is toegevoegd aan je favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 1, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t, met zoetzinnig zeggen: sprei beie handen en verwacht niets meer: en met de volmaakte nederigheid, van schoon, die Gorter’s Mei maakt tot een aandachts-volheid. Bij dezen wien schoonheid natuurlijk schijnt, en fijne luchtigheid, zelfs in z’n laatsten vers-tijd waarmee, maar aarzelend een nieuw lachen van een jonge vreugd begint, is ’t woord öf toon voort-durend die ’t vers maakt als een verren gang en met klaanst landschap, raam na raam; öf woorden gaan gebogener op naar ’n berg en naar ’t terras van licht, waar een staat uit hen, volmaakt. Bij Gorter komen de woorden voor die door plaatsing en stand in de gezegde reeks hun beteekenis hebben vol-zdt, die niet maar in gedeelte geven van hun schoon, maar die in irradianties van klank en licht den tijd verlichten, en de lucht maken als eèn muziek.

Zooals:

Zso als een bloem van zomerrood, papaver.

Dit is voldongen; dit valt als een klaarststalen hamer op tinkend aambeeld; en zendt klanken tot aan de uiterste sfeer; dit is een woord zooals alle, en zuiver geweten, met de mysteries die wij er om maakten, af: als een naakt-brandende kolom van vuur; een stengelend licht; dit schiet de vuurpijlen van zijn geluid verst-weg, en aldoor vallen die terug naar ons, verheugden, fusées van kleur-vol licht.

Deze volmaakte gaaf van dichterlijkheid mist Verwey.

En een andere, die ’n spasme is: die de lucht verheldert als door ’n flitsen uit als onweer; en met flarden ’t klaarder maakt dan daglicht.

Verhaeren ziet de steden komen, verschrikt, naar zich, als groote runderen; en hoort de angsten, en wroeging, en goedheid ongedaan, opstaan met gebaar en hartstochtelijksten gang; een heele stad beweegt als ’n vrouw die sterk, een man begeert; die ’r lijf maakt tot roem, door lust;

zie, dezen is de lucht vol groote zonnen hollend, en sterren wankend als dronken beesten.

hem heffen klare nachten, plots gezien, als bloemen, en die welken, hun licht, luchte kelken, vol wijn van verlatenheid; terwijl de gebeden vallen door de leege lucht, als witte steen in witte en schrille en schaduwlooze put: geen verschil van kleur is er, en niets dan val en telkens heft en daalt de arm die hooghield nergens is stilstand als haast bij Vincent en de woorden worden als plots-vallend stuk rots, of als zee-slag tegen duin ; of rank schietende stengels in-eens; of ’t gaat:

of schaduwen wegvielen, en dingen, demonen, bewogen in dralend en zwart licht.

Verwey gaat bedachtzaam nu, en bedachtzamer ?

Z’n eruditie is belangrijk. Niet alleen voor hem zelf, als weter, maar voor z’n vers.

’t Geeft altijd een dreun, als een zee die achter ’t duin slaat; en die haar schoon leven beweegt achter ’t dorre zand.

’t Vers is nooit on-zwaar, nooit flauw, ’t Heeft nooit ’t lamme, slaplippige.

Maar dikwijls, ook ’n gevolg van eruditie, èn er-onder zijn, te veel herinnering aan and’ren, zelfs aan Tollens ; met hinderlijke rijmvindingen.

En al z’n ’t hinderlijkst geleeraar is hem noodig zeker, als overgang; maar mij schijnt dat daarna een tijd zal komen die dit zal missen en door z’n zware lyriek belangrijk zal zijn zooals al in dit vers.

In ’t brandend braambosch van mijn hart stond stil zij die zoo zeide.

DROGON DOOR ARTHUR VAN SCHENDEL. (W. Versluys Amsterdam.)

Dit boekje is, in z’n verten, moe, en zachtjes, als een weg ; en sierlijk, maar uitgeleefd. Het heeft in z’n landschap, de geurende lieflijkheid als uit laaglandsche lentenen, en onder denteedren hemel van een maan-vollen nacht; en er slaat gedruisch uit op maar zachter als ’t hamerslaan dat van een .stelling klinkt om ’n huis, wanneer de lucht in ’t voorjaar is, en hol.

Soms wordt ’t woord louter, als een vers: „In zijn ooren suisden de geluiden der lente, het was of alle bloesems der kerseboomen rondom haar hoofd dwarrelden met een ruischen van zijde, toen verduisterden.”

Soms hoofsch, als uit een roman van Walewein, met een haast vrouwelijke fijnheid van beweging;

„Met veel adieus en wapengekletter”

en met de naïviteit als nog een Vlaming: „jammerend en innig verliefd.”

En zoolang dit blijft, zoolang Van Schendel niet ’t werkelijk leven raken moet, is ’t goed; zoolang ’t een v&xhdle?id-herinnerd leven is: een fresco en niet een fel schilderij ; een klein, zacht fresco; met de lange lijn van zinnen die gaan onverstoord.

Maar ’t dadenvolle erin is zwak en fout. Daardoor zijn de gesprekken, zwakst.

Omdat dit niet ’t schilderen van ’t leven is, maar omdat het groote en schoone leven zelf hier zijn luiden mond zou open-doen; omdat ’t hier niet de beelding van ’t gebaar is, maar ’t gebaar zelf, van den dan plotselingen mensch.

En het is een verwondering; ook deze dingen in dit boekje te vinden. Dat den geur geeft aan lang geleen al weggelegde dingen, en die zacht geworden zijn om aan te raken; en geuren als uit een andren tijd; vol van een niet-helle liefheid en waar een vlek zou zijn van kleur; dwaas en hard, als een stomp.