Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8°. die van den interveniënt N. van Aken, van den 4 Aug. 1870: zoo verklaart de procureur des interveniënts van Aken bij zijne vroeger, namens dien cliënt genomene conclusie te volharden;

9°. die van de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay, van den 11 Aug. 1870: het moge der Regtbank behagen, hem acte te verleenen van de verklaring van gegeven volmagt door mevr. J. Crahay aan haren broeder Ch. van Melsen, om namens haar voor den heer van Akeri tot een accoord toe te tredeu ; verder de gedane oppositie te verklaren nietig en ongeldig, cum expensis;

10». die van de gefailleerden M. en A. Crahay, van den 11 Aug. 1870 : het moge der Regtbank behagen de opposanten te verklaren niet-ontvankelijk en ongegrond in hunne vraag tot getuigenverhoor; Gehoord de pleidooijen:

Gehoord het Openb. Min. bij monde van den subst.-officier van justitie, concluderende, dat het der Regtbank behage acte te verleenen, waarvan acte is gevraagd , aan de opposanten , interveniënten van Aken de geopposeerden curators en interveniente J. van Melsen ; voorts , passerende het aangeboden getuigen bewijs en de subsidiaire conclusie der geopposeerden , interveniënten , gefailleerden en echtgenooten, het verzet der interveniënten gegrond te verklaren, de homologatie'van het aangeboden accoord te weigeren, en de geopposeerden te veroordeelen in de kosten;

Overwegende, wat de daadzaken en de gevoerde procedure betreft, dat, bij vonnis dezer Regtbank van den 4 Nov. 1869, is uitgesproken het faillissement van M. Crahay en A. Crahay, handel gedreven hebbende in bankzaken, onder de firma Gebr. Crahay, en fabrikanten in laken , onder de firma Crahay en Comp., met benoeming van de heeren Mrs- Tripels en Swart, advokaten, en H. C. Bruis, bankier, allen te Maastricht wonende, tot curators; dat in den loop der nadere, onder voorzitting van den regter-commissaris op den 15 Febr. 1870 aangevangene, en op den 9 Maart daaropvolgende geslotene vergadering der schuldeischers tot verificatie der schuldvorderingen, en wel op den 22 Febr. , door de gefailleerden en derzelver echtgenooten is aangeboden een accoord, gedagteekend 20 Febr. 1870, van den volgenden inhoud:

//De ondergeteekenden M. Crahay en A. Crahay, vroeger bankiers en lakenfabrikanten te Maastricht, stellen aan alle hunne schuldeischers, met uitzondering der pand- of hypotheek hebbende, het navolgende accoord voor:

»'iinnen de drie maanden, nadat het vonnis, waarbij dit accoord, ingeval van aanneming, gehomologeerd wordt, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, belooven en verpligten zij zich om aan alle hunne chyrographaire schuldeischers te betalen 25 pet. hunner schuldvorderingen.

"Ingeval van aanneming van het accoord doen de echtgenooten M.

en A. Crahay afstand van alle de vorderingen, waarvoor zij persoonlijk

in het faillissement zijn opgekomen.

//De curators zullen ook ingeval van aanneming van dit accoord het bezit der goederen van de gefailleerde massa's blijven behouden , en worden nu en voor alsdan onherroepelijk gemagtigd om de vereffening van den boedel te bewerkstelligen, alle zoo roerende als onroerende goederen tot gereed geld te brengen, en uit de opbrengst der hierboven bedoelde 25 pet. der chyrographaire schuldvorderingen aan de regthebbenden uit te betalen;»

dat de beraadslagingen en stemmingen over dit accoord, nadat het in de vergadering van den 3 Maart door eene op het proces-verbaal van den regter-commissaris vermelde, en door Mr. yan Melsen, den gemagtigde van de gefailleerden , onderteekende verklaring , luidende:» De ondergeteekende verklaart, dat in het aangeboden accoord is opgesloten , dat de percenten slechts zijn enuntiatief en als minimum opgegeven, en het meerdere der opbrengst mede aan de crediteuren zal worden uitgekeerd, waarvoor hij zich sterk maakt,» was aangevuld,— hebben plaats gehad in de vergaderingen van den 3, 8 en 9 Maart; dat, blijkens zoo evengemeld proces-verbaal, in het aangeboden accoord hebben toegestemd 238 schuldeischers, vertegenwoordigende een bedrag van ƒ336,857.28, aan niet-bevoorregte, door geen pand gedekte noch hypothecaire schuldvorderingen, waaronder onder n'. 23 de interveniënt N. van Aken, schuldeischer van den gefailleerde A. Crahay, in eigen naam voor eene som van ƒ40,000, voor welken door den interveniënt Ch. van Melsen, bewerende diens gemagtigde te zijn, in het accoord was toegestemd, en onder n". 99 de wed. Delhay, geb. Gavet, schuldeischeres van den gefailleerde M. Crahay in eigen naam voor eene som van /' 23.30 , voor welke som zij op het proces-verbaal van verificatie onder n°. 161 had gevraagd bevoorregt te zijn, als zoodanig op de lijst der erkende schuldeischers ónder datzelfde nummer was opgeteekend; dat het getal op de lijst der erkende schuldeischers opgeteekende niet bevoorregte, niet pand bezittende en niet hypothecaire schuldeischers zijnde (zonder de zoo evengenoenide wed. Delhay, geb. Gavet), 346, vertegenwoordigende aan niet-bevoorregte, door geen pand gedekte, noch hypothecaire schuldvorderingen, een bedrag van f 425,849.04, op het proces-verbaal van den regter-commissaris de uitslag der stemming over het accoord is beschouwd als geleid hebbende tot aanneming van hetzelve ; dat de eischers Hupkens en consorten (procureur Haex), bij j exploit van den deurwaarder Regnier, te Maastricht, van den 17 Maart 1870, beteekend aan de curators en de gefailleerden, en van welk exploit een afschrift ter griffie dezer Regtbank is neêrgelegd, hebben verklaard zich te verzetten tegen de homologatie van het accoord; dat door den regter-commissaris, bij bevelschrift van den 18 Maart 1870, dag bepaald zijnde op 2 April 1870, waarop door hem over het verzet aan de Regtbank rapport zou worden gedaan,— de curators, bij exploit van den deurwaarder van Engelshoven van den 23 Maart 1870, dat bevelschrift aan de eischers Hupker.s en consorten (procureur Haex) en aan de gefailleerden hebben doen beteekenen; dat ten bepaalden age oor den regter-commissaris rapport is uitgebragt; dat op dien ag en opvo gentie dagen , ter behandeling van dit geding bepaald , zijn opgetreden de eischers Hupkens en consorten (procureur Haex), de curators, de gefailleerden en derzelver echtgenooten, en de partijen N. van Aken, C. van Melsen en de firma E L. Ansiaux-Rutten en Comp., en door hen is geconcludeerd, zoo als in het hoofd dezes staat overgeschreven; dat ter teregtzitting yan den 7 April aan de procureurs van Melsen en V\ eygers is acte verleend van hunne verklaringen, houdende, dat eerstgemelde ophoudt in regten te staan voor de gefailleerden , en dat de tweede genoemde voor deze laatsten in regten optreedt; dat, bij vonnis dezer Regtbank van den 11 April 18 70, waarbij de uitspraak over de kosten is gereserveerd, de eischers, firma Lamboray en Houberi, M. Vervier, G. Leke, J. B. Roland en firma Clerdent ®n Burgers (procureur H aex:, ten opzigte der gefailleerden zijn veroordeeld tot het stellen eener zekerheid van f 150, voor de betaling er kosten en der schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden; dat de curator Bruis, op zijn verzoek, bij beschikklQg dezer Regtbank van den 13 Julij 1870, als curator ontslagen, en t(JJ' zijner vervanging, bij diezelfde beschikking, tot curator aangesteld zijnde de heer A. Bonhomme , ter teregtzitting dezer Regtbank van ei\ '• i Aug. is70, de zaak is hervat op de laatste dingtalen;

O., dat de gronden, waarop de eischers Hupkens en consorten (procureur Haex) , bij het exploit van verzet, in hunne conclusie in et hoofd dezes onder n . 1 vermeld, zich tegen de homologatie van iet accoord verzetten , zijn :

«. dat, in de vergadering der schuldeischers van 3 Maart 1870 , al aanwezige schuldeischers hunne stem hadden uitgebragt, en dat sein lT™ zfk?r n*et door drie vierden der aanwezigen , de helft der u vorderingen vertegenwoordigende, in het accoord hadden bewil¬

ligd ; dat dit eveneens het geval is geweest in de :vergadering. van S Maart 1870; dat alzoo geen grond bestond om de vergadering tot 8 en tot 9 Maart uit te stellen ;

b. dat, om na de vergadering van 3 Maart de vereischte meerderheid te bekomen , de gemagtigden der gefailleerden of liever hunner familie aan talrijke crediteuren hebben doen gelooven , dat bij het accoord 25 pet. geguarandeerd waren, en zich jegens verschillende groote crediteuren tot betaling van belangrijke sommen buiten het accoord hebben verbonden, onder anderen jegens den heer J. J. Smits, te Maastricht, tot betaling van 20,000 franken; en dat deze en meer andere deloyale handelingen het gevolg hebben gehad , dat de voornoemde crediteuren tot het accoord zijn toegetreden, niet omdat zij dit in het voordeel der schuldeischers achtten, maar omdat zij op indirecte wijze gedesinteresseerd waren ;

c. dat het accoord geenerlei zekerheid aanbiedt, zelfs niet in de aan de curators gegeven onherroepelijke volmagt, omdat deze door de gefailleerden kan herroepen worden •

d. dat het belangrijk en onverklaarbaar deficit, de geconstateerde kwade trouw der gefailleerden en de bedriegelijke handelingen, die kort vóór het faillissement tot hunne arrestatie hebben geleid, de staat hunner boeken , hunne voortvlugtigheid , — het vermoeden doen ontstaan , dat de gefailleerden verborgen middelen bezitten , die tot het verkleinen der massa hebben bijgedragen ;

dat de onder a. vermelde grond van verzet tegen de homologatie door de curators bij hunne conclusie, in het hoofd dezes onder n°. 2 overgeschreven, is betwist, als zoude hij feitelijk en regtskundig onjuist zijn , daar noch in de vergadering van den 3 , noch in die van den 8, de stemming over het accoord zou zijn afgeloopen geweest;

dat door de gefailleerden bij hunne in het iioofd dezes onder n°. 5 overgeschrevene conclusie mede is betwist de hiervoor onder a. vermelde grond door de bewering, dat alle formaliteiten om tot een wettig accoord te treden zijn in acht genomen;

dat de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay, bij hare conclusie, in het hoofd dezes onder n°. 9 overgeschreven, het verzet tegen de homologatie van het accoord heeft betwist, op grond, dat het niet zou zijn gengt tegen den persoon, in wiens naam de heer Ch. van Melsen gehandeld heeft, en zulks op grond, dat de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay, behoorlijk daartoe gemagtigd, haren broedei Ch. van Melsen gemagtigd had om voor hare belangen te waken ter gelegenheid van het aangeboden concordaat, en zoowel uit art. 1393, als uit art. 1830 B. W., duidelijk volgt, dat de heer Ch. van A) eisen is opgetreden als gemagtigde zijner zuster, Mevr. J. Crahay, die bij deze herhaaldelijk en uitdrukkelijk verklaart last gegeven te hebben aan den heer Ch. van Melsen om, namens haar, voor den heer van Aken tot een accoord toe te treden;

dat de eischers Hupkens en consorten tegen dit een en ander , bij hunne in het hoofd dezes onder nJ. 7 overgeschrevene conclusie, daadzaken in facto „ero hebben gesteld , en voorts hebben gewezen op de omstant ïgheid, dat de onder 6, c en d vermelde gronden niet zijn tegengesproken; en

dat de gefailleerden de vordering van de eischers Hupkens en consorten om toegelaten te worden tot de door hen in fado vero gestelde daadzaken bij hunne in het hoofd dezes onder n'. 10 overgeschrevene conclusie hebben betwist, op grond, dat het proces-verbaal van den regter-commissaris is eene authentieke acte, dat die acte waar is, zoolang dezelve niet van valschheid is aangerand, en buiten den inhoud eener authentieke acte geen bewijs door getuigen kan geleverd worden ;

0., dat de interveniënt van Aken tot staving zijner in het hoofd dezes, onder n». 2 , overgeschrevene conclusie heeft aangevoerd: dat hij ten stelligste betwist aan den heer C. van Melsen magt te hebben gegeven om voor hem voor het accoord te stemmen, maar zelfs uitdrukkelijk heeft geweigerd hem die magt te verleenen; dat door geene der partijen deze betwisting is weêrsproken en bepaald niet door de gefailleerden, hunne echtgenooten of de partij C. van Melsen uit wier beweringen bij hunne in het hoofd dezes, onder n°. 5 6 en 9, vermelde conclusiën volgt, dat de partij Ch. van Melsen zijne magt om namens de partij van Aken voor het accoord te stemmen zou hebben ontleend aan de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay en zulks op grond, dat, als door deze de partij van Aken werd voldaan hetgeen hij te vorderen heeft, zij ipso jure in diens regten zou treden; dat daartegen door de partij van Aken bij zijne in het hoofd dezes overgeschrevene conclusie is ingebragt, dat de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay tijdens de stemming over het accoord niet was geverifieerd , en de partij Ch. van Melsen niet voor haar maar voor hem gestemd heeft;

0., dat de door de partij firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp., bij hare in het hoofd dezes, onder n°. 4, overgeschrevene conclusie, is aangevoerd:

a. dat, ten gevolge van het desaveu van de partij van Melsen door de partij van Aken, deze laatste niet in het aangeboden accoord heeft toegestemd; dat mitsdien de som van f 40,000, waarvoor hij is geverifieerd, moet afgetrokken worden van de som der toetredende crediteuren, en ten gevolge daarvan de vereischte drie vierden of twee derden der niet bevoorregte, door geen pand gedekte, noch hypothecaire schuldvorderingen niet aanwezig zijn ;

■; 6. zich overigens heeft beroepen op de door de partij Hupkens en ; consorten bijgebragte gronden; en

I c. ten slotte heeft doen gelden , dat er inderdaad vier failliete boej dels zijn ; dat de schuldeischers van ieder der boedels die van ieder , der andere boedels niet tot aanneming van het accoord kunnen binden, en dat niet is geconstateerd, of in ieder der verschillende boedels de bij de wet vereischte meerderheid van schuldeischers aanwezig was ;

dat hiertegen door de gefailleerden bij hunne in het hoofd dezes, Onder n». 5 , vermelde conclusie is aangevoerd:

! a. dat de partij firma E. L. Ansiaux-Kutten en Comp. is hypothej caire schuldeischer en alzoo niet geregtigd om voor of tegen de aanj neming van het accoord te stemmen; en

1 b. dat het beweren dier partij , dat er vier failliete boedels zouden zijn, niet kan opgaan, omdat die vier zoogenaamde boedels zoodanig met elkaar verbonden zijn, dat zij e'én onsplitsbaar geheel uitmaken;

Wat het regt betreft:

0., dat de eigendommen en schuldvorderingen eener vennootschap van koophandel onder eene firma vormen een vermogen of boedel , afgescheiden van dien der vennooten;

0., dat de failliet-verklaring van eene vennootschap van koophandel onder eene firma van regtswege ten gevolge heeft het in staat van faillissement geraken van eiken hoofdelijk voor het geheel verbondenen vennoot;

0., dat bij voormeld vonnis dezer Regtbank van 4 Nov. 1869 zijn verklaard in staat van faillissement te zijn de twee vennootschappen van koophandel, de eene handel in bankzaken gedreven hebbende, onder de firma Gebr. Crahay, en de andere fabrikant van laken, onder de firma Crahay en Comp.;

O., dat de gefailleerden M. en A. Crahay in ieder dier twee in : staat van faillissement verklaarde vennootschappen waren hoofdelijk | voor het geheel verbondene vennooten;

: .. (j-> da' er alzoo, ten gevolge van voormeld vonnis van 4 Nov. 1869, ; zijn vier van elkander afgescheiden failliete boedels; 1°. die van de : firma Gebr. Crahay, 2". die van de firma Crahay en Comp., 3°. die ; van den vennoot M. Crahay en 4". die van den vennoot A. Crahay; j O., wat betreft de betwisting van het verzet tegen het accoord door ■ de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay, daarop gegrond, dat

I

accoord hebben verbonden, onder anderen jegens den heer J. J. Smits,

noemde crediteuren tot het accoord zijn toegetreden, niet omdat zij dit in het voordeel der schuldeischers achtten, maar omdat zij op

het verzet niet zou zijn gerigt tegen den persoon, in wiens naam de heer Ch. van Melsen gehandeld heeft,— dat, daargelaten de vraag, of, daar het hier raakt een faillissement, en alzoo eene zaak van openbare orde, de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay, welke wel heeft gevorderd om als schuldeischeres van haren man te worden geverifieerd, doch wier vordering, om als zoodanig toegelaten te worden, is betwist en op welke betwisting nog geene uitspraak is gedaan, — wel geregtigd is om zich iu het geding te voegen, de wijze, waarop het verzet tegen de homologatie van een aangeboden accoord moet gedaan worden, in art. 845 W. K. is omschreven ; dat het onderwerpelijk verzet op de bij dat artikel omschrevene wijze heeft plaats gehad, en dat mitsdien dit middel van niet-ootvankelijkheid is ongegrond;

Ó., wat betreft de bewering van de gefailleerden, dat de firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp. is hypothecair schuldeischer, en dat hij alzoo niet geregtigd zou zijn om voor of tegen de aanneming van het accoord te stemmen, — dat die firma is geverifieerd ten laste van den faillieten boedel firma Crahay en Comp. voor eene hoofdsom van f 57,759.50, en met opgave, dat zij tot zekerheid daarvan ten bedrage van f 5 7,000 hypotheek heeft op de lakenfabriek met toebehoor; dat mitsdien , zelfs al was die lakenfabriek eigendom van de gefailleerde firma Crahay en Comp., de firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp. slechts voor J 57,000 zou zijn hypothecair schuldeischer , doch voor de overige f 759.50 noch bevoorregt, noch pand bezittend, noch hypothecair schuldeischer; dat echter, als de lakenfabriek niet is het eigendom van den gefailleerden boedel firma Crahay en Comp., maar het onverdeeld gemeenschappelijk eigendom van de twee gefailleerden M. en A. Crahay, de firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp. in dat geval voor de geheele schuldvordering van f 57,759.50 concurrent schuldeischer is van den faillieten boedel firma Crahay en Comp.; dat daarenboven, ten gevolge der bepaling van art. 18 W. K., houdende, dat in vennootschappen onder eene firma elk der vennooten , wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk is, de firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp. in ieder der failliete boedels van de vennooten M. en A. Crahay is schuldeischer voor de vermelde som van f 57,759.50, en wel ingeval van gemeenschappelijk onverdeeld eigendom van ieder dier boedels op de lakenfabriek, in ieder derzelve hypothecair schuldeischer voor de helft van f 57,000 , alzoo voor f '28,500 , en voor het overige harer schuldvordering, alzoo voor ƒ 29,259.55, concurrent schuldeischer; en dat mitsdien ook dit middel van niet-ontvankelijkheid is ongegrond ;

O., dat vier, wat derzelver vereffening betreft, aan elkander geheel vreemd zijnde failliete boedels , aanwezig zijnde, het in den een of ander derzelven aanbieden van een accoord, en het aannemen of verwerpen daarvan in dien boedel geen invloed op deszelfs aanneming of verwerping in iederen anderen der gefailleerde boedels kan uitoefenen , maar dat het, met betrekking tot ieder der failliete boedels op zich zelve en afgescheiden van de andere failliete boedels, de vraag is, of in dien boedel een accoord aangeboden en aangenomen of verworpen is;

0., dat uit het door de gefailleerden aangeboden accoord niet blijkt, in welken der failliete boedels het is aangeboden; dat veeleer daaruit blijkt, dat het aan de vier gefailleerde boedels gezamenlijk , en met het doel om door dezen ook gezamenlijk te worden aangenomen of verworpen , is aangeboden, en wel zoo, dat eene in eenen of meer , maar niet alle dier boedels verkregene wettelijke meerderheid voor de aanneming, ook in eene of meer dier andere boedels bestaande meerderheid voor de verwerping, zoude binden tot aanneming, en dat alzoo het aangeboden accoord, al zou het zelfs al door znlk eene meerderheid zijn aangenomen, niet vatbaar is om te worden gehomologeerd ;

0., dat zelfs, al zou het aangeboden accoord kunnen worden beschouwd als te zijn aangeboden in ieder der afzonderlijke failliete boedels , afgescheiden van ieder der anderen derzelve (beschouwing , die trouwens wordt weêrsproken door de, in de onder n°. 5 , in het hoofd dezes vermelde conclusie door de gefailleerden vooruitgezette bewering, dat de vier zoogenaamde boedels zoodanig met elka&r zijn verbonden, dat zij een onsplitsbaar geheel uitmaken), dan nog het aangeboden accoord niet kan worden gehomologeerd, omdat geene de minste zekerheid bestaat, dat het zal worden nagekomen , daar toch de gefailleerden zeiven geen waarborg voor de daarbij' toegezegde 25 pet. opleveren , en geene eenigzins gegronde zekerheid bestaat, dat de goederen der failliete massa's die 25 pet. zullen opleveren; dat geen waarborg bestaat, dat de curators het bezit der goederen der massa's zullen blijven behouden, daar uit niets blijkt, dat zij de hun bij het accoord opgedragen volmagt tot vereffening hebben aangenomen of aannemen zullen, of dat die volmagt op de curators, als zij eens door hen zal zijn aangenomen, niet door de gefailleerden zal worden herroepen ;

O., dat, onder deze omstandigheden en bij het door de partij Ch. van -Melsen onderteekend zijn van het accoord onder bijvoeging der woorden: »namens den heer N. van Aken», zijne bekentenis, dat hij zijne magt om het accoord namens de partij van Aken aan te nemen, niet van dezen zeiven, maar vau de echtgenoote van den gefailleerde A. Crahay zou hebben ontleend , en het niet-bijbrengen door eenige der andere partijen van het bewijs, dat partij Ch. van Melsen door de partij van Aken is gemagtigd geweest om namens dezen het accoord aan te nemen of te onderteekenen , het onnoodig is te onderzoeken : 1". of na het wegvallen van de toestemming van de partij van Aken in het accoord wel in ieder der vier verschillende failliete boedels aanwezig is de wettelijke meerderheid, vereischt om hetzelve in ieder of eenigen derzelve als aangenomen te kunnen beschouwen ; 2". of de beraadslagingen over het accoord wettiglijk van den 3 op den 8 en van den 8 op den 9 Maart 1870 hebben kunnen uitgesteld worden; en 3». of de belangrijkheid en onverklaarbaarheid van het deficit en de andere daarbij ten nadeele der gefailleerden aangevoerde omstandigheden al of niet aan de homologatie van het accoord in den weg staan ;

O., dat, zelfs al zou het hiervoor overwogene, dat er vier van elkander afgescheidene failliete boedels zijn, niet kunnen opgaan en moeten aangenomen worden, dat er slechts eene enkele failliete massa bestaat, dan nog het accoord niet kan worden gehomologeerd, daar toch, blijkens het proces-verbaal van verificatie, het aantal der concurrente schuldeischers is 347

vertegenwoordigende een bedrag van concurrente schuldvorderingen van f 425,872.34

te verminderen evenwel met de bevoorregte schuldeischeres, weduwe Delhay, geboren Gadet,

en hare bevoorregte schuldvordering .... I 23.30

en daardoor terug te brengen tot concurrente schuldeischers en door hen vertegenwoordigde concurrente schuldvorderingen ad 346 f 425,849.04

waarvan tot aanneming van het aceoord vereischte wettelijke meerderheid is of twee derde der schuldeischers ad 231

en drie vierde der schuldvorderingen ad . . f 319,386.78

of drie vierde der schuldeischers ad . . . . 259

en twee derde der schuldvorderingen ad . . f 243,899.36

terwijl, volgens voormeld proces-verbaal, voor de aanneming van het accoord hebben gestemd,

i concurrente schuldeischers 235

vertegenwoordigende concurrente schulden, te

Sluiten