is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 34, 03-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gmtnofoonplaien^ recensies

Symfonische muziek

Laat u door de titel niet af schrikken! Ik weet wel, dat menigeen de knop van het radiotoestel omdraait wanneer er een symfonie wordt aangekondigd, maar dat is een misplaatste vrees. Wanneer men zou aankondigen een goed uit de kluiten gewassen ouverture, dan liet menigeen het station aanstaan en luisterde waarschijnlijk met genoegen.

En naar dezelfde muziek!

Want in feite is de symfonie een zelfstandig geworden ouverture, d.w.z. orkestrale inleiding tot een opera.

Allerlei omstandigheden hebben ertoe medegewerkt dat deze ouvertures een eigen leven gingen leiden. De kerkmuziek had een zekere rijpheid van vorm bereikt, zodat daar voor nieuwe experimenten geen plaats bleek. De hof- en volksopera hadden een geweldige aantrekkingskracht op de mensen, maar het orkest bleef een tweede rol spelen. Het is de behoefte der rijk geworden burgers aan muzikale verstrooiing die aan de componisten de gelegenheid bood om, zonder daarop volgende opera, een sinfonia, een samenklinken van stemmen en instrumenten te ontwerpen.

Lang wordt het oorspronkelijk patroon van de opera-ouverture, naar het land van herkomst ook wel de Italiaanse ouverture genoemd, vastgehouden: een snel deel, een langzaam, zangerig middenstuk, en een snel, dansachtig slotdeel.

Aanvankelijk noemen de opera-componisten hun zelfstandige werkjes voor orkest ook wel sonates, klinkende stukken. Over het algemeen echter waren de sonates stukken voor enkele, nogal zelfstandig en virtuoos opererende instrumenten, de ouvertures stukken van breder allure voor vol orkest. Overigens stelle men zich daarbij niet meer dan een kamerorkest voor! Van onze moderne orkesten had men zelfs geen idee.

Cimarosa

De afkomst uit de operasfeer kan een kind horen in de sonates van Domenico Cimarosa (1749—1801) een groot opera-componist uit de Napelse school; toén hét oord van de opera. Enghartig ten aanzien van de instrumentale bezetting was men in die tijd niet. Op welke instrumenten men de muziek speelde deed er weinig toe. Ook Bach bewerkte met smaak orkestconcerten van Vivaldi voor orgel! Wanneer Arthur Benjamin in de 20e eeuw zo’n sonate van Cimarosa voor kamerorkest en hobosolo meent te moeten bewerken, beleeft de auteur er geen onrustige nacht in z’n graf door. Mijn enige bezwaar er tegen is, dat het wat machtig is geworden, waardoor het een gewicht krijgt die niet by Cimarosa past. De hobo-solo wordt gespeeld

door een fameus hoboïst Mitchell Miller, die af en toe wat slordig is voor wie scherpe oren heeft. Het geheel is een feestelijk muziekje geworden, waarvan men met een glimlach genieten kan. De uitvoering door een kamerorkest 0.1. v. Daniël Saidenberg is voortreffelijk en de opname d.w.z. de kwaliteit van de plaat is dat ook. Alleen u moet een goede pick-up bezitten, die de hoge tonen doorgeeft. Oudere platenspelers zijn voor dit merk minder geschikt.

(Mercury classics. EP 1 5005, 45 toeren. Mitchell Miller hobo. Saidenberg kamerorkest 0.1. v. Daniël Saidenberg).

Mozart

Aan de ontwikkeling van de ouverture tot „de symfonie” hebben o.a. enkele begaafde zonen van de oude Bach belangrijk bijgedragen. Kostelijke werken hebben zij geschreven, die ook nu nog een verrukking voor oor en geest beide zijn. In de Duitse stad Mannheim heeft een school van componisten rond Johann Stamitz (1717—1757) er een stukje tussengebreid nl. tussen langzaam middendeel en slot een statig, sierlijk menuet. Gegeven het prachtige orkest daar, ontwikkelde men tevens de kunst om de muzikale volzinnen over verschillende instrumenten te verdelen. Waardoor men een kostelijk spel van overnemen, elkaar versterken en opjagen en van kostelijke klanktegenstellingen kreeg.

Als kind reeds blijkt Wolfgang Amadeus Mozart (1756—1791) van deze techniek veel geleerd te hebben. Op zijn achtste jaar beheerst hij het vak, op zijn twaalfde schrijft hij zijn 10e symfonie een klein meesterwerkje, dat men helaas zelden hoort. Zestien jaar oud 14e symfonie hanteert hij uitermate virtuoos dit symfonische spel van blaas- en strijkinstrumenten. Gerijpt en dus verdiept, tegelijk echter de spelende mens gebleven, schrijft hij zijn 27e (K.V. 199) en zijn 30e symfonie (K.V. 202).

Deze 27e symfonie is een kostelijk staaltje rococomuziek. Een sierlijk afwisselend gebruik van instrumenten: fluiten, hoorns en strijkorkest. Welk een rijpheid van geest bezat deze mens om zo wonderlijk zuiver en natuurlijk én vreugde én weemoed te kunnen uitzingen. In de normale programma’s hoort men deze symfonie haast nooit. Dank zij de gramofoonplaat kunt u ervan genieten.

De andere kant van de plaat bevat een nog speelser werk: de 30e symfonie. Met een zangerigheid die diep ontroert wordt het menselijk bestaan hier als spel, als dans geïnterpreteerd: de mens spelend voor God.

Beide symfonieën zijn voortreffelijk gespeeld door het Bambergse symfonie-orkest 0.1. v. Georg Ludwig Jochum. De opname is goed, doch wat dof van klank. Met enig manipuleren van de toonregelaar hoge tonen wat afdempen krijgt men echter een goed resultaat. Werkjes om telkens weer te draaien én er intens van te genieten. (Editions de L’oiseau-Lyre, London. O.L. 50039. Prys ƒ22,—, 33 toeren.)

Een juweeltje van muziek is het kleine motet voor sopraan en orkest „Exsultate, jubilate” (K.V. 165). Dat de jonge Mozart, hij zal een jaar of 15 oud zyn geweest, hier geen diepzinnig godsdienstige vervoering heeft weten op te brengen, wie zal het hem euvel duiden. Diep beïnvloed door de Italiaanse opera schrijft hij op een religieuze tekst een verrukkelijk, driedelig motet. Men hoort het werk weinig, want het eist een grote virtuositeit van de coloratuursopraan. De uitvoering door Maria Stader en het RIAS-symfonie-orkest van Beriyn 0.1. v. Ferenc Fricsay voldoet aan de hoogste eisen; lichtvoetig, prachtig uitgebalanceerd en zo gaaf, dat men vergeet hoe moeilijk het werkje te raliseren is, met name de coloraturen op het „Amen”. De technische weergave op een 45 toerenplaat van de Deutsche Grammophon Gesellschaft is fabelachtig goed: vrijwel geen ruis, en een volmaakte doorzichtigheid van klank. Voor nog geen tien gulden kunt u zich deze vreugde aanmeten. (D.G.G. 30082 E.P.L., 45 toeren.)

Schubert

Van Mozart naar Schubert is kleiner stap dan het in de tijd lijkt. Beiden Oostenrijkers, hebben zij veel gemeen. De jonge Schubert, vroeg-rijp als Mozart, schryft muziek, waaronder symfonieën, die een voortzetting van Mozart lykt. Beluister byvoorbeeld zyn stralende 5e symfonie, geschreven voor kamerorkest: ge hoort en proeft overal Mozart. Dezelfde verrukkeiyke vaart, hetzelfde evenwicht tussen melodieën, wat weemoedige zangerigheid en speelse gratie. Een bruisend en briljant allegro, gevolgd door een wonderiyk schoon andante con moto. Hier opeens merkt gy by de inzet der houtblazers in de romantiek te zyn. Een menuet stuift voorby, een rondo, meesteriyk ontwikkeld en geïnstrumenteerd, rondt de.ze feesteiyke muziek af. Aan de andere zyde van de plaat vindt u een meesterlijke vertolking van Schuberts 8e symfonie, de zgn. onvoltooide. Speel beide symfonieën nu eens na elkaar en verdiep u eens in de wonderbaariyke ryping van deze mens! Beide symfonieën zyn door Oostenrykers gespeeld, nl. het oude, beroemde Weens Philharmonisch orkest. Een vertolking die ik zonder aarzeling meesteriyk waag te noemen.

Wie de toon van de celli eens van dit orkest heeft gehoord, herkent die onmiddellijk aan hun navrante doorzichtigheid. In Schuberts 8e kunt u er voluit van genieten. Ook de hout- en koper-blazers, die in dit werk soms lelijk kunnen uitglijden, zijn uitstekend. Kortom een voortreffelijke uitvoering en een uitstekende weergave, alles licht en teer, en ook waar het volle orkest fortissimo speelt een warme, doorzichtige klank. Alles met het tikje weemoed, dat aan Schuberts muziek de diepe menselijke waarde verleent. Technisch een goede plaat, hier en daar wat ruis. (Fr. Schubert, Symfonieën 5 en 8, Weens Philharmonisch orkest, 0.1. v. Kar! Bbhm. Decca. LXT 2998, 33 toeren, ƒ22,—). Wees er gelukkig mee zoals ik.

A. VAN BIEMEN

AANKONDIGINGEN

Kerk en Vrede houdt haar jaarlijkse landelijke conferentie op Zaterdag 24 en Zondag 25 September a.s. in Amsterdam, onder leiding van haar voorzitter prof. dr. J. de Graaf, Utrecht.

Op het programma staan inleidingen van ds. J. J. Buskes „Rassenprobleem in Afrika”, ds. J. B. Th. Hugenholtz „Intern, hulpwerk”, prof. dr. J. de Graaf „Rusland”, ds. W. Knoppers „Jongerenwerk”, dr. M. van der Voet „Blijvende opdracht”. Op Zaterdagavond is er een openbare bijeenkomst, waar dr. Martin Niemöller spreekt over ~Duitsland tussen Oost en West”. Deze openbare bijeenkomst vindt plaats in het Gebouw der Vrije Gemeente om 8 uur.

De overige zittingen in het Instituut voor de Tropen.

Ook belangstellende niet-leden kunnen deze conferentie bijwonen. Voor nadere inlichtingen wende men zich tot het secretariaat van Kerk en Vrede, Argonautenstraat 37, Amsterdam-Z., Tel. 94241.

Najaarsretraiten 1955 Ned. Herv. Kerk

Voor degenen, die dit jaar nog niet aan een retraite hebben deelgenomen, maken wij bekend, dat de retraite van 23—26 Sept. onder leiding van ds. A. F. L. van Dijk op de Hoorneboeg is volgeboekt en dat de volgende retraites nog open staan: 30 Sept.—2 Oct. te- Oosterhesselen (Dr.), leider ds. A. Hoekstra Ressen (Bet.) en ds. F. v. d. Heyden. Lippenhuizen (Fr.). 28—31 Oct. te Hilversum Hoorneboeg voor Amsterdam en anderen, leiders ds. A. Th. Stegenga en ds. A. Dönszelmann. 4—6 Nov. te Kortehemmen (Fr.) leiders ds. A. Boelens (Fr.) en ds. H. Kreb (Fr.). 12—14 Nov. Hoorneboeg, leider ds. W. Plug, Hattem. De prijs voor de Friese retraite bedraagt ƒ 12,— voor de Drentse ƒ 12,50, voor de overige ƒ 13,50. Men geve zich zo spoedig mogelijk op bij ds. A. F. L. van Dijk te Purmerend.

Men vrage de brochure aan: „Ik ga in retraite”.

LEESTAFELNIEUWS

In aansluiting bij ons artikel volgt hier de bespreking van enkele der laatste werken van Jung, die in het Nederlands vertaald zijn: C. G. Jung: De symboliek van de geest vertaald door dr. E. Camerling, uitgave L. J. Veen’s uitgeversmaatschappij, Amsterdam z.j. (1955), 361 blz., ƒ19,90.

Dit boek is een uitstekend voorbeeld van de methode van Jung en van zijn medestanders. (Een der hoofdstukken is dan ook geschreven door een leerling, dr. Scharf). De twee eerste hoofdstukken, onderling sterk verwant, tonen ons allereerst symbolen van het archetype geest en hoe dit archetype, zich voordoend als mens en dier, geleidelijk uit het bewustzijn verdreven wordt (I), vervolgens wordt gezocht wat er schuilt achter de god Mercurius en de alchemie van het kwikzilver, waar het archetype zinspeelt op zegen en ramp der individuatie en dus ook der ongescheiden eenheid van bewuste en onbewuste kennis (II), vervolgens onderzoekt dr. Scharf de gestalte van Satan in het Oude Testament (III), terwijl het vierde hoofdstuk, wederom van de hand van Jung, een psychologische interpretatie geeft van het dogma der Drie-eenheid, waarbij hij uitvoerig stilstaat bij de voor-Christelijke parallellen en de relaties onderzoekt tussen de heilige getallen drie en vier (waarom voor de vierde noch Maria noch de duivel in aanmerking komt?) (IV), terwijl hij ten slotte een Yoga-tekst uitlegt, die op Oosterse wijze hetzelfde schijnt te leren over de wijsheid van het collectief onbewuste als Jung (V). Telkens speurt de schr. weer met grote scherpzinnigheid naar verborgen rationele samenhangen in schijnbaar irrationele gegevens. De manier waarop hij deze gegevens verzamelt, maakt een critisch lezer wel eens kopschuw: er is meer gelijkend, dan eender; de goddelijke drieheid der EgjT>tenaren is anders dan de Christelijke Drie-eenheid. Jung heeft gelijk, dat voor hem als psycholoog de godsdienst een psychisch verschijnsel is, de vraag is maar of het niet meer is. De vraag is ook, of, wanneer Jung bewijst, dat de leer der Drie-eenheid ontspringt aan de wereld der archetypen, hij juist niet te veel bewijst. Dat Jung geen theoloog is, merkt men voortdurend en het wreekt zich bij het hanteren der teksten. Kortom een suggestief boek, maar m.i. allesbehalve overtuigend, zelfs als men de wereld der archetypen hoger aanslaat dan een nog lang niet bewezen hypothese.

De vertaling is goed, maar niet vlekkeloos. Ergerlijk is C.a. het misbruik van wat i.p.v. dat. Een fout vertaalde tekst van Augustinus (blz. 105) gaat wellicht terug tot de schrijver. C. G. Jung: Psychologie en godsdienst, vertaald door dr. E. Camerling, uitgave L. J. Veen, Amsterdam z.j., 151 blz., ƒ 6,50.

In deze studie ontmoet men in meer beknopte vorm en minder duidelijk al deze opvattingen van Jung over godsdienst, die we ook uit het bovengenoemde boek leerden. In de grond is bij de schr. de religie een gezond-makende droom, die ons het collectief-onbewuste symbolisch bewust maakt en zo tot de gaafheid van ons zielsleven bijdraagt. Verbluffende overeenkomsten tussen dromen van pshychisch-gestoorden en teksten van alchemisten, kerkvaders en meestal obscure theologen moeten deze samenhangen aannemelijk maken. Men treft in dit boek enkele fraaie opmerkingen aan over het verschil Rooms-Katholiek en Protestant, ook gedachten over het archetype God. die te denken geven. Ook wie door Jung niet overtuigd wordt, leert veel bij hem. De vertaling is goed, maar het is duister in te zien, waarom een boek uit het Duits vertaald, lange en moeilijke citaten uit het Latijn onvertaald laat.

C. G. Jung en R. Wilhelm: Het geheim van de gouden bloem. Een Chinees levensboek, vertaald door J. M. Hondius, uitgave L. J. Veen, Amiterdam z.j., 158 blz., ƒ10.90.

Een Chinese Yoga-tekst van ascetische en mystieke strekking wordt de lezer hier aangeboden. Jung toont overduidelijk aan, dat zijn lering parallel loopt met de strekking van het aloude Chinese tractaat. Verrassend is hoe hier in een Taoïstische tekst alchemistische elementen ter verduidelijking strekken van ideeënreeksen, die Jung aan het collectiefonbewuste, de oude Chinezen aan een verborgen wijsheid toeschrijven. Ettelijke fraaie mandala’s illustreren de tekst. J. G. B.

Druk S.V. D« Arbelderspera