is toegevoegd aan je favorieten.

De wiekslag; maandblad van de Vereeniging "De Onafhankelijken", jrg 1, 1917-1918, no 11, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alléén de kunstenaren en de wijzen. Zij is niet veilig bij de hyaena’s der nuchtere politiek en hun hierarehisehe eamorra’s.

Het hoort tot de stijlbloempjes der nuchtere politiek on zich te verklaren tot de dragers van de oeroude vrededroomen, die de archaïsch Tempels bewaarden en die het oerchristendom getracht heeft in de massa te brengen. De ironie der geschiedenis heeft van deze hansworsten de marionetten van den wereldoorlog gemaakt.

Alleen de Kunstenaren en Wijzen begrijpen die vrede, die hun maatschappelijke bestaansvoorwaarde is, zonder welke het leven van hén waardeloos is. En zij alleen kunnen die maatschappelijke vrede bewaren o.a. van de bezoedeling der „nuchtere politiek” en de kapitalistische en socialistische wereldoorlogen, die

daardoor worden geënsceneerd. Het zwaard, dat zij brengen is het bloemenzwaard van den Geest, waarvan zij willen getuigen in hun leven en in hun kunst.

Als de woordvoerders en voorvechters der Onafhankelijken in dézen geest schrijven en handelen, vallen de parasieten van ons af, die overal „de kat uit de boom kijken”, om zich alleen daar te nestelen, waar wat te halen is en kunnen wij ten slotte óók in de massa betere gevoelens wekken en steunen als het levende fundament van gezonde en bevredigende maatsehappelijke machtsvormingen. De Onafhankelijken hebben met vasten gang reeds de eerste sehreden gezet op dien weg, tot vermenschelijking der politiek.

A. J. RESINK.

EEN „ONDERSCHRIFT” KOMT NOOIT TE LAAT.

„Flip heeft een gaaf, zeit hij, verkregen van hier boven ;

Maar ’t volk heeft weer een gaaf van Flip niet te gelooven”. Jan Vos.

Het zal den heer Theo van Doesburg, onderstellen wij, meegevallen zijn toen hij ervoer dat zijn „Ingezonden”, opgenomen in het vorig nummer van „De Wiekslag”, zónder onderschrift verscheen. En niet ganschelijk onwaarschijnlijk is ’t, gezien schrijver’s persoonlijkheid, hij gedacht zal hebben dat onder den heilzamen invloed van zijn artikel de „H.R.” van zijn „ondersehriftenmani-e” is genezen. Wij zijn het aan onze eigen gemoedrust en aan onze menschlievendheid tevens verplicht hem van dien mogelijken ijdelen waan te ontlasten. Hij, en wat erger is, wij zouden er last van kunnen ondervinden.

Daarom zij hem dadelijk gezegd dat door omstandigheden, geheel staand buiten de sfeer van zijn persoon en zijn artikel, zijn stuk zónder onderschrift verscheen.

Het zij ons daarom alsnog vergund, zoogoed als wij bij „elk” stuk dat in „De Wiekslag” verschijnt de deur dicht doen, ook ten opzichte van het geschrijf des heeren van Doesburg de deur te grendelen. Te grendelen voor goéd.

Want, voorzooverhij aan óns, („ons” is gelijk:

A. 8.; A.B. was gelijk: H.R.; „ons” plus A.B. min H.R. is gelijk: S.-R.) voorzoover hij aan ons vijfde deel der redaetioneele deur na dien mocht komen kloppen, zal hij die onverbiddelijk gesloten vinden. Hij kloppe dus in den vervolge zoo vaak en zoo lawaai-makend als hij zelf verkiest en in zijn aard ligt, wij geven hem „niet thuis”.

Maar nu hij thans door de té wijd openstaande deur onzen „ Wiekslag” is binnen gekomen, diene ter meerdere voorlichting van de lezers hier gezegd, mede om hun een volledig beeld te geven van de wijze waaróp de heer Theo van Doesburg gastvrijheid verzoekt, dat zijn onson-ingezonden stuk, hetwelk toch waarlijk zóo het daar staat afgedrukt aan grofheid niets te wenschen overlaat, op advies van de Redactie vóór plaatsing door den schrijver van grofheden aan het adres van ondergeteekende is „gezuiverd”. Indien de lezers nog bovendien in kennis zijn gesteld van het feit dat de heer Theo van Doesburg (wij blijven met volharding de héér Theo van Doesburg schrijven) tijdens zijn lidmaatschap van onze vereeniging, de vereeniging, in het een of ander blaadje in het openbaar op de allergrofste wijze belaagde, voor welk boosaardig bedrijf hij door ondergeteekende, in zijn kwaliteit van tweeden voorzitter, danig werd