Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het ooglopend groot is het kiezelzuur gehalte van do asch van gersten- en havermeel.

De vochtigheid des meeis bedraagt B—l6 pCt., in zeldzame gevallen 18 pCt. Zij wordt eenvoudig bepaald door uitdrooging van bet meel op een waterbad gedurende 2—3 uren. In deugdzaam meel bedraagt dit watergebalte gemiddeld 10 pCt. Bij de onderzoeking van eenig meel komt de eene of de andere der navolgende vragen in aanmerking: 1. Is het meel bedorven of van bedorven graan afkomstig? 2. Bevat het meel te veel vochtigheid? 3. Hoeveel zemelen bevat het meel? 4. Van welke graansoort is het meel afkomstig; of is dit met het meel van zetmeelhoudende zaden van andere planten vervalscht? 5. Is het meel met vreemde minerale zelfstandigheden vermengd ? 1. Bedorven en slecht meel. Bedorven meel kan bereid zijn uit bedorven graan of het is door vochtigheid en slechte bewaring bedorven. Het eerstgenoemde meel vertoont welligt al de physische eigenschappen van goed meel (het smaakt gewoonlijk zoetachtig), maar men kan er geen bakwerk mede maken (meel uit gekiemd graan). De abnormale hoedanigheid van de kleefstof geeft daarvan de beste verklaring. In andere gevallen is het klonterig of vochtig en bezit een bijzonderen reuk , een’ onaangenamen, zuren, eenigzins bitteren of walgelijken smaak, welke achter inde keel eene zekere scherpte achterlaat. De kleur is mat roodachtig wit* Men vindt niet zelden in zulk meel levende en doode dieren, zooals de meelmijt (Acarus farinae), verder vibrionen, zoo als bij voorbeeld het tarweslangje (Yibrio Tritici), die zelfs reeds inden zaadkorrel leven en de zetmeelvorming verhinderen. Deze diertjes laten zich onder het mikroskoop zeer gemakkelijk onderkennen. De grootere vormen der meelwormen, de larven der meikevers (Tenebrio molitor) zijn wel een duim lang en alzoo met het bloote oog te onderkennen. Zij worden door zifting van het meel afgezonderd.

458

Sluiten