is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 14, 1877-1878, no 25, 21-10-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14® Jaargang. 21 October 1877. N°. 25,

PHARMACEUTISCH WEEERLAD VOOR NEDERLAND. Voor Apothekers en Apotheekhoudende Geneeskundigen.

REDACTEUR: B.- Jt. OPWIJBDA, te Nijmegen. Prijs per Jaargang, franco per post, / 4,50. Advertentiën; van I—s regels f I,—, elke regel meer 20 Cts. en 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnements-farief is op aanvrage verkrijgbaar. Mededcelingcu. Ingezonden stukken. DE PHARMACIE BIJ DE NEDERLANDSCHB UNIVERSITEITEN, Een noodzakelijk uitvloeisel vaneen doctoraat inde artsenijbereidkunde is het oprichten vaneen leerstoel in dat vak bij de Universiteiten. Werkelijk is reeds aan ééne Universiteit, die te Leiden, een afzonderlijke hoogleeraar in pharmacie en toxicologie benoemd, terwijl aan de drie andere Universiteiten of de plaats tot nog toe onvervuld gebleven is, of, helaas! de pharmacie en toxicologie als ondergeschikte vakken den hoogleeraar m de scheikunde toegevoegd zijn (te Utrecht aan den hoogleeraar dr. E. Mulder). Te Leiden, alwaar dr. E. A. van der Burg tot hoogleeraar benoemd is, verkeert echter alles wat dit onderwijs betreft, nog inden wordingsstaat. Op de Series lectionum staat aangekondigd: //E. A. van der Burg Ghemiam pharmaoeuticam et Ghemiam toxicologicam docebit horis posthac indicandis” (//op later aan te geven uren”, waarbij het aantal uren nog niet bepaald is). Men bericht ons uit Leiden, dat het zeer twijfelachtig is, of er spoedig college in die vakken zal kunnen gegeven worden, dewijl er geen pharmaceutisch laboratorium bestaat en er in het gewoon laboratorium onmogelijk plaats is noch gevonden kan worden voor drie hoogleeraren, zoodat in geiuimen tijd geen praktijk zal kunnen gegeven worden. Toch achten wijde benoeming vaneen titularis aldaar een verblijdend verschijnsel, want de voorbereidende maatregelen voor de hulpmiddelen tot het geven van goed onderwijs kunnen nu onder het toezicht en bij toelichting door den werkelijk deskundige genomen worden, terwijl men zoo dikwijls ziet, dat inrichtingen door bouwkundige, maar niet met het vak vertrouwde personen gemaakt, vele leemten vertoonen en aan ondoelmatigheid lijden. Wat den nieuw benoemden hoogleeraar betreft, zoo spreken wij het vrijmoedig uit, dat, hoewel wij zijne wetenschappelijke verdiensten erkennen en hem de plaats waardig keuren, die hem bereid is, eene aan allen bekende geschiedenis daarover eene schaduw werpt. Wij vertrouwen echter dat de algemeene ontevredenheid der Nederlandsche pharmaceuten over het geheimhouden van de bereiding vaneen pharmaceutisch praeparaat door iemand, die reeds toen nauw bij de pharmacie betrokken was, den man, nu hij op zulk een hoog standpunt geplaatst en hem thans opgedragen en toevertrouwd is de kweekelingen der pharmacie inde beste methoden tot het bereiden van pharraaceutische praeparaten volledig in te wijden, voortaan zal terughouden de vruchten zijner wetenschappelijke onderzoekingen aan den handel af te staan. Zoowel het belang als de eerder Nederlandsche pharmacie eisohen dit dringend. LEVENSMIDDELEN. methoden tot onderzoek op hunne deugdelijkheid. 11. Boter. Een onderzoek van boter op bijmenging van delfstoffelijke lichamen, zooals gips, zwaarspaat, krijt enz. of ook van aardappel-

UITGEVER D. B. CEMTEX, te Amsterdam. De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk Woensdag morgen verwacht bij den Redacteur. De Advertentiën ui ter lijk Vrijdag avond bij den Uitgever. I meel en ander meel levert weinig bezwaar op. De boter is als i vetstof geheel oplosbaar in aether of benzine. Behandelt men dus boter met eene voldoende hoeveelheid dezer vloeistoffen en blijft er iets achter, dan kan dit na affiltreeren nader op zijn aard onderzocht worden. Men boude hierbij echter in het oog, dat bijna altijd eene geringe hoeveelheid kaasstof benevens het tot bewaring der boter bijgevoegd keukenzout en water op het filter achterblijven. Is die hoeveelheid eenigzins aanzienlijk, dan wijst dit op onzuivere bewerking der boter, onvoldoende uitkneding. Groote moeilijkheid levert echter het opzoeken van andere vetten in boter en daarvoor zullen wij weder als uitgangspunt moeten nemen eene normaal-boter, gemakkelijker te bepalen dan normaal-melk, omdat boter bijna altijd gelijk van aard verkregen wordt. Boter is een mengsel van verschillende glyceriden (samengestelde aethers of esters van den drieatomigen alcohol: glycerine). De radicalen van de zuren dezer aethers zijn deels die van de oplosbare, vluchtige vetzuren ; boterzuur, capron- en caprylzuur; dcj.a die vau de onoplosbare niet-vluohtige vetzuren: palraitineen stearinezuur en van het tot de acrylzuurreeks behoorend oliezuur. Het onderzoek van boter kan zoowel gericht zijn op de vluchtige als op de niet-vluohtige zuren. De nauwkeurige bepaling der vluchtige zuren, waarvan de hoeveelheid zeer constant schijnt te zijn, is echter wegens hunne vluchtigheid met zwarigheden verbonden. Hehner te Londen en Angell te Southarapton hebben eene methode beschreven, die gegrond is op de bepaling der niet-vluchtige zuren. Eene nauwkeurige handleiding tot de toepassing der methode is door hen uitgegeven onder den titel: //Butter, its Analysis and Adulteration”, en in het laatste Heft van het Zeitschrift für analytische Chemie is het beginsel ontwikkeld, waarop de methode berust. De methode is in Engeland algemeen aangenomen en talrijke analysen zijn volgens haar met goed gevolg verricht. Alle vetten bevatten minstens 95,5 % niet-vluchtige onoplosbare zuren, uitgenomen de boter, die daarvan gemiddeld slechts 87,34<010 bevat, terwijl het overige gedeelte door vluchtige, oplosbare zuren vervangen is. Op deze gegevens is de methode gegrond, die op de volgende wijze toegepast wordt. Men verw'armt eerst eene zekere hoeveelheid bijv., 10 gram, van de te onderzoeken boter ineen klein bekerglas op het waterbad. Hierdoor scheidt zich water, zout en aanwezige caseïne aan den bodem van het glas af, terwijl het zuivere botervet bovendrijft. Het laatste wordt, wanneer daarin soortelijk lichte zelfstandigheden gesuspendeerd zijn, ineen trechter, die met eene inrichting tot verwarming voorzien is (opodeldochtreohter), dooreen gedroogd filter gefiltreerd. Van het aldus verkregen botervet wordt na bekoeling eene kleine hoeveelheid, ongeveer 3—4 gram, afgewogen en in eene porseleinen schaal op het waterbad gesmolten. Men voegt nu ongeveer 50 O. C. spiritus van 85—90 % bij. Zoodra deze een weinig warm geworden is, lost bij de boter geheel of althans grootendeels tot eene heldere gele vloeistof op, die nu met een stukje kaliumhydroxyde (hydras kalicus) ter zwaarte van I—3 gram verzeept wordt. De verzeeping geschiedt bijna onmiddellijk en verloopt, wanneer voorzichtig gewerkt en