Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter behouden en als zoodanig is de apotheker even als alle directe en indirecte beambten tot den ministerpresident toe aan den eed onderworpen.” Niettegenstaande bij ons te lande artsen en apothekers beiden ambtelooze burgers zijn, is vóór hunne toelating de eed verplichtend gesteld. Wel vond deze beëediging tegenstand bij onderscheidene leden van de commissie van rapporteurs der Tweede Kamer en ook tijdens de beraadslagingen bij den heer Godefroi. Zij meenden, dat men met die beëediging eener bepaalde klasse van personen tot den gildentijd terugkeerde. Speciaal werd de eedsaflegging van den leerling-apotbeker gewraakt. Na verdediging door den minister Thorbecke werd het artikel echter met groote meerderheid aangenomen. Deze verdediging hield voornamelijk in, dat het afleggen van den eed ten slotte van het examen is, //om in het geweten te brengen een duidelijk besef van de verplichtingen, waaraan men bij bet verkrijgen van de bevoegdheid wordt onderworpen. De eedsaflegging heeft geene andere dan eene moreele strekking, maar die moreels strekking mag de wetgever wel begunstigen en beschermen.” . De rechtschapen man heeft niet noodig een eed af te leggen, dat hij zijne kunst naar zijn beste weten en vermogen zal uitoefenen, en evenmin, dat hij geheimen in die uitoefening aan hem toevertrouwd of ter zijner kennisse gekomen, aan niemand zaropenbaren. Ook wordt volgens den ontwerper der wet zelven, hier geen eed gevorderd, om bij schending daarvan straf toe te passen. Toch – zouden wij die plechtige eedsaflegging vóór de toelating tot geneeskundige, apotheker enz. ongaarne missen. Zij staat daar als getuigenis van de hooge belangrijkheid der betrekkingen, die bekleed staan te worden. Die openbare aanroeping van den naam en de hulp : des Almaohtigen Gods harmonieert zoo geheel met den !, aan taan den werkkring van geneeskundige of apotheker, j waarin hij zijne beste krachten zal wijden aan het heil der lijdende menschheid. NAUWKEURIGE BEEEIDING VAN GENEESMIDDELEN VOLGENS HET .RECEPT. In Frankrijk is een apotheker dooreen geneesheer aangeklaagd verandering ineen zijner recepten te hebben aangebracht. Op grond, dat de Fransche wetgeving een artikel bevat van den volgenden inhoud; //De apotheker die eenige verandering, welke dan ook, aanbrengt in het recept vaneen geneesheer, maakt zich schuldig aan onwettige uitoefening der geneeskunst” is de ajiotheker door de rechtbank • veroordeeld tot 5 francs boete en 80 francs schadevergoeding aan den geneesheer, die het recept had voorgeschreven. Bij hooger beroep werd deze uitspraak bevestigd. Men zou meenen, dat de apotheker zich aan een groot misdrijf had schuldig gemaakt, maar ziehier het geval. Het recept luidde ; Pr. eau 40 gram, chlorhydrate de morphine 1 decigram, sucre q. s. De apotheker veranderde het recept op die wijze, dat hij eau 40 gram en sucre q. s. doorstreek en daarvoor in de plaats stelde drop de sucre 60 gram. De grond voor het rechterlijk vonnis was voornamelijk gelegen in eene verklaring van prof. Tardieu (wel bekend door het rechtsgeding van Prins Bonaparte en door den tegenstand, dien zijn optreden vanwege zijne expertise

bij de Parijsche studeereude jongelingschap ondervond). //Het is,” zoo verklaarde hij, ongeoorloofd, dat een apotheker, op welke wijze dan ook, het recept van den geneesheer verandert. Indien het recept eene vergissing bevat, die bij aanwending van het geneesmiddel voor den lijder gevaarlijk zou zijn, moet de apotheker hierop den geneesheer opmerkzaam maken. In het onderhavige geval bestond volstrekt geen reden, om van het voorschrift af te wijken. Het voorschrijven vaneen drankje, tot zulk een gering quantum gereduceerd, had ten doel eene zorgvuldige behandeling eener uiterst pijnlijke maagaandoening. Het is alzoo niet hetzelfde en het strijdt tegen de bedoeling van den geneesheer, die in dergelijke gevallen alleen verantwoordelijk is, dat de hoeveelheid vloeistof in verhouding tot de suiker vermeerderd is.” Wij meenen, dat de geneesheer, die, zooals hier, de onvoorzichtigheid begaat, bij een sterk werkend geneesmiddel het volumen aan de willekeur van den apotheker over te laten, geen recht heeft den apotheker aan te klagen, die op zijne wijze dit heeft aangevuld. Dit hadden zoowel deskundige als rechter behooren in te zien, en niet naar den letter, maar naar den geest der wet verklaringen moeten afgeven of uitspraken doen. Heett men onder q.s. hier te verstaan, zooveel suiker als zich bij de gewone temperatuur kan oplossen, dan geven wij het Hager, die het geval mededeelt, toe, dat in 40 gram water omstreeks 20 gram suiker bij de gewone temperatuur worden opgelost en dus het cijfer 60 gram voor het vehioulum bereikt zou zijn. Wrij merken hierbij echter op, dat het volumen van 60 gram syrupus sacchari geringer is dan van eene oplossing van 20 gram suiker in 40 gram water, hetgeen bij de lepelsgewijze' toediening van het geneesmiddel niet zonder invloed op de dosis zal zijn. Zonder den Fransohen apotheker hard te vallen, zouden wij het recept ,tooh niet op zijne wijze hebben gereed gemaakt. Ook bij ons schrijft art. 8 der wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst voor, dat de apotheker op recepten geene geneesmiddelen aflevert dan nauwkeurig volgens bet recept bereid. Op de geneesheeren rust de verplichting hunne recepten zoodanig in te richten, dat bij den apotheker nooit eenige twijfel omtrent de bereiding behoeft te bestaan. Maakt echter de geneesheer het, bijv. bij het voorschrijven van pillenmassa’s met eene groote hoeveelheid extracten, onmogelijk, dat wij zijn voorschrift woordelijk opvolgen, het //lege artis” geeft den apotheker vrijheid die wijziging aan te brengen, welke tot eene goede aflevering in staat stelt, maar bij ga daarbij altijd zoo rationeel te werk, dat deze wijziging op de doseering van geen der werkzame bestanddeelen eenigen den minsten invloed uitoefent. Hager is begonnen de methode van onderzoek met geconcentreerd zwavelzuur, die bij vroeger voor de echtheid van rozenolie gebruikte (Zie N°. 3 van den Éérsten Jaargang), op een tal andere aetherische Oliën toe te passen. -Wij deelen in volgende nommers eenige zijner resultaten mede. ÏJlttrclisels uit binnen- en ISuitcnlandschc tijdschriften. Om inden bicarbonas natricus een gehalte aan carbonas te herkennen zijn, zooals Hager met recht opmerkt, de opgegeven reacties met ohloretam hydrargyrioum of met sulphas magnesicus onvoldoende. Yooral is het chloretum hydrargyricum een zeer onzeker reagens, waar-

Sluiten