is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1947, no 9, 12-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is voor eiken bar keeper welhaast een gevleugelde uitdrukking geworden. Talrijke factoren o.a. een tekort aan ingrediënten verhinderen ons, onze productie gelijken tred te doen houden metdegroote vraag. Wordtdusniet korzelig, als „KNAL" eens niet verkrijgbaar is. De aflevering wordt gaandeweg beter! Eens is er weer volop KNAL- Smaakt als Champy ! ^ BECHT-BERGEN OP ZOOM (KNALSTAD) " Ook zij behouden graag hun „jeugd" en hun ,.teint". Hun schoonheidsmiddel heet TANA! (Toovert Altijd Nieuw Aanzien). Tanaen alléén Tana - bevat de „verjongende" ingrediënten, die ieder modieus schoentje zoo langen tijd mooi en nieuw houden! TANA - het schoonheids- g middet voor Uw schoentjes. Nu. evenals voorheen. uitsluitend verkrijgbaar bij de schoenenbranche. lij het voorloopig nog beperkt! No. 69 voor elk schoentje!

fbuiïtui als Vaste ïeijél Vasenot Natte luiers prikkelen de huid. Vasenol werkt beschermend en voorkomt schrijnen en smetten. Millioenen Moeders gebruiken het. Likdoorns met wortel en al De Trannosan Remedy van Dr. Polland doet drie dingen: ► |_ stilt onmiddellijk de meest snerpende pijn en sluit de deur voor infectie. ^ 2. weekt den kwelgeest los.... Binnen twee dagen plukt U hem, zooals U een madeliefje zoudt plukken. ^ 3. met wortel en al, zoodat hij niet meer terugkomt. Mariel niet onnoodig. Doe er vanavond een Trannosan Remedy op. - Doosje voord toepassingen. Bruisend Voetbad gratis erbij. Trannösati Remedy

KORTE INHOUD VAN HET VOORAFGAANDE.

Stephen Lynch, een gcwetenlooze kwakzalver, heeft zich als dokter gevestigd in het stadje Denwood. Hij knoopt daar betrekkingen aan met Mary Shand, wier vader het beroep van beul uitoefent. Als Lynch zich daarna dc genegenheid weet te verwerven van Rose Varley. de dochter van een millionnair, wordt Mary hem te lastig en op een avond verdrinkt hij haar in een meer.

Kort daarna sterft de oude heer Varley en Lynch trouwt inderdaad met Rose, ofschoon hij inmiddels aan een avontuurtje met Bctty Shand, de zuster van Mary, is begonnen. Al spoedig ruimt Lynch zijn vrouw dcor vergif uit den weg, maar haar geld krijgt hij toch niet te pakken. Vervolgens weet hij te bewerken, dat ]ohn Shand. die hem met zijn wraak achtervolgt, in een krankzinnigengesticht wordt opgenomèn. Graham, de directeur van het gesticht, wil echter al spoedig Shand vrij laten, omdat de man in 't geheel niet geestesziek is. Hij spreekt met Lynch over het geval.

„Dan heeft hij u om den tuin geleid, Graham. U als vakman op dat gebied zult toch zeker wel weten hoe listig zulke menschen kunnen zijn. Ik heb u toch al gezegd dat Shand indertijd mijn spreekkamer is binnengedrongen en kortweg gezegd een moordaanslag op mij heeft gedaan. Wekenlang strooide hij in Denwood het krankzinnige praatje rond dat ik een moordenaar was. Weet u ook dat hij zelfs nog bij mijn huwelijk de plechtigheid door zijn krankzinnig optreden verstoorde?" Graham luisterde aandachtig en ernstig.

„Ja dokter, dat is inderdaad een tragische geschiedenis en ik geef toe, dat het voor u inderdaad hoogst onaangenaam is. U verklaart echter zelf dat ik een vakman ben, en heusch, ik kan werkelijk wel vaststellen of iemand al dan niet krankzinnig is. Welnu: ik verklaar nadrukkelijk dat John Shand niet krankzinnig is! Zeker, hij was van de kook, totaal overstuur door de schok en het verdriet, die de moord op zijn dochter hebben veroorzaakt, en hij had inderdaad die dwaze obsessie tegen u, maar hij is nu weer volkomen opgeknapt en hij moet in vrijheid worden gesteld."

„Neen!"

„Ik zeg dat het moet, dokter Lynch! Als u die verklaring niet herroept, dan zal ik andere maatregelen nemen, en voordat we een week verder zijn, is John Shand in Denwood terug. Dat is mijn laatste woord. Goeden morgen!" Hij ging heen en Lynch bleef in' 'n sombere stemming achter. Die Graham was 'n vervelende bemoeial, en wat hij wilde doen, kon gevaarlijk worden. Het moest hem dus worden belet. Als Shand in Denwood terugkwam, zou hij stellig wéér beginnen met het rondbazuinen van zijn beschuldigingen, maar zelfs al deed hij dat niet en bleef hij alleen maar piekeren, dan kon het nog erg genoeg zijn, want vandaag of morgen kwam het dan bij hem toch weer tot een uitbarsting. Er moest iets aan gedaan worden.

Opeens verhelderde zijn gezicht, toen hij aan de politie dacht. Die inspecteur had de ravage gezien welke door Shand in de spreekkamer was aangericht, hij zou stellig bereid zijn, te verklaren dat de man inderdaad gevaarlijk was. Lynch besloot den inspecteur terstond te gaan opzoeken.

Hij trof het, dat inspecteur Bowden aanwezig was, al had hij wel iemand bij zich. Tegen den muur stond een doodgewone keukenstoel, en daarop zat, achterover leunend, een tamelijk sjofeltjes uitziende man in burgerkleeren. Een sigaret bungelde tusschen

UIT HET ENGELSCH DOOR WALTER TYRER

zijn lippen, de asch viel af en toe op zijn vest, maar hij lette er heel niet op. Het leek wel of hij half zat te suffen, met zijn dikke kop was hij het tegendeel van alles wat naar intelligentie zweemt. Lynch negeerde hem volkomen, en deed zijn goed bedacht verhaal aan den inspecteur.

„En mij dunkt dus dat die Shand absoluut niet weer op vrije voeten mag komen, inspecteur," besloot hij. De man op de keukenstoel opende zijn oogen. en nu was hij opeens heelemaal niet slaperig meer. Groote, grijze oogen met een ongelooflijk scherpen blik — foei, wat kon dié kerel iemand doorborend aankijken! Dat was ten minste de gedachte die bij Lynch opkwam toen de ham hem aansprak, en het was wel eigenaardig, dat zijn stem daarbij nog even suf en slaperig klonk als de man even tevoren schijnbaar was geweest. „Dus u bent dokter Lynch, nietwaar?" vroeg hij, „en eh — die — ; eh — die Shand, waarover u zooeven sprak, is dat de man die in Denwood vertelde dat u zijn dochter had vermoord?" Dokter Lynch fronste de wenkbrauwen en wierp een blik op den inspecteur. „Neem ine niet kwalijk, dokter, laat ik u even voorstellen — detective Morse van Scotland Yard. Hij is hier in verband met het onderzoek omtrent den moord op Mary Shand."

Lynch draaide, zij het ook gedwongen, 'n beetje bij, stond op en drukte den detective de hand. Geen prettige, stevige hand gaf die kerel, bah, zoo'n slappe, vleezige hand, om van te rillen! De vent scheen ook weer net zoo slaperig te zijn als tevoren — als dat 'n detective moest verbeelden....

Maar niettemin verklaarde hij: „Aangenaam kennis met u te maken, meneer Morse. „U hebt dus ook het ëen en ander gehoord over dat idee fixe van onzen vriend Shand?" „Ja," bevestigde Morse 'n beetje afwezig. „En het verwondert me niets dat u er allesbehalve over gesticht bent. Maar — eh — we moesten dokter Lynch dien ring eens laten zien, inspecteur." „Die ring?" herhaalde Lynch scherp. „Wat voor ring?"

Inspecteur Bowden trok een la van zijn bureau open en haalde daaruit een klein voorwerp, dat hij op zijn vlakke hand aan Lynch liet zien.

„Dit hebben wij gevonden bij het uitbaggeren van Black Mere," zeide hij. „Het lag in de modder, vlak onder de plek waar indertijd het lijk van Mary Shand werd opgehaald."

Lynch boog zijn hoofd over de hand van den inspecteur om de schrik in zijn oogen te verbergen. Hij kende die ring maar al te goed — de eigenaardig in elkaar gestrengelde handen! Het was de ring die Rose hem bij hun verloving had gegeven, en dien hij niet meer had teruggezien na den avond waarop Mary Shand was vermoord.

Als een bliksemflits schoot het hem door het hoofd, dat die ring van zijn vinger moest zijn gegleden terwijl hij het lichaam van Mary met alle kracht onder water had geduwd!

„Kent u dien ring?"

„Neen. Ik heb hem nog nooit gezien." De man van Scotland Yard was weer overeind gekemen en scheen opnieuw uit z'n slaperigheid te zijn ontwaakt. Weer keek hij met die groote grijze oogen dokter Lynch doorborend aan. „Vreemd," zei hij. „Wij hebben namelijk den juwelier gevonden, die den ring heeft verkocht, en wij hebben de bewijzen dat het kleinood door hem is verkocht aan Rose Varley, op den dag voordat uw verloving met haar bekend gemaakt werd."

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Lynch voelde een felle, onberedeneerde haat jegens dien dikken, onaangenamen kerel in zich opkomen. Hij wou dat hij den scherpen blik van die koele grijze oogen maar kon ontloopen, maar dat ging nu eenmaal niet. Nog nooit had hij zich zoo onzeker gevoeld; het praten kostte hem opeens moeite, het leek wel alsof z'n tong vastgekleefd zat aan z'n verhemelte. Toch slaagde hij er nog weer in, z'n kalmte te bewaren; zijn