is toegevoegd aan uw favorieten.

Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië; ten dienste der eerwaarde directeuren van den Sint Claverbond, 1913, 1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

precies telde, wist niemand, ook niet haar eigen vader en moeder. Tijdrekenkunde wil op 'inlandschen bodem nog niet gedijen. Althans voor zooverre zij bij telling op jaartallen steunt. Wel weten ze eenigszins den leeftijd aan te geven, volgens den graad van lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling, of den ouden dag te schatten naar ’t verval der lichaamskrachten: uitdrukkingen als: „toen ik nog geen tanden had”, „toen ik nog ongekleed rond liep” enz. zijn verschillende mijlpalen, die den levensweg van den inlander afbakenen.

Meong was dan een dier forsche, niet groote maar breedgeschouderde jongevrouwen geworden, zooals er de oorspronkelijke bergbevolking meer oplevert. Haar jeugd was voorbijgegaan, gelijk die der andere meisjes van het dorp. ’s Morgens bij ’t gloren van den dageraad, ging ze naarden put buiten de Kampong met moeder en de andere vrouwen en kinderen, om in holle bamboekokers ’t noodige water te halen. Daarna hielp ze moeder rijst'stampen, als deze er ten minste was. Want meest voedt men zich daar met turksche tarwe, liefst in heete asch geroosterd. Ook had ze een groot gedeelte van den dag een harer broertjes of zusjes te dragen. De vrouwen daar doen dat niet zooals in Europa, op den arm, maar op de heup; ook niet in een slendang (draagdoek) zooals op Java, in ’t eenig kleedingstuk dat ze aan hun lichaam hebben. Moest er hout gehaald worden voor den haard niets anders dan drie bij elkaar gelegde steenen, waarop de kookpot wordt neergezet, dan beklom Meong, meest in gezelschap van andere meisjes, de slechts schamel begroeide flanken van den berg Ilimandiri, om, na een uur of drie, den bij elkaar gebonden mutsaard neer te laten vallen van haar hoofd voor de voeten van moeder. Ook in den plant- en oogsttijd, moest ze met de andere* vrouwen meehelpen in het lichtere werk op het land; en was er buiten niets te doen, dan zat ze, weer lustig aan ’t weefgetouw, om tegen zonsondergang andermaal met den bamboekoker naar den put te gaan, daar te baden, met andere vrouwen het kampongnieuws te bepraten, om dan tegen het donker