Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARIACEUTISCH WEEKBLAD

VOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJROA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan- | delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang, , franco per post, ƒ 4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen vóór Woensdag.

Prij's der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ 1.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

8e Jaargang.

ZONDAG 33 October 1871.

N°. S5.

Mededeellngen. Ingezonden stukken. Het aangeboden wetsontwerp tot regeling der invoering van de Nederlandsche Pharmacopoea is Donderdag 12 October inde Tweede Kamer aang en om en. Bij de behandeling zijnde volgende beraadslagingen gevoerd: De minister van binnenlandsche zaken geeft naar aanleiding van het eindverslag nader te kennen, dat hij zich geheel aansluit aan de meening van hen, die goedkeurden, dat de Pharmacopoea bij besluit en niet bij de wet wordt ingevoerd. Aan het uitgedrukt verlangen, om in latere commissiën vooral practiseerende geneesheeren op te nemen, zal worden voldaan. Ten andere ontvouwt de minister de redenen, die hem de voorkeur doen geven aan de uitgave enkel in het Latijn, doch verklaart, dat hij er ook wel eene nederlandsche vertaling wil bijvoegen. Hij treedt verder in eene wijdloopige beschouwing der zinsnede in het verslag, waarin zijne voorliefde voor de latijnsche taal bevreemding had gewekt. De heer Rombach dankt den minister, dat de pharmacopoea bij besluit en niet bij de wet wordt ingevoerd. Daardoor is voldaan aan den schier eenparigen wensch van alle deskundigen. Hij stelt zich echter voor bij ah 3 eelt amendement voor te stellen. De algemeene beraadslagingen worden gesloten en art. 1 (luidende: //Zoo dikwijls nieuwe vaststelling of wijziging //van de Nederlandsche Pharmacopoea door Ons nood//zakelijk wordt geacht, geschiedt dit bij algemeenen maat//regel van inwendig bestuur, die ook het tijdstip van //invoering bepaalt. Hij onderscheidt de middelen, die in //elke apotheek moeten voorhanden zijn, van de overige //in de pharmacopoea beschreven. De laatste zijn evenwel, //voor zooveel zij in eene apotheek worden aangetroffen, //aan het gewone wettelijk toezicht onderworpen”.) en art. 2: (//Zoodra, na afkondiging dezer wet, aan het //vorig artikel uitvoering wordt gegeven, vervalt op het //tijdstip der invoering van de nieuwe Pharmacopoea de //wet van 12 Augustus 1849 [Staatsblad N°. 36]”) aangenomen. Bij art. 3 (//De Nederlandsche Pharmacopoea wordt //van Staatswege inde Latijnsche taal uitgegeven en al//gemeen verkrijgbaar gesteld en door of vanwege Onzen //minister van Binnenlandsche Zaken gewaarmerkt. De //uitgave en verkrijgbaarstelling vervangt de bekendmaking //dóór middel van het Staatsblad. De dag der uitgaveen //.verkrijgbaarstelling wordt inde Staatscourant aangekon//digd”) stelt de heer Rombach als amendement voor de woorden //in de Latijnsche taal” te doen vervallen. Hij licht

dat amendement toe. Door deze verandering zal de Pharmacopoea dus van zelve alleen inde Nederlandsche taal verschijnen (zooals ook door de geneeskundige inspecteurs was aangeprezen), gelijk tot dus ver met andere wetten het geval was. De benamingen der geneesmiddelen, de kunsttermen dus, behooren alleen in het latijn, evenals in alle andere wetenschappelijke werken. Voor het overige moet de kennis van het latijn aan vrije studie worden overgelaten, terwijl de apothekers en de geneeskundigen ten platten lande niet of weinig met het latijn bekend zijn. De minister van binnenlandsche zaken meent, dat voor de Pharmacopoea in het latijn pleiten de gewoonte sedert 1849 en de meerdere duidelijkheid van den latijnschen tekst, als eene soort van jargon, boven de Nederlandsche vertaling. De heer Jonckbloet is uitdrukkelijk tegen het amendement Kombach, en acht eene uitgave in beide talen, Latijn en Nederlandsch, wenschelijk. Het amendement toch zou eene belangrijke questie ineens uitmaken en de zaak prejudioieeren, die bij de wettelijke regeling van het hooger onderwijs met ernst moet gedebatteerd worden ; dergelijke prejudice acht hij onberaden en hoogst verderfelijk, en hij stelt daarom een amendement voor om in art. 3 te zetten: //Latijnsche en Nederlandsche talen.” De heer Rombach trekt, na hetgeen de minister en de heer Jonckbloet hebben aangevoerd, zijn amendement in, doch wensohte de Nederlandsche taal vóór de Latijnsche te noemen. De heer Idzerda motiveert zijne stem vóór het amendement Jonckbloet, ter wille van de andere geneeskundigen en apothekers. Het amendement Jonckbloet wordt daarop met 35 tegen 30 stemmen aangenomen. Tegen, de heeren: Tak, Heemskerk Az., van Hardenbroek, van Naamen, van Kuijk, Kutgers, Wassenaar, van der Putte, Luyben, Heemskerk Bz., Kombach, Sandberg, Smidt, Kien, Duurbar, Nierstrasz, van Zuyleu, Haffmans, Viruly en de Voorzitter. Het ontwerp wordt daarna met algemeene stemmen aangenomen. De bijzondere verslagen der Departementen van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, inde Berichten opgenomen, bevatten hoofdzakelijk de volgende wetenschappelijke bijzonderheden: (Botterdam) Door den heer Jacobson werd op de noodzakelijkheid

Sluiten