is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 4, 1944, no 6, 1944

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog niet één op de 100.000 een vreemde taal. Van kindsbeen af hebben we ons in één taal geoefend, in één taal gedacht. Voor vele Nederlanders is dat een streektaal. In dat geval zal het algemeen beschaafd Nederlandsch deze na veel opzettelijke training bij overigens ook gunstige omstandigheden kunnen evenaren en bij betrekkelijk weinigen overtreffen. Met een vreemde taal bereiken we dit nooit. De eigen taal is physisch en psychisch met ons heele wezen vergroeid, een organisch stuk van onszelf geworden. Tegen dit natuurlijk gegroeide bezit is geen kunstmatige aanbrenging opgewassen. Wilhelm Busch houdt zich in zijn briefwisseling met Maria Anderson ook met dit probleem bezig. Hij schrijft b.v.: „lm HoUdndischen hofje ich Fortschritte zu machen; ich hofje es zu lemen, aber fühlen werde ich es nie. Um eine Sprache von Herzen sein eigen zu nennen, muss man, glaube ich, etwas darin erlebt haben, etwas Wichtiges,namlich die Kindheit. .Alleen wat in zijn moedertaal geschreven was, kon dezen grooten taalkunstenaar „in innerster Seele rühren”. En op een andere plaats zegt hij: „Aber es bleibt dabei: Was herzig. Heb und drollig ist in einer Sprache, das kann man nur empfinden und begreifen, wenn man ’s mit Nachbars Hanschen im Korn und mit Nachbars Gretchen über den Zaun gesprochen hat.”

Wat hier eigenlijk alleen nog maar op het verstaan betrekking heeft, geldt natuurlijk in nog veel sterkere mate voor het actieve gebruik.

Psychologisch beschouwd schijnt het me voor geen tegenspraak vatbaar, dat we de beste kansen om met het onderwijs in een vreemde taal werkelijk iets te bereiken, inzonderheid voor expressieve aanwending, zouden verzuimen als we de phase van de „Kindheit” ongebruikt laten voorbijgaan. De praktijk geeft ons daarvoor trouwens ook houvast genoeg. We weten immers allemaal hoe gemakkelijk zeer jeugdige kinderen, die in een milieu geplaatst worden, waarin een andere taal gesproken wordt, die taal leeren verstaan en in enkele weken spreken. Even gemakkelijk verdwijnt de actieve kennis van de taal trouwens weer onder den drempel van het bewustzijn, wanneer het kind weer in een omgeving geplaatst wordt, waar het er geen aanraking meer mee heeft. En dat gouvernantes bij hun individueel onderwijs aan kinderen, die den lagere-schoolleeftijd nog nauwelijks bereikt hebben, met de directe methode prachtige resultaten weten te bereiken, dat het kind de taal werkelijk leert beheerschen, dat is ook bekend.

Toch is veel en krachtig verzet aangeteekend tegen vroegtijdig onderwijs in een vreemde taal op de

scholen. Natuurlijke tweetaligheid in gezinnen b.v. waar vader en moeder van verschillende nationaliteit zijn, zou voor jeugdige kinderen niet schadelijk zijn op grond van de praktijk zou dit ook nooit vol te houden zijn —. Een figuur als b.v. dr. G. J. Nieuwenhuis is er echter sterk tegen om in school vroeg met het onderwijs in een vreemde taal te beginnen. Hij verwacht er allerlei narigheden van: schijnkennis, napraten in plaats van denken, verkreupelde moedertaal; voor de vreemde taal schade door slecht denken, enz.

Als het bij tweetaligheid thuis, of leiding van een gouvernante niet hindert, maar bij schoolonderwijs in de vreemde taal op jeugdigen leeftijd wèl, dan ligt dunkt mij de gevolgtrekking voor de hand, dat de methode hier een rol speelt. Ik geloof ook, dat gevaren als door dr. N. genoemd, inderdaad aanwezig zijn. Maar dat ze zich bij toepassing van de voor den leeftijd en den trap van ontwikkeling geeigende methode ernstig zouden laten gelden, zóó dat we er de groote voordeelen van het vroeg beginnen voor zouden moeten opgeven, dat geloof ik niet. Een groot deel van onze Nederlandsche volkskinderen zou dan immers het slachtoffer zijn van zulke gevaren, want voor hen is tweetaligheid een feit; thuis, in het algemeen buiten de school, spreken ze een streektaal en In school moeten ze van den eersten dag af Nederlandsch leeren; voor hen een, laat het zijn verwante, maar dan toch vreemde taal. Ik merk hier niet veel van groote moeilijkheden, althans niet als de leerkracht het probleem een beetje handig aanpakt. Ik geloof zelfs, dat het een belangrijk voordeel kan zijn, vooral bij verdere studie, als men naast het alg. beschaafd ook een streektaal goed kent. Taalvergelijking, wegen en wikken op dit speciale gebied, komt de scherpte van onderscheiding voor het alg. beschaafd ongetwijfeld ten goede en het is noodig noch gewenscht daarmee te wachten tot wat rijperen leeftijd. Het probleem bestaat in feite voor veel kinderen van hun eersten schooldag af; men kan er profijt van trekken zonder de opzettelijkheid op den voorgrond te plaatsen. M.m. geldt , wat hier betoogd is voor de verhouding streektaal—alg. beschaafd ook voor het Nederlandsch en het onderwijs in een vreemde taal, inzonderheid waar daarvoor alleen het zoo verwante Duitsch in aanmerking komt. Mits goed gehanteerd kan ik tweetaligheid in ons onderwijs aan jonge kinderen dus geen gevaar achten; ik zie er integendeel eenige voordeelen in, die de eraan verbonden gevaren in belangrijkheid verre overtreffen. (wordt vervolgd) J. BUITENWERF

WAAR IN OPVOEDING EN ONDERWIJS DE EERBIEDS H O U D I N G WEGVALT, IS VAN VERDIEPING GEEN SPRAKE MEER, ALLEEN MAAR VAN VERVLAKKING.

G. VAN VEEN