is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 13, 1876-1877, no 30, 26-11-1876

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//Het vreemde verschijnsel zou zich voor kunnen doen, dat //de milit. pharmaceuten van de 2de en Bde kl. hun ontslag //begeerden, ten einde te kunnen adspireeren naar de voordeeliger //betrekking van hulp-apotheker. //Wij hopen evenwel dat het zoover niet behoeft te komen, //en eene werkelijk gunstige verandering in het lot van den //militairen pharmaceut voortaan de oorzaak moge zijn, dat men ;/niet langer zijn toevlucht behoeft te nemen tot het in het „leven roepen van dergelijke onhoudbare toestanden als hier//boven zijn aangehaald.” Dr. J. TF. F. Sc heffer te Weesp zond mij naar aanleiding mijner analyse van Kraehmer’s middel tegen dronkenschap, medegedeeld in No. 23, twee doosjes met verschillende poeders, gemerkt I en 11, die na ontbieding door de echtgenoot vaneen zeer sterken drinker ontvangen waren tegen den prijs van ƒ 8,30, en verzocht ons zoo mogelijk ook daarvan den aard op te geven. Het bericht luidde, dat poeder I het eerst en daarna poeder II gebruikt moet worden. Het poeder I groengrijs van kleur bleek, even als het vroeger door mij onderzochte, poeder van drieblad te zijn. Het poeder II geel van kleur was poeder van gentiaanwortel, bijzonder licht van kleur. Men ziet; de leverancier past de spreuk toe: //Yariis modis bene fit”, altijd ten bate zijner beurs. De heer N. Verweij te Tiel zond ons tot proef eene mandflesch met gedestilleerd water, hetwelk hij volgens zijne annonce tegen zulk een goedkoopen prijs aflevert, dat het bij zelf bereiding zeker meer aan brandstof kost, maar waartoe hij in staat is, doordat het inde fabriek als.bijprodukt verkregen wordt. Bij onderzoek bleek ons, dat het water volstrekt geen reactie op sulphaat, nitraat, nitriet, chloreet of ammoniak vertoonde. Het bleek echter eene uiterst geringe hoeveelheid organische stof te bevatten. Na verdamping bleef er een gering zwart gekleurd randje achter en ook eene zeer verdunde kameleonoplossing werd eenigszins aangedaan. De heer Y. deelde zelf ons mede, dat het water eene zeer geringe alcalisohe reactie vertoont, bij onderzoek met lakmoes niet door ons waargenomen, maar slechts te herkennen door het hoogst gevoelig reagens op alcaliteit, dat wij in eene oplossing van chemisch zuivere alizarine in spiritus bezitten. Een droppel dezer geelgekleurde vloeistof brengt in eene vloeistof, die ook de geringste hoeveelheid vrij alcali bevat (ook in het genoemde gedestilleerde water) eene zwakke maar duidelijke rosétint voort. Deze oplossing van alizarine is werkelijk uiterst gevoelig. Men bemerkt de reactie reeds, wanneer men op volkomen neutraal reageerend water (dus géel blijvend na bijvoeging van één droppel alizarine-oplossing) in eene reageerbuis een weinig rook eener sigaar blaast. De kleur, die bij eene geringe hoeveelheid alcali rosé is, wordt door eene grootere hoeveelheid alcali paars. UNGUENTUM PICIS. Ook ik, Mijnheer de Eedacteur, stuitte, reeds voor jaren, bij de bereiding van Unguentum Picis op moeilijkheden, om een goed praeparaat te verkrijgen, en weet de schuld daarvan aan het gebezigde pik. Om mij daarvan te overtuigen, beproefde ik onderscheidene piksoorten, maar altijd met het ongelukkig gevolg, dat bij bekoeling het pik grootendeels in kluiten zich afscheidde en daardoor de zalf een brokkelig aanzien verkreeg. Na op onderscheidene wijzen beproefd te hebben eene gelijkmatige zalf te bereiden, is het mij gelukt eene zoodanige daar te stellen en wel op deze wijze; Ik los in ongeveer de helft der vereischte olijfolie het pik en inde overige olie het was en de hars op, zijg beiden dooreen wollen coleerdoek en laat bekoelen tot beiden dik vloeiend zijn en meng ze dan onder elkander, de pik-oplossing bij die van het was en de hars voegende, en roer nu tot geheele bekoeling. Ik volg deze wijze sinds jaren. Vertrouwende dat ik wellicht aan sommige collega’s met deze mededeeling geen ondienst doe, zoo zoude u, indien u met dit gevoelen instemt, door de opname in uw geacht Weekblad verplichten Groningen, Uw dw. dienaar 19 November 1876, Essingh.

Amice! Het grootste struikelblok bij de bereiding van Unguentum Piois is naar mijne ondervinding de kwaliteit van het pik, dat men daarvoor in gebruik neemt. Zooals bekend is, wordt het pik na de bereiding nog warm en vloeibaar in vaten gegoten, waarin het inden handel komt. Terwijl het daarin bekoelt, zakken de onreinheden, en hetgeen door de langdurige en te sterke verwarming inde vloeiende massa onoplosbaar ge worden is, naar beneden. Daarom ontvang ik op mijn verzoek vaneen handelaar op Hoorwegen, zoo dikwijls ik er behoefte aan heb, eene kleine hoeveelheid pik, die van het bovenste vaneen vat afgebikt is, en nimmer ondervond ik eenige moeite om de voorgeschrevene hoeveelheid onder het Unguentum te mengen. Door het bovenstaande laat zich gemakkelijk verklaren, waarom de- bereiding van het Unguentum Picis bij sommigen nu eens gelukt en dan weder ten eenemale onmogelijk schijnt. Gebruikt men. onder de voorgeschreven voorzorg zuivere ingrediënten, dan zal men steeds voor eene mislukking gevrijwaard blijven. Als opheldering voor het over dit artikel van het Pharm. Weekblad van heden geschreven. Ontvang enz. Brielle, 19 Nov. 1876. Huiisman. ONDERZOEK VAN TARWEBROOD. Onlangs werd ons een brood door den Directeur eener broodfabriek hier ter stede ter hand gesteld, gebakken met bakpoeder, met de vraag of dit brood, op de gewone wijze onderzocht, ook eenige afwijking vertoonde van brood met gist bereid. Het gebruikte bakpoeder was als een geheim aan de fabriek te koop aangeboden. Het werd niet als proef of monster afgegeven, maar door den verkooper zelven onder het deeg gemengd, zoodat ook wij niet inde gelegenheid waren het poeder afzonderlijk te onderzoeken. Eenige dagen vroeger was door ons op verzoek vaneen bakker een bakpoeder onderzocht, hetgeen uit bitrartras kalieus en bicarbonas natricus bestond. Het brood ons tot onderzoek aangeboden, had het gewone aanzien, was voldoende gerezen, goed doorbakken en reuk en smaak lieten niets te wenschen over. 10 Gram goed gedroogd kruim werd in eenen porseleinen kroes verbrand, en leverde 3% witte asch. Bij behandeling der asch met water loste daarvan twee derde gedeelte op, de oplossing reageerde aloalisch, bruiste een weinig met zuur op, bevatte eene geringe hoeveelheid zwavelzuur, en eene ruime hoeveelheid chloor, doch phosphorzuur, kalk, magnesia of zware metalen werden er niet in gevonden. Behalve eene geringe hoeveelheid kali, was de basis natron. Het bij de behandeling met water teruggeblevene loste nagenoeg geheel op in verdund salpeterzuur en bleek te bestaan uit phospborzure kalk en een spoor silica; zware metalen werden er niet in gevonden. Uit het bovenstaande blijkt, dat het verschil bestond, zooals wij reeds vermoedden, ineen grooter asohgehalte dan gewoonlijk het tarwebrood levert. De gewone hoeveelheid toch bedraagt 6/io—Vio procent of soms, indien gist met Cina cleij gemengd gebruikt is, of wanneer het meel niet voldoende gebuild is, l°/0. Het waargenomen verschil achten wij belangrijk genoeg om bekend te maken, daar dit bij onderzoek van brood, waarvan ons de bereidingswijs onbekend is, aanleiding tot verkeerde conclusie zoude kunnen geven, zoodat het noodig is, w'anneer het bakpoeder inde bakkerijen in gebruik mocht komen, dat men zich bij het onderzoek van tarwebrood vooraf doe inlichten of dit met gist of wel met bakpoeder bereid is. Amsterdam, G. H. Hoorn. November 1876. C. W. K. Hoorn. Aan een apotheker op een dorp in Gelderland werd aangeboden de copie vaneen recept, luidende: Jf: solut. pyrophosph. natrico-ferric. lag. 1. D. S. Tweemaal daags twee eetlepels ineen glas melk. De copie was niet onderteekend, maar uit het etiquette op de flesch bleek, dat het geneesmiddel vroeger was gereed gemaakt ‘bij eene firma in eene groote stad in Noord-Holland, Op de copie was geen prijs gesteld en daar de Geldersche apotheker in twijfel en zorgwas, dat soms tusschen zijne berekening en die bij de eerste gereedmaking aanmerkelijk verschil