is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 8, 1934-1935, no 9, 1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. J. VAN OUDSHOORN

„PINKSTEREN” „IN MEMORIAM" „TOBIAS EN DE DOOD”

Deze drie boeken van Van Oudshoorn (de eigenlijke naam van den schrijver is Veilbrief) kenmerken zich door een onmiskenbare noodlotsatmosfeer, een soort fatum dat de enkele helden, die deze geschiedenissen beheerschen, met een luguber aureool van gedrevenheid omringt. Een vreemde, broeierige alcoofstemming huist in deze verhalen, waarin de omstandigheden, het doen en laten van de hoofdpersonen, hun menschelijk reageeren, meesterlijk getypeerd zijn, waar al de daden en besluiten een logische ontwikkeling volgen, inhaerent aan een diepere noodzaak. Van Oudshoorn laat ons duidelijk zien, hoe weinig de mensch opgewassen blijkt tegen de wetten van het noodlot, dat zich soms op vreemde, en onbegrijpelijk verrassende wijze aan ons voltrekt.

Minder wreed en heftig als een Julien Green, weet de schrijver toch zeer goed angsttoestanden en dergelijke abnormale stemmingen te suggereeren, terwijl de held, niet als hyper-sensitief geteekend, hierin toch duidelijk op de uiterste grenzen van normaal mensch en maniak verkeert.

De taal is, zooals veel in de moderne kunst, weer stellig terugkeerend naar de woordenkeus uit een 19de eeuwsch Nederlandsch. De zinnen zijn mooi en vol stijl geformuleerd. Deze drie boeken zijn geheel volgehouden in verteltrant; nergens worden de hoofdpersonen spelend ingevoerd. Meer nog dan vertellingen zijn dit raak-psychologische ontledingen. Overal wordt hier op de meest critieke momenten de menschelijke ziel uitgediept. Hoewel vatbaar voor veel mogelijkheden in die richting, verliest Van Oudshoorn toch nergens de nuchterheid uit ’t oog. Bij lange na niet ontbloot van humor, zelfs in de meest navrante situaties, weet hij den lezer tot het eind precies de opgelegde stemmingen mee te laten leven en hem naar het uiteindelijk logisch slot van het psychisch proces te voeren.

~Pinksteren” behandelt het verhaal van twee jonge vrienden en hunne meisjes, die zich de feestdagen uitkiezen om op sexueel gebied ditmaal eens spijkers met koppen te slaan. Echter vereischt dit plan heel wat zelfoverwinning van de zijde der onervaren jonge dochters; misverstanden, overredingen en ten slotte de noodlottige breuk zijn hiervan het gevolg. De jeugdige Don Juans, die zich zelf nog laten imponeeren door de brutale blik van een kellner en door de onverhoopte tusschenkomst van een indiscreten schoolmakker, hebben geestelijk eigenlijk al ’t hazepad gekozen vóór het supreme en lang verbeide moment in de kleine derde-rangs hotelkamer.

Behalve de onderhavige gemoedstoestanden dan heeft de schrijver hier de landschappelijke omgeving geteekend: de gezamenlijke wandelingen en afspraken in het stadspark, de avondmuziek in het plantsoen.

Een romantische stemming wordt hier gesuggereerd, die soms aan de beste schilderijen van 'Willink herinnert en die zich uitstekend leent als decor voor dit humoristisch-amoureus verhaal.