Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiendrecht op een onbekend tijdstip, doch zeker niet later dan in de 14de eeuw van den Heer van den Lande op hen moet zijn overgegaan of door dien Heer als hun wettig toekomend moet zijn erkend.

Onder „tienden" in het algemeen waren, volgens het oude Geldersche recht, ook begrepen krijtende tienden en in het bijzonder varkenstiend.

Het bewijsaanbod van den gedaagde, strekkende om zijne tiendvrijheid te bewijzen, als niet ter zake dienende en afdoende, afgewezen.

Al moge volgens oud-Geldersch tiendrecht het tiendplichtig goed speciaal verbonden zijn geweest voor ver schuldig den tiend, is zoodanige stilzwijgende hypotheek bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 vervallen.

1°. Z. D. H. Alexis, regeerend vorst van Bentheim-Steinfurt, resideerende te Burchsteinfurt; 2°. H. G. v. Brink, veerman te Batenburg, appellanten, procureur Mr. A. van der Goes,

tegen

G. Banken, landbouwer te Batenburg, ngeïtimeerde, procureur Mr. N. S. T. A. van Meurs.

Het Hof enz.,

Met betrekking tot de daadzaken en gevoerde procedures, zich vereenigende met en mitsdien overnemende hetgeen daaromtrent is overwogen bij het vonnis der Arrond.-Rechtbank te 'liel op 28 Oct. 1892 tusschen de appellanten als eischers en den geïntimeerde als gedaagde gewezen en voorts dienaangaande*.

Overwegende dat bij gemeld vonnis met voorbijgang van het door eischers en ged. respectievelijk aangeboden getuigenbewijs als niet ter zake dienende en afdoende aan de eischers hunne vordering is ontzegd en zij in de kosten van het geding zijn veroordeeld tot aan de uitspraak aan zijde des gedaagden begroot op f 134.37 ;

O. dat de appellanten zich met die uitspraak bezwaard achtende, daarvan tijdig in hooger beroep zijn gekomen bij dit Hof en bij hunne ter rolle genomen conclusie de juistheid der gevallen beslissing hebben bestreden en hunne bezwaren tegen de bij het vonnis aangevoerde gronden hebben ontwikkeld, onder overlegging alsnog van verscheiden stukken ter staving hunner posita en onder aanbod desnoods van bewijslevering omtrent de nader in die conclusie omschreven gewoonte van tiendheffing van jonge varkens onder Batenburg en van de ligging der perceelen bekend onder Sectie D nis. 85 en 228 van den kadastralen legger van Batenburg, binnen den zoogenaamden Stadswal, waarna zij ten slotte akte vragende van hun bewijsaanbod, hebben geconcludeerd, dat het Hof het vonnis a quo zal vernietigen en op nieuw rechtdoende, appellanten hunne ingestelde vordering alsnog zal toewijzen met veroordeeling van den geïnt. in de kosten van beide instantiën ;

O. dat de geïnt. bij zijne mede ter rolle genomen conclusie onder wederlegging van de door appellanten aangevoerde bezwa* ren de juistheid van de uitspraak des len rechters heeft rerdedigd, daarbij tevens stellende, dat in elk geval de bij dagvaarding omschreven perceelen nooit aan krijtend tiendrecht zijn onderworpen geweest en daaruit nooit varkenstiend is gekweten, eenige in zijne conclusie nader omschreven feiten te dien einde subsidiair te bewijzen aanbiedende, waarna hij geconcludeerd heeft tot bevestiging van het vonnis a quo met veroordeeling van de appellanten in de kosten van het hooger beroep en subsidiair, dat hij zal worden toegelaten tot het bewijs door getuigen der bedoelde feiten met reserve van kosten ingeval van niet-tegenspraak;

O. eindelijk dat vóór den aanvang der pleidooien door appellanten bij monde van hun procureur akte is gevraagd, dat zij hun bewijsaanbad omtrent de ligging der perceelen Batenburg Sectie C nis. 85 en 228 in dier voege aanvullen, dat zij aanbieden door getuigen te bewijzen „dat deze perceelen rondom begrensd worden door landerijen, welke aan den len app. groote tiend geven, terwijl uit de daarop gebouwde huizen smalle tiend geheven wordt";

Wat het recht betreft:

O. dat bij oorspronkelijke dagvaarding door de toenmalige eischers (thans appellanten) tegen den toenmaligen ged. (thans geïnt.) in hoofdzaak is gesteld, dat de le eischer is eigenaar van het recht tot heffing der krijtende tiend gaande uit de huizen gelegen binnen de grenzen der voormalige vrij heerlijkheid Batenburg ; dat het recht tot heffing dezer tiend over het loopendejaar (1891) door hem aan den 2en eischer is verpacht; dat ged. is eigenaar en bewoner van een huis en erf met schuur, gelegen te Batenburg binnen de grenzen der voormalige vrijheerlijkheid, op den perceelsgewijzen kadastralen legger van Batenburg bekend in Sectie D nis. 85 en 228 ; dat in voormeld huis of daarbij gelegen schuur, in het begin van Aug. 1891, 16 jonge varkens zijn geboren ; dat de ged., hoewel als gebruiker en bewoner van gemelde perceelen, gehouden daarvan aan den pachter aanzegging te doen, dit heeft nagelaten en de jonge varkens ter markt heeft verkocht, zonder daarvan tiend te hebben gegeven en ook, hoewel daartoe gesommeerd, geweigerd heeft de waarde van den vervoerden tiend te vergoeden, op grond van welke tiendweigering door de eischers is geconcludeerd : dat zal worden verstaan, dat de eerste hunner is eigenaar van het recht tot heffing van den krijtenden tiend uit de huizen gelegen binnen de voormalige vrijheerlijkheid Batenburg en dat de ged. zal worden veroordeeld tot betaling aan den 2en eischer van f 10 voor vergoeding van de waarde van den vervoerden tiend, alsmede in de proceskosten, met bepaling dat de in deze uit te spreken veroordeelingen op het tiendplichtige goed zullen kunnen worden geëxecuteerd en dat hetzelve daarvoor zal blijven speciaal verbonden ;

O. dat ten processe door geïnt. niet is betwist, dat de grootvader van den len app. en na dezen diens oudste zoon en erfgenaam, de vader en rechtsauteur van den len app., door erfopvolging eigenaar is geworden van de vroegere Vrijheerlijkheid Batenburg met de daaronder behoorende goederen en rechten; dat eveneens door hem is erkend, zoowel het feit der gestelde verpachting aan den 2en app., als dat hij, geïnt., is eigenaar en bewoner van dein de dagvaarding aangeduide perceelen, alsmede dat in Aug. 1891 in het achterhuis van het perceel no. 228 de bedoelde varkens zijn geboren en dat hij daarover heeft beschikt, zonder tiend of (na daartoe gesommeerd te zijn) vergoeding uit te keeren; dat verder ook niet door geïnt. is tegengesproken, dat zoowel de vorige eigenaars der heerlijkheid Batenburg als hun opvolger (de le app.) werkelijk (en met name in deze eeuw) tienden, zoo grove als smalle van verschillende soort, van gronden tot de tegenwoordige gemeente Batenburg behoorende hebben geheven, maar dat steeds zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, zijne tegen de vordering aangevoerde verwering in hoofdzaak hierop heeft berust, dat hij de wettige uitoefening van het krijtend tiendrecht door den len app. en zijne voorgangers betwist en met name ontkent, dat dit tiendrecht zou zijn een binnen de grenzen der heerlijkheid uitgeoefend universeel krijtend tiendrecht, zoodat in geen geval de tiendplichtigheid van de bedoelde door hem als eigenaar bezeten en bewoonde perceelen zou zijn bewezen, welke daarenboven, zoo¬

als nog subsidiair door hem wordt aangevoerd en ten bewijze wordt aangeboden, nooit aan krijtend tiendrecht zijn onderworpen geweest en waaruit nooit varkenstiend is gekweten ;

O. dat derhalve in de eerste plaats te onderzoeken valt of de heeren der voormalige heerlijkheid Batenburg, in wier rechten de le app. is opgevolgd, een tiendrecht van universeelen aard binnen de grenzen dier heerlijkheid hebben bezeten en uitgeoefend ;

O. te dien aanzien, dat als historisch vaststaande moet worden aangenomen dat in vroegere tijden, de heeren van Batenburg, die reeds in 1080 genoemd worden, waren Vrije Edelen, later Bannerheeren, van ouds staande onder de suprematie van het Duitsche Rijk, als zijnde door den Keizer beleend met verschillende regalia, met name het recht van hooge en lage jurisdictie, munt, tol enz.; dat zij als zoodanig eene zeer machtige en, behoudens hunne verplichtingen jegens het Rijk, onafhankelijke positie innamen en zelfs landrechten voor hun gebied uitvaardigden; dat zij echter langzamerhand evenals de overige Bannerheeren in eene meer afhankelijke verhouding tegenover de Geldersche Graven, vooral sedert deze tot Hertogen waren verheven, zijn geraakt en in den loop der tijden onder de territoriale hoogheid van Gelre, later door de Staten als Souverein vertegenwoordigd, zijn gekomen, al geschiedde ook dit alles niet zonder herhaald protest hunnerzijds, en al bleven zij voor het overige binnen de grenzen van hun gebied nog steeds een groote mate van onafhankelijkheid behouden ; dat toch de erkenning dier territoriale hoogheid vaststaat door verschillende feiten; dat immers reeds in 1371 de toenmalige Heer van Batenburg genoemd wordt onder de Geldersche Edelen, die in dat jaar een verbond sloten, waarbij zij Willem van Gulik als hun wettigen landheer erkenden en hem hulde en trouw beloofden, terwijl eveneens in 1418 een andere Heer van Batenburg het verbond van het Quartier van Nijmegen met zijn zegel bekrachtigt ; uit welk een en ander zoowel als uit den aard der hierna te bespreken oorkonde van 27 Sept. 1534 en van de in later tijd mede straks te vermelden door de Staten uitgegeven leenbrieven volgt, dat de bewering der appellanten, als zoude de Heerlijkheid Batenburg niets te maken hebben gehad met het Hertogdom Gelre en het Graafschap Zutphen, als historisch onjuist is te beschouwen, alsmede dat — daar van geen afzonderlijk bestaan hebbend afwijkend recht op dit stuk van Batenburg blijkt — de vraag naar den aard en den omvang van het tiendrecht, dat zooals appellanten beweren aan de Heeren dier Heerlijkheid binnen de grenzen van bun gebied toekwam naar de beginselen van het oud-Geldersch tiendrecht zal moeten worden beantwoord ;

O. alsnu, dat volgens dit recht, de wettige uitoefening van een integraal tiendrecht -— zooals in casu beweerd wordt bestaan te hebben — niet kon steunen op en niets te maken had met eene zelfs generale concessie van regalia en dan ook niet van zelf verbonden was met de aan een allodiaal of feodaal bezitter verleende rechten van hoogere of lagere jurisdictie over het door hem bezeten gebied, zoo het niet door den Vorst van den Lande of Opperheer uitdrukkelijk was verleend of erkend, zoodat gelijk ook in het vonnis a quo terecht is overwogen, zelfs kl ware het juist dat de oude Heeren van Batenburg van ouds zijn geweest geheel onafhankelijke dynasten, daaruit alléén nog geen gevolgtrekking ten aanzien van een hun toekomend integraal tiendrecht zou kunnen gemaakt worden ;

O. dat dit echter niet wegneemt, dat zij, hoewel daarvan door hen geen titel van aankomst is overgelegd, een dergelijk recht inderdaad wettig kunnen hebben bezeten en uitgeoefend; dat toch van vele oude rechten in den loop der tijden de oorspronkelijke titels en uitgiftbrieven verloren zijn gegaan en niet meer zijn op te sporen, wat evenwel niet verhindert, dat tot het werkelijk bestaan hebben van een recht en ook van een integraal tiendrecht uit verschillende vaststaande feiten en omstandigheden kan besloten worden, zooals uit de bewoordingen, waarin dat recht in oude akten van overdracht in verband met den vorigen inhoud dier akten, wordt gewag gemaakt, langdurige uitoefening van het recht, goedkeuring of erkenning (zij het ook stilzwijgend) door hem, wien het anders zou toekomen enz., en dat ook de niet-betwiste oorkonden, waarop appellanten zich beroepen tot zoodanig bewijs van het bestaan hebben van het door hen beweerde recht kunnen dienen en derhalve uit dit gezichtspunt moeten worden beschouwd en onderzocht;

O. dat hierbij in aanmerking komen :

1°. eene oorkonde van het jaar 1408 (opgenomen in het werk van Pontanus, Historia Gelrica, pag. 373), waarbij Gijsbert van Bronckhorst en Batenburg op den dag van St. Margaritha aan Johannes van Berlaer verpandt vtotam ditionem Batenburgiensem cum territoriis, praefecturis, jure et reditibus, ut et mercatibus, teloniis, decimiis, provectibus, vectigalitis, monetis, accidentalibus etc., alles gelijk voornoemde van Bronckhorst het van zijn vader „hereditarie" en deze het weder van zijne voorouders had verkregen ;

2°. eene oorkonde van 8 Oct. 1412 (zie Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland III, Oorkonde no. 339), waarbij genoemde Johannes of Jan van Berlaer aan den Hertog van Brabant verpandt: „die borch, stat ende alle heerlicheit van Batenborgh met manscapen, rechten, renten, mercten, tollen, thienden, munten enz. ;"

3°. een magenheid van 1525 (zie Nijhoff o. c. VI, 2de stuk, oorkonde no. 1355), waarbij aan Dirk van Bronckhorst wordt toebedeeld „dat lant en herrlicheit van Batenborg mitter bannerhofstaat unde allen synen toebehoer, mit die gerechticheit van der Stroem, tollen, accysen, lenen, eygen koirmodige luyt, wechgelde, thienden, verfallen enz., glich die Vurheren van Batenborg dat in besit und gebruick hebben gehadt";

O. dat in alle deze akten de voorwaarden „decimaè" en „thienden"' niet alleen in algemeenen zin worden -gebezigd, maar ook blijkbaar als onmiddellijk verbonden en verknocht met het bezit van het gebied der geheele Heerlijkheid Batenburg worden beschouwd en geacht worden daarvan een evenzeer integreerend bestanddeel uit te maken» als de zich eveneens over het geheele gebied der Heerlijkheid uitstrekkende overige rechten van algemeenen aard, met welke zij gelijktijdig worden opgenoemd;

O. dat reeds hieruit gewichtige vermoedens ontstaan, dat de Heeren van Batenburg in overoude tijden een tiendrecht over het gebied der geheele aan hun gezag onderworpen Heerlijkheid hebben bezeten en, daar aan dat bezit blijkens de op verschillende tijdstippen geschiede overdrachten ook waarde werd toegekend, dat tiendrecht tevens hebben uitgeoefend, en dat deze vermoedens nog verdere bevestiging vinden in hetgeen omtrent de latere lotgevallen der Heerlijkheid historisch bekend is;

O. toch, dat bij akte van 27 Sept. 1534 (opgenomen o. a. in het aangehaalde werk van Nijhoff VI, 3de stuk no. 1767 en waarvan ook ten processe een door den archivaris van Gelderland voor eensluidend met het origineel afgegeven afschrift is overgelegd) door Hertog Karei die, zooals historisch vaststaat, zich na den dood van den aan den heer Diederik of Dirk opgevolgden heer Gijsbert van Bronckhorst zich van de Heerlijkheid Batenburg had meester gemaakt of zooals hij zelf in genoemde akte zegt: „mytten sweerde" die Heerlijkheid „van Batenborgh als onse ind onss lantz openbair vyandt" had „afgewonnen" wordt verklaard, dat hij op deemoedig verzoek van Herman van Bronckhorst en

Batenburg, om de voorschreven Hooge Heerlijkheid „om syn geldt ind nyct als erffgen". van hem te mogen koopen, aan voornoemden Herman van Bronckhorst en zijn erven de hooge Heerlykheid van slot, stad en het geheele land van Batenburg niet als een erfgenaam derzelve Heerlijkheid, maar voor eene aanzienlijke som verkocht, opgedragen en overgegeven heeft, om die Heerlijkheid met alle hare rechten en toebehooren erfelijk en eeuwig te bezitten en te gebruiken op dezelfde wijze als „myt namen Herr Dederik ind Herr Gysbert van Bronckhorst zeliger gedachten, diezelve boichheerlickheit myt allen renten, pachten, thienden, thynssen, accysen, opkomelingen, leenen ind erffgoederen, nementlich myt aller gerechtigheyt van den Maestroem, oich den toll te waeter und te lande, myt visscheryen, hoich und lege in diepen und droigen ind myt allen den geestelicken gyfften, beneficiën ind officiën gehadt, beseten ind gebruyckt hebben, nyet daervan uytgescheydeiC, terwijl de Hertog zich verder niets anders voorbehoudt dan dat, wanneer de onderdanen van andere Hooge Heerlijkheden in het kwartier van Nijmegen, hem op welke wijze dan ook schattingen mochten geven, hetzelfde door de onderdanen der Heerlijkheid van Batenburg zoude gegeven worden en dat Herman van Bronckhorst en diens erven, Heeren van Batenburg, zich jegens hem (den Hertog) en zijn landschap als goede en getrouwe onderdanen zullen schuldig houden, wordende ten slotte tevens onder meer nog in diezelfde door den Hertog met zijn zegel bevestigde akte vermeld, dat daarop Herman van Bronckhorst aan den Hertog den eed van trouw heeft afgelegd ;

0. dat derhalve ook volgens den inhoud dezer oorkonde door Hertog Karei de tienden als onmiddellijk met het gebied der Hooge Heerlijkheid, evenzeer als de andere daarin genoemde rechten verknocht, werden beschouwd, wat des te meer in het oog springt wanneer men in den aanvang derzelfde oorkonde leest, dat de Hertog reeds te voren (zie ook Nijhoff o. c. VI, 3e stuk, no. 1653), de renten en goederen tot Batenburg behoorende aan Herman van Bronckhorst had verkocht, maar toen de geheele Heerlijkheid nog voor zich zeiven had behouden, waaraan dus ook de later met die Heerlijkheid verkochte tienden waren verbonden ;

O. dat verder uit den inhoud der bedoelde oorkonde blijkt, dat Hertog Karei, die volgens Geldersch tiendrecht was Decimator Universalis van alle tot zijn gebied behoorende landen en die, zoo zij al niet geacht moet worden daartoe vroeger behoord te hebben, door verovering (occupatione bellica) ook de Heerlijkheid Batenburg onder dat gebied had gebracht, alle de tienden dier Heerlijkheid zonder eenig voorbehoud mede verkoopt en overdraagt „erfelijk en eeuwig" waartegen niet met grond kan worden aangevoerd, dat alle de bij bedoelde akte opgenoemde rechten worden verkocht „zooals de vroegere Heeren van Batenburg die bezeten hebben-", daar uit de bewoordingen der akte in onderling verband beschouwd, duidelijk volgt, dat het geenszins de bedoeling van den verkooper was, om door voormelde algemeene verwijzing naar den vroegeren toestand den omvang van de rechten der Heeren van Batenburg te bepalen, of die rechten te beperken, maar veeleer alleen om elke gedachte van eenig voorbehoud te zijnen behoeve uit te sluiten ;

O. dat dan ook niet blijkt en zelfs niet door geïnt. beweerd wordt, dan binnen de grenzen der voormalige Heerlijkheid Batenburg ooit iemand anders dan de Heeren van Batenburg tiend heeft geheven, terwijl tevens, hoewel volgens het Geldersche tiendrecht een algemeene presumtie van tiendplichtigheid van alle gronden jegens den Heer van den Lande werd aangenomen, nimmer door de Staten van het Vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen, die zooals historisch vaststaat, zeer naijverig waren op de handhaving hunner rechten, met name ook tegenover de Heeren van Batenburg, die niet zelden zich aan hun gezag trachtten te onttrekken, aanspraak op eenig tiendrecht binnen bedoelde grenzen is gemaakt, maar integendeel de wettige uitoefening van dat tiendrecht uitdrukkelijk is erkend, zooals blijkt uit een mede ten processe overgelegd, door den archivaris van Gelderland als „eensluidend" verklaard en afgegeven uittreksel van het cohier der verpanding van alle onroerende goederen van huizen en landen der Vrijheerlijkheid Batenburg over het jaar 1650, in welk van het openbaar gezag uitgegaan stuk onder die goederen ook in het algemeen zijn opgenomen Ihienden, bij wier schatting dan, wel is waar, de vermoedelijk mindere opbrengst der korentienden wordt in aanmerking genomen, doch omtrent de soorten van tienden geen beperking voorkomt;

O. dat tegenover dit alles ook niet met grond kan worden aangevoerd, dat in de leenbrieven, waarbij later en wel in de jaren 1664, 1676, 1694, 1734 en 1780 de opvolgende gerechtigden tot de Heerlijkheid Batenburg door de voormelde Staten met die Heerlijkheid zijn beleend, van geen tiendrecht sprake is, daar immers, zooals reeds uit het in extenso overgelegde door den archivaris van Gelderland voor eensluidend met het oorspronkelijke afgegeven afschrift van de eerste dier beleeningen blijkt, daarin, wat den omvang der beleening betreft, eene verwijzing voorkomt naaide Keizerlijke beleenbrieven in vroeger tijd aan der comparanten voorgangers verleend, waarvan blijkens de duidelijke en onbetwiste bewoordingen (zooals die o.a. zijn opgenomen in het ten processe overgelegde advijs van Mr. Adv. Houttuijn (1691) gelijk hierboven reeds is opgemerkt, de strekking alléén was om aan de Heeren van Batenburg de regalia van Hooge en Lage Jurisdictie, munt, tol, marktrecht enz. te verleenen, waarmede de nadere omschrijving door de Staten in hunne beleenbrieven gegeven, dan ook overeenkomt, terwijl tevens bedoelde eerste beleening aan de Staten alleen werd verzocht en door hen toegestaan, omdat, zooals daarin gezegd wordt „Zijne Keizerlijke Majesteit de beleening geweigerd heeft" en met bijvoeging van „onvercort zijn Keizerlijke Majesteit in het toekomende en een yder syns goeden rechten"", uit welk een en ander, ook in verband met het reeds vroeger overwogene, ondubbelzinnig volgt, dat in den rechtstoestand der Heeren van Batenburg, gelijk die van ouds geweest was, ook wat het tiendrecht betreft, geen wijziging werd gebracht;

O. dat dus op grond van al deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, als bewezen moet worden aangenomen, dat de eigenaren der voormalige Vrije Heerlijkheid Batenburg reeds sedert zeer oude tijden, en ook nog in 1650 binnen de grenzen dier Heerlijkheid een integraal of universeel tiendrecht hebben bezeten en uitgeoefend, welk tiendrecht op een onbekend tijdstip, doch zeker niet later dan in de 14e eeuw, van den Heer van den Lande op hen moet zijn overgegaan of door dien Heer als hun wettig toekomend, moet zijn erkend;

O. voorts, dat in alle stukken gesproken wordt van „tienden" in het algemeen, onder welke uitdrukking volgens het oude Geldersche tiendrecht ook krijtende tienden zijn begrepen geweest, terwijl in allen gevalle omtrent den aard der aan het tiendrecht onderworpen vruchten, te rade werd gegaan met de oude gewoonten der landstreek of der naburige landstreken, zoodat, daar het aan geen twijfel onderhevig is, dat in Gelderland reeds sedert overoude tijden krijtende tiend en in het bijzonder varkenstiend werd geheven, ook moet worden aangenomen, dat de vroegere Heeren van Batenburg tot het heffen van varkenstiend uit de huizen, gelegen binnen de grenzen hunner heerlijkheid, gerechtigd waren en dat recht dus hebben kunnen uitoefenen;

0. dat nu wel is waar ten processe geene stukken zijn over-

Sluiten