is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 12, 1938-1939, no 4, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ais men van een hazewind niet zou durven verwachten.

Éénmaal te maande ontving leifrouwe van de Ghesquiere tijding alwaar Lady Surrey Hamilton vertoefde en stêevast was dan de navraag op de kaart, hoe het Barzoj stelde.

Zij bezat nu een Schotsche deerhound, die iets grooter was, ook sterker, veronderstelde zij. Hij had een goeden neus, ruig haar, wat haar in heur gevoel mannelijker aandeed en splendid blauwgrijs haar. De vroegere eigenaar van wie zij den deerhound had gekocht, beweerde met het beest op herten en wolvenjacht te zijn geweest.

Geheel in den beginne waren de begijnen en juffrouwen wel ontsteld geweest, dat de Groot-Juffrouw de kerke had opengesteld voor een hond, hoe schoone die dan ook was, maar toen zij gehoord hadden, waarom de Groot-Juffrouw dat had meenen te moeten doen, hadden allen er vrede mêe gekregen.

In de voorbije dagen, dat de Lady Surrey Hamilton nog te Brugge vertoefde, was het gebeurd, dat de oude kantwerkster Sylvia Willaert, weggaande van vóór het Beeld onder den Ingang, over de gebogen brugge schrijdend naar het plantsoen toe, stronkelde ter hoogte van de middenboge en te water viel, een schruwel gevend, die door merg en been ging.

De Engelsche Vrouwe, juiste aankomend van een antiquaar daar op de plaatse en van haar Barzoj vergezeld, kon niet verhinderen, dat het edele beest met twee sprongen vooruitstoof en vóór zij ook maar kon bezinnen wat er gedaan wierd, sleurde Barzoj reeds, door den reyevloed zwemmend, het oude kantwerkstertje op den niet-afgeboorden wallekant.

Lady Surrey Hamilton gaf seffens alarm, zoodat nog geen kwartier later het oude vrouwken Willaert naar 't Sint Jans Hospitaal was vervoerd en naar spoedig bleek, het leven had mogen behouden.

Voor de uiterlijke wereld van de Brugsche stêe, was daarmede het gebeuren afgedaan. Wel werd een tweetal weken door de bevolking over het gebeurde naverteld, naar aanleiding van het verslag in 't plaatselijk „Burgerwelzijn", maar op 't Bagijnhof was deze zaak verre van voorbij, daar de begijntjes het een bewijs vonden van de kracht van het gebed, dat vrouwken Willaert zoo schielijk was gered. Ook al staat 't in onze sterren geschreven, zoo vermondde men elkander, dat een ongeluk of boos bedrijf nakende is, toch kan het gebed een helpend hulsel om ons heen bouwen, waardoor de zwaarte van den tegenslag wordt gebroken, of ten deele, zoo wij het hebben verdiend, opgeheven.

Toen vrouwken Syivia Willaert genezen was en ondanks heuren gevorderden leeftijd weer ter been kwam, was heur eerste werk een onderhoud bij de Groot-Juffrouw van het Bagijnhof aan