dat Genève biedt, is in overeenstemming met het belang van de besprekingen. Voor het eerst sinds Potsdam, nu tien jaar geleden, zijn de regeringsleiders der grote mogendheden bijeengekomen. Het verschil met Potsdam is, dat nu ook Frankrijk weer aanwezig is. In hun gevolg bevinden zich vele honderden medewerkers en adviseurs. Zij worden omzwermd door een leger journalisten.

Het is nu Dinsdagavond. Over de resultaten van de conferentie is dus nog weinig te zeggen. De stemming is goed. De standpunten zijn bepaald. Maar of deze standpunten nu ook nader tot elkaar kunnen worden gebracht, valt vooralsnog zeer te betwijfelen.

Hoezeer iedereen in de wereld ook uitziet naar eventuele resultaten, toch zijn deze op dit moment nog minder belangrijk dan dat „ernaar uitzien” zelf. Wat dat aangaat kunnen wij constateren, dat er in het laatste jaar oneindig veel veranderd is. De mensen beseffen nu, in het tiende vredesjaar, dat een nieuwe oorlog wegens zijn vrijwel algehele vernietigingsresultaten tot de onmogelijkheden behoort.

Vandaar die verwachting en die hoop. Er is immers geen alternatief. Vandaar ook die goede wil van Eisenhower, die onwennig aandoende jovialiteit van de Russische leiders, de beminnelijkheid van Eden en Faure. Zij moeten wel!

De conferentie van Genève is de erkenning van het feit, dat de volken een weg moeten zoeken naar betere verhoudingen. Een erkenning ook van de onmogelijkheid deze betere verstandhouding te vinden, wanneer de koude oorlog voortduurt.

Deze erkenning geeft dus reeds voluit de waarde van de conferentie aan. Het is een daad, die al zou het voorlopig daar enkel maar bij blijven op zich zelf reeds het begin betekent van een nieuwe periode in de geschiedenis. Want hoe de ontwikkeling ook in concreto zal zijn, aan het besef, dat er noodgedwongen een redelijke samenleving tussen de volken tot stand moet komen, zal geen enkele staatsman zich meer kunnen onttrekken. Dit besef is, ondanks de ketterjacht aan beide zijden van de Oceaan, blijkens het overweldigende meeleven gemeengoed geworden bij het publiek. Het is een van die merkwaardige voorbeelden, hoe plotseling de openbare mening rijp wordt voor een nieuwe koers.

Tegen deze achtergrond zijn de vele speculaties, waarop wij door alle mogelijke (en onmogelijke!) kranten zijn vergast, nog al betrekkelijk geworden. Het is niet actueel meer de vraag te stellen, of de Russische leiders zich zwak voelen. Zij zullen stellig niet zwakker zijn dan een jaar geleden, maar even stellig zijn zij in een atoomoorlog even kwetsbaar als hun Amerikaanse

tegenstanders. Zo min als Eisenhower naar Genève is gekomen om te tonen hoe sterk het westen is geworden, zo min zijn de Russen er met hun opmerkelijk grote delegatie heen gegaan om te proberen hun zwakte te maskeren.

Wat van belang is, zijn naar mijn mening de volgende punten, die in de komende jaren wel regelmatig aan de orde zullen komen:

1. Hoe wordt er voor Oost en West een situatie geschapen, waarbij zij beiden zich, militair gesproken, veilig kunnen voelen.

2. Hoe wordt een oplossing gevonden voor de kleinere twistpunten in de wereld, opdat deze ons ten slotte niet toch in een nieuwe oorlog zullen meesleuren.

3. Hoe voorziet de wereld in de behoeften van de minder ontwikkelde gebieden, opdat deze op harmonische wijze een plaats krijgen in de samenleving zonder te grote risico’s voor allen.

Aan punt 1 wordt al hard gewerkt. Er zijn reeds verschillende voorstellen gedaan om tot een aanvaardbaar controlesysteem te komen voor de atomaire bewapening. Punt 3 hangt daarmee samen, want waarschijnlijk zal de atoomsplitsing de energie moeten verschaffen om de onontwikkelde delen van de wereld tot bloei te brengen. Punt 2 omvat zaken van kleinere politiek, die juist daarom zo moeilijk zijn. Een kwestie als de hereniging van Duitsland, de regeling van hét Indo-Chinese geschil, de uiteindelijke regeling van de Koreaanse zaak (om er maar enige te noemen), raken zoveel directe en tegenstrijdige belangen, dat de regeling ervan veel tijd zal vergen.

MARTY EN ZIJN MOEDER (uit de film „Marty")

Het gaat nu eenmaal niet aan om voor deze zaken snelle oplossingen te zoeken, waarmee dan wel het belang van de wereldvrede gediend wordt, maar waardoor de belangen van de direct betrokkenen in de waagschaal worden gesteld. Anders gezegd: over deze zaken kan geen koehandel worden gevoerd. Zij zullen, ondanks hun ingewikkeldheid, op den duur tot een werkelijke, voor alle partijen bevredigende oplossing moeten worden gebracht.

De grootste moeilijkheid van vandaag is, dat men kennelijk niet weet waar te beginnen. Om het wederzijdse vertrouwen te winnen moet men concessies doen. Voor concessies is echter wederzijds vertrouwen nodig. Toch behoeven we naar mijn stellige overtuiging niet somber te zijn over dit dilemma. Er zal een oplossing voor komen, omdat er een door alle partijen erkende, nuchtere reden voor is. Daarover ontstaat minder gauw twist dan bijv. over tegenstrijdige idealen.

H. VAN VEEN